Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1773
Strafrecht
Hoger beroep
23,637 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/xml public 2026-04-09T13:33:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 Wahv 200.358.201 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1773 text/html public 2026-04-09T13:32:07 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1773 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / Wahv 200.358.201 Aangetekende verzending. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van een aangetekend verzonden stuk, ligt het op zijn weg om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarin is de betrokkene in dit geval geslaagd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.201/01 CJIB-nummer : 254050495 Uitspraak d.d. : 24 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 28 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 153,-. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. Namens de betrokkene is verschenen mr. [gemachtigde] De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling 1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd moet worden vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De betrokkene heeft de oproep voor de zitting van de kantonrechter niet ontvangen. De oproep is aangetekend verzonden naar het kantooradres van de betrokkene. Op 18 juni 2025 om 16:32 uur zou gepoogd zijn om de oproeping op dit adres te bezorgen. Het gaat dus om een bezorgpoging tijdens werktijd, op een moment waarop er secretariële medewerkers aanwezig waren op kantoor. Daarmee is er geen voor de hand liggende reden waarom de bezorging op dit kantooradres niet zou zijn gelukt. Van de bezorging op een PostNL-punt heeft de betrokkene ook geen bericht ontvangen. Er is geen afhaalbericht achtergelaten door de bezorger. De zending is daarom niet opgehaald door de betrokkene. Het komt de betrokkene voor alsof het door PostNL feitelijk achterwege is gelaten om daadwerkelijk een bezorgpoging te doen. Dergelijke incidenten komen vaker voor bij PostNL. 2. Het dossier bevat een brief van 17 juni 2025 waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 juli 2025. Deze brief is gericht aan het kantooradres van de betrokkene, zoals door de betrokkene opgegeven in het beroepschrift. Verder blijkt uit het dossier dat de oproep aangetekend is verzonden en retour is gekomen omdat deze niet is afgehaald. De bezorging zou niet gelukt zijn. Hierbij is vermeld de datum 18 juni en het tijdstip 16:32 u. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Omdat uitreiking van de brief in dit geval niet mogelijk was volgens PostNL, heeft PostNL de brief naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. Het hof gaat ervan uit dat PostNL, overeenkomstig de handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, de geadresseerde daarvan op de hoogte stelt. 5. Als een geadresseerde stelt dat hij geen kennis heeft gekregen van het aangetekend verzonden stuk, dan ligt het op de weg van de geadresseerde om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat de geadresseerde feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is uitgereikt dan wel dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat hij het stuk bij een afhaalpunt kan afhalen. Als de betrokkene erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. 6. Het hof ziet geen reden de betrokkene niet te volgen in zijn stelling dat er geen bezorgpoging is gedaan en hij geen afhaalbericht heeft ontvangen. De door de betrokkene gegeven verklaring, dat er op het betreffende bezorgmoment medewerkers op kantoor aanwezig waren, is voldoende om het vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Daarom moet worden aangenomen dat het de beslissing van de kantonrechter niet op regelmatige wijze op het adres van de betrokkene is aangeboden. De betrokkene is daarmee niet op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, niet mogelijk. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 204,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 november 2022 om 16:20 uur op de A28 in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 8. De betrokkene voert aan dat toen de betrokkene staande werd gehouden naar aanleiding van de vermeende snelheidsovertreding, de ambtenaren van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om op basis van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een technische controle van het voertuig uit te voeren. Gezien de verstrekkende wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, het feit dat een groot deel van de verrichte handelingen simpelweg onnodig was en het feit dat hiermee vergaande inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokkene, is de conclusie dat het onderzoek op disproportionele wijze is verricht. Het onderzoek aan de auto vormt een essentieel onderdeel van de wijze waarop de staandehouding en uiteindelijk het opleggen van de sanctie tot stand kwam. De disproportionaliteit van het onderzoek moet daarom vernietiging van de strafbeschikking tot gevolg hebben. Daarnaast voert de betrokkene aan dat de snelheidsmeting is verricht zonder daartoe geschikte apparatuur. De betrokkene ontkent ten strengste dat hij de snelheid die gemeten zou zijn daadwerkelijk heeft gereden. Het voertuig van de ambtenaren bevond zich niet consequent rechtstreeks achter het voertuig van de betrokkene. Gedurende de 1.000 meter dat de meting plaatsvond hebben er meermaals meerdere voertuigen gereden tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren. Het is hierdoor denkbaar dat bij de meting een onjuiste snelheid is gemeten. Daar komt bij dat het dossier niet alle bescheiden bevat die van belang zijn voor de controle van de juistheid van de meting. Het zaakoverzicht bevat een verwijzing naar een fotografische opname, maar het is onduidelijk wanneer die fotografische opname gemaakt zou zijn en wat daarop zichtbaar is en of die foto de meting ondersteunt dan wel ontkracht. De betrokkene voert verder aan dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. De betrokkene wijst in dat verband op een arrest van het hof van 20 maart 2002. 9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
Volledig
Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door bestuurder met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 130. Snelheid volgens kalibratietabel: 126. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 122. Toegestane snelheid: 100. Overschrijding met: 22. Meetafstand: 1000,00 m. Tussenafstand: 100 m. Meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met kenteken [kenteken dienstvoertuig]. Ter hoogte van hectometerpaal: 19.7L. Bijlage: een fotografische opname. Verklaring betrokkene: Ik reed niet te hard.” 11. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van 10 juli 2025. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende: “Op 23 november 2022 reed ik, [ambtenaar 1], samen met mijn collega [ambtenaar 2] in een onopvallende politieauto en voerden wij een meting uit op het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken]. De gemeten snelheid kwam uit op 26 kilometer per uur te hard. Na correctie bleek dit 22 kilometer per uur te hard te zijn. Dit wordt gemeten door middel van de boordcomputer. Het onopvallende voertuig wordt elk jaar gekeurd en de keuring/kalibratie van het betreffende voertuig was geldig tot 01-06-2023. Omtrent deze bekeuringssituatie wordt er een meting gedaan door middel van de boordcomputer gedurende aan x aantal meter. Dit wordt niet videografisch vastgelegd.” 12. Het hof merkt allereerst op dat de rechtmatigheid van de technische controle van het voertuig in deze procedure niet kan worden beoordeeld. De ambtenaren hebben de onderhavige gedraging geconstateerd en naar aanleiding daarvan de betrokkene staandegehouden. De controle aan het voertuig is nadien uitgevoerd en houdt geen verband met het vaststellen van de gedraging. 13. Het dossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof merkt in dat verband op dat de fotografische opname waarnaar in het zaakoverzicht wordt verwezen een foto is van de kalibratietabel van het voertuig. Deze foto bevindt zich in het dossier. 14. De ambtenaar verklaart dat hij het voertuig met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter is gevolgd. Dat er meerdere voertuigen tussen die van de betrokkene en die van de ambtenaren hebben gereden, wil het hof wel aannemen, maar brengt niet mee dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de ambtenaar of de juistheid van de meting. Voor een juiste meting is niet vereist dat het voertuig van de ambtenaren consequent rechtstreeks achter het voertuig van een betrokkene rijdt. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. 15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het sanctiebedrag in dat geval met 25 procent wordt gematigd. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding het sanctiebedrag vast te stellen op nihil. 16. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. 17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het verschijnen ter zitting dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 153,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946. ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742. vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.