Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1797
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.352.718/02 zaaknummer rechtbank 11336126 arrest van 24 maart 2026 in de zaak van Defam B.V. die is gevestigd in Bunnik die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiser hierna: Defam advocaat: mr. E. Stammers tegen [de debiteur] die woont in [woonplaats] hierna: [de debiteur] niet verschenen 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Defam heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, (hierna: de kantonrechter) op 17 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met daarin de gronden voor het hoger beroep de verstekverlening tegen [de debiteur] de ambtshalve doorhaling van de procedure door het hof de hervatting van de procedure door Defam. 1.2. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. Defam heeft een kredietovereenkomst gesloten met [de debiteur] op grond waarvan Defam een persoonlijke lening heeft verstrekt aan [de debiteur] . Defam vordert terugbetaling van het resterende kredietbedrag te vermeerderen met (contractuele dan wel wettelijke) rente en proceskosten. Defam legt aan haar vordering ten grondslag dat [de debiteur] gedurende tenminste twee maanden een achterstand in de betaling heeft laten bestaan. 2.2. De kantonrechter heeft de vordering van Defam afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een consumentenkrediet en heeft Defam het krediet niet rechtsgeldig vervroegd opgeëist. Dit betekent volgens de kantonrechter dat de kredietovereenkomst nog doorloopt zodat [de debiteur] nog steeds de maandelijkse termijnen moet voldoen en niet verplicht is om het krediet ineens terug te betalen. Hoewel hij daaraan geen sancties heeft verbonden, heeft de kantonrechter daarnaast geoordeeld dat niet is gebleken dat Defam alle (op grond van wet) verplichte informatie heeft opgenomen in de kredietovereenkomst. 2.3. De bedoeling van het door Defam ingestelde hoger beroep is dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [de debiteur] veroordeelt om aan Defam te voldoen een bedrag van € 16.246,53, te vermeerderen met (a) de overeengekomen rente van 0,659% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding op grond van artikel 35 Wet op het consumentenkrediet/ artikel 7:76 lid 2 BW of (b) de wettelijke rente en te vermeerderen met de proceskosten van Defam in beide instanties. Defam komt met drie grieven op tegen het vonnis van de kantonrechter. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep De feiten 3.1. Naar aanleiding van een kredietaanvraag van [de debiteur] heeft Defam aan hem een offertepakket verstrekt. Het offertepakket bestond uit een offerte voor een persoonlijke lening (tevens de concept kredietovereenkomst, in tweevoud), de productvoorwaarden en het zogenoemde formulier Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (hierna: het ESIC-formulier). 3.2. In het “ Informatieblad DEFAM - Huiseigenaar Persoonlijke Lening (EUROPESE STANDAARDINFORMATIE INZAKE CONSUMENTENKREDIET)” (het ESIC-formulier) is, naast de identiteit en de contactgegevens van Defam en de tussenpersoon, een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en de kosten van het krediet, een aantal juridische aspecten en overige gegevens, onder meer, opgenomen: “(…) De voorwaarden voor kredietopneming (…) U ondertekent de kredietovereenkomst en stuurt deze met alle stukken naar ons. Als de stukken in orde zijn, maken wij het geld naar u over. (…) Periode gedurende welke de kredietgever door de precontractuele informatie is gebonden Deze informatie is geldig tot en met 30-03-2019. (…) (…)”. 3.3. Op 1 maart 2019 heeft Defam, via tussenkomst van een tussenpersoon, de door [de debiteur] getekende offerte met daarbij de aanvullende documenten retour ontvangen. De door Op 2 januari 2024 heeft de gemachtigde van Defam een brief gestuurd aan [de debiteur] . In deze brief heeft de gemachtigde laten weten dat zij opdracht heeft gekregen van Defam om een uit hoofde van een persoonlijke lening openstaande schuld van € 16.570,05 te incasseren bij [de debiteur] . Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat de schuld uiterlijk op 9 januari 2024 moet zijn voldaan. 3.9. Op 10 januari 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “ (…) Ref. opdrachtgever: (…)430”. In deze e-mail heeft de gemachtigde bevestigd dat er een betalingsregeling is getroffen met [de debiteur] voor een af te lossen bedrag van € 17.186,73. 3.10. Op 8 maart 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “(…), Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft de gemachtigde aan [de debiteur] geschreven dat de betalingsregeling niet correct is nagekomen. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat het totale openstaande bedrag opeisbaar is. 3.11. Op 27 maart 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “(…) Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft de gemachtigde bevestigd dat de betalingsregeling weer is geactiveerd. 3.12. Op 8 mei 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “(…), Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft de gemachtigde laten weten dat de ontstane betalingsachterstand uiterlijk op 13 mei 2024 moet zijn ingelopen. 3.13. In reactie op de e-mail van de gemachtigde van 8 mei 2024 heeft [de debiteur] diezelfde dag een e-mail gestuurd met als onderwerp “ RE:(…), Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft [de debiteur] aangegeven dat hij niet aan zijn betalingsverplichting kan voldoen vanwege het loonbeslag dat door het kantoor van de gemachtigde op zijn salaris is gelegd. 3.14. Op 17 mei 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “(…), Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat de betalingsregeling (opnieuw) is komen te vervallen. 3.15. Op 17 juli 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “(…) Ref. opdrachtgever: (…)701” . In deze e-mail heeft de gemachtigde aangegeven dat de betaling van het openstaande bedrag van € 16.056,34 binnen vijf dagen moet zijn ontvangen . 4 De toelichting op de beslissing van het hof Ambtshalve toets aan het Europees consumentenrecht 4.1. Defam is als professionele kredietgever een kredietovereenkomst aangegaan met [de debiteur] die daarbij heeft gehandeld als consument. Dit betekent dat de vordering van Defam betrekking heeft op een zogenoemde consumentenkredietovereenkomst in de zin van de Richtlijn consumentenkrediet. Op grond van de consumentenbeschermende bepalingen in de Richtlijn consumentenkrediet (die in het nationale recht zijn opgenomen in afdeling 1 van titel 7:2A BW en de Wet financieel toezicht (Wft)) moet het hof ambtshalve beoordelen of Defam haar precontractuele en contractuele informatieplichten ten opzichte van [de debiteur] is nagekomen. Daarnaast moet het hof ambtshalve toetsen of Defam aan de kredietwaardigheidstoets heeft voldaan. Het hof moet deze ambtshalve beoordeling ook verrichten als de debiteur (in dit geval: [de debiteur] ) verstek laat gaan. Precontractuele informatieplicht 4.2. Voor een kredietverlening zoals hier aan de orde moet een kredietgever de consument op grond van artikel 7:60 BW geruime tijd voordat deze wordt gebonden door een kredietovereenkomst of een aanbod, de in artikel 5 van de Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven precontractuele informatie verstrekken. Uit artikel 5 van de Richtlijn consumentenkrediet volgt dat de kredietgever kan voldoen aan de precontractuele informatieverplichting door het verstrekken van het ESIC-formulier. Het hof stelt vast dat Defam het ESIC-formulier heeft verstrekt aan [de debiteur] (zie hiervoor 3.1). Dit brengt mee da Daarnaast heeft Defam een afschrift vertrekt van de door haar opgevraagde BKR-registratie. Het hof stelt voorop dat van de aanbieder van een consumentenkrediet mag worden verwacht dat hij voorsorteert op de door de rechter te verrichten ambtshalve toetsing. Hieruit volgt dat de kredietgever de rechter in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure dient te voorzien van alle benodigde informatie om de ambtshalve toetsing mogelijk te maken. Dat geldt ook voor de ambtshalve beoordeling van de kredietwaardigheidstoets. Het hof stelt vast dat het zonder een nadere toelichting op de door Defam overgelegde stukken niet kan beoordelen of Defam de kredietwaardigheid van [de debiteur] heeft getoetst op de in artikel 4:34 lid 1 Wft voorgeschreven wijze. Het hof zal Defam de gelegenheid bieden haar stelling dat is voldaan aan de kredietwaardigheidstoets nader te onderbouwen door middel van een akte. Het hof vraagt Defam daarbij in ieder geval in te gaan: i) op de vraag wat wordt aangetoond met de overgelegde stukken; en ii) - meer in het bijzonder - op de vraag wat de betekenis is van het bedrag van € 230,76 dat staat vermeld in het overgelegde inkomsten overzicht, mede in relatie tot andere in de stukken vermelde bedragen over de aflossing van het gevraagd krediet. Opeisen van het krediet 4.5. Defam heeft aangevoerd dat zij het krediet op grond van artikel 8 van de algemene voorwaarden rechtsgeldig vervroegd heeft opgeëist. Defam heeft toegelicht dat zij [de debiteur] in haar brief van 22 september 2023 in gebreke heeft gesteld nadat [de debiteur] meerdere vervallen termijnbedragen niet had voldaan. Aangezien [de debiteur] vervolgens opnieuw ten minste twee maanden achterstallig is gebleven in het betalen van die termijnen, heeft zij in haar brief van 23 november 2023 het totale krediet opgeëist, aldus Defam. Het hof stelt vast dat in de kredietovereenkomst het contractnummer (…)430 staat vermeld. Dit contractnummer komt niet terug in de door Defam overgelegde brief van 22 september 2023. Het contractnummer staat ook niet vermeld in de door Defam overgelegde brief van 23 november 2023. In plaats daarvan wordt in de door Defam overgelegde documenten steeds verwezen naar contractnummer (…)701. Dit geldt ook voor de door Defam als productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde specificatie en het overzicht financiële mutaties. Daarnaast is het contractnummer (…)430 in de correspondentie van de gemachtigde van Defam uitsluitend vermeld in de e-mail van 10 januari 2024 die ziet op een getroffen betalingsregeling. In de overige door Defam overgelegde correspondentie van haar gemachtigde, is steeds een verwijzing opgenomen naar “Ref. opdrachtgever: (…)701” . Het contractnummer (…)430 komt in deze correspondentie van de gemachtigde niet voor. Voordat het hof zal beoordelen of Defam - gelet op haar verwijzing naar, onder meer, de hiervoor aangehaalde brieven van 22 september 2023 en 23 november 2023 - heeft voldaan aan haar stelplicht dat zij het krediet rechtsgeldig heeft opgeëist, zal het Defam in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten in de hiervoor onder 4.4 vermelde akte. Het hof vraagt Defam om daarbij in ieder geval in te gaan op: iii) de vraag waarom er twee verschillende contractnummers zijn vermeld in de door Defam overgelegde documenten; iv) de vraag waardoor het verschil in contractnummers is ontstaan; v) de vraag of [de debiteur] wist dat het contractnummer is gewijzigd en, zo ja, waaruit dit blijkt. 4.6. Alle verdere beslissingen worden aangehouden. 5 De beslissing Het hof: 5.1. verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2026 voor het nemen van de hiervoor onder 4.4 en 4.5 omschreven akte; 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen, G.J. Meijer en W.H. van Boom, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. Richtlijn nr. 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor