Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-17
ECLI:NL:GHARL:2026:1660
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1660 text/xml public 2026-03-27T13:42:44 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 24/1955 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1660 text/html public 2026-03-27T13:41:57 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1660 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 24/1955 BPM. Ontvankelijkheid bezwaar. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1955 uitspraakdatum: 17 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 september 2024, nummer ARN 23/1707 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.787. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Beide partijen hebben niet verzocht om een onderzoek ter zitting in hoger beroep. Het Hof heeft beslist dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven en heeft het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Opel (Insignia Sports Tourer 2.8 T OPC 4x4; hierna: de auto) een bedrag van € 1.312 aan BPM op aangifte voldaan. 2.2. Na onderzoek door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) en op basis van het door DRZ opgemaakte rapport, heeft de Inspecteur belanghebbende ter zake van de auto bij brief van 2 juni 2021 een ‘kennisgeving naheffingsaanslag’ gestuurd. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 30 juni 2021 bericht dat hem een naheffingsaanslag ten bedrage van € 6.787 zal worden opgelegd. Belanghebbende heeft deze brief per e-mail van 8 juli 2021 aan zijn gemachtigde doorgestuurd. Met dagtekening 23 juli 2021 is de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. 2.4. Op 1 juli 2021 is de gemachtigde vader geworden. Zijn secretaresse had in die periode (langdurig zwangerschaps-)verlof. 2.5. Met betrekking tot de onderhavige naheffing heeft tussen (het kantoor van) de gemachtigde en belanghebbende de volgende e-mail-correspondentie plaatsgevonden: ‘Op 8 jul. 2021 om 15:35 heeft [belanghebbende] < [e-mailadres1] > het volgende geschreven: Dag [naam1] , Bij deze de getekende volmacht en de schriftelijke naheffingsaanslag BPM van de Opel Insignia OPC [kenteken] in de bijlage. Bonnen en nota's volgen nog. (…) Aan: [belanghebbende] < [e-mailadres1] > Beste [belanghebbende] , Dank voor het doorsturen. We zullen tijdig bezwaar indienen en tevens verzoeken om uitstel van betaling. We houden je op de hoogte van het verdere procesverloop. Groet, mr. S.M. Bothof (…)’. en ‘Op do 22 jul. 2021 om 09:33 schreef [belanghebbende] < [e-mailadres1] >: Gaat dit wel goed? Moet voor 6 augustus betaald zijn! Graag spoedig reactie? (…)’ en: ‘Van: 123 BPM [mailto: [e-mailadres2] ] Verzonden: donderdag 22 juli 2021 9:41 Aan: [belanghebbende] Onderwerp: Re: Vooraankondiging naheffing Geachte heer [belanghebbende] , Dank voor uw bericht. De brief van de Belastingdienst is geautomatiseerd verzonden. De dagtekening van de naheffingsaanslag is 23 juli 2021, dat is morgen. Vanaf morgen hebben wij een wettelijke termijn van zes weken om bezwaar te maken en uitstel van betaling aan te verzoeken. We zullen uiteraard binnen de gegeven termijn bezwaar indienen en uitstel van betaling verzoeken. Met vriendelijke groet. [naam2] (…)’. 2.6. In de maanden juli en augustus 2021 heeft het kantoor van de gemachtigde meerdere bezwaarschriften voor verschillende cliënten bij de Belastingdienst ingediend. 2.7. Bij e-mail van 13 juni 2022 heeft belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag een betalingsherinnering van de ontvanger aan de gemachtigde doorgestuurd. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 14 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur op 15 juni 2022 ontvangen. 2.8. Bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 25 september 2024 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende ten laste van de Staat vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten toegekend. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Het onderhavige bezwaarschrift is zeer ruim na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend. 4.2. Belanghebbende (de gemachtigde) stelt zich evenwel op het standpunt dat niettemin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij met betrekking tot het indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest zodat volgens hem op grond van art. 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding hier achterwege moet blijven. 4.3. Belanghebbende (de gemachtigde) heeft daartoe – in de kern – aangevoerd dat hij (de gemachtigde): - niet kon beschikken over ondersteuning door zijn secretaresse die normaliter de (indiening van de) bezwaarschriften in goede banen leidde; - door slaaptekort en ernstige vermoeidheid in de eerste weken na de geboorte van zijn kind acuut vergeetachtig is geraakt; - en voorts dat hij in die periode zijn gebruikelijke ‘checks-and-balance’ was kwijtgeraakt omdat de belastingdienst in de coronaperiode de invorderingsmaatregelen had opgeschort waardoor in die periode – anders dan te doen gebruikelijk – geen herinneringen, aanmaningen en/of dwangbevelen werden gestuurd, terwijl die brieven voor hem normaliter als geheugensteuntje fungeerden. 4.4. Hoewel de rechtspraak van de verschillende hoogste bestuursrechters met betrekking tot de uitleg van art. 6:11 Awb minder streng is ten aanzien van het begrip ‘verschoonbaarheid’ dan in het verleden het geval was (vgl. onder meer HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31), kan in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof niet worden geconcludeerd dat belanghebbende met het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim was. 4.5. Belanghebbende heeft het kantoor van de gemachtigde ingeschakeld om voor hem een bezwaarschrift in te dienen. Verzuimen van dat kantoor worden aan hem toegerekend. Uit de e-mail van 22 juli 2021 van een medewerker van het kantoor van de gemachtigde ( [naam2] ) volgt dat het kantoor van de gemachtigde op de hoogte was van de onderhavige bezwaartermijn en dat door die medewerker uitdrukkelijk is medegedeeld dat binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag zou worden ingediend. Verder staat vast dat het kantoor van de gemachtigde in de periode juli en augustus 2021 – ondanks de in overweging 4.3 benoemde omstandigheden – voor verschillende cliënten bezwaarschriften bij de belastingdienst heeft ingediend. Onder deze omstandigheden kon van het kantoor van de gemachtigde in redelijkheid worden gevergd om in de onderhavige zaak tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1660 text/xml public 2026-03-27T13:42:44 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 24/1955 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1660 text/html public 2026-03-27T13:41:57 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1660 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 24/1955 BPM. Ontvankelijkheid bezwaar. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1955 uitspraakdatum: 17 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 september 2024, nummer ARN 23/1707 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.787. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Beide partijen hebben niet verzocht om een onderzoek ter zitting in hoger beroep. Het Hof heeft beslist dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven en heeft het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Opel (Insignia Sports Tourer 2.8 T OPC 4x4; hierna: de auto) een bedrag van € 1.312 aan BPM op aangifte voldaan. 2.2. Na onderzoek door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) en op basis van het door DRZ opgemaakte rapport, heeft de Inspecteur belanghebbende ter zake van de auto bij brief van 2 juni 2021 een ‘kennisgeving naheffingsaanslag’ gestuurd. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 30 juni 2021 bericht dat hem een naheffingsaanslag ten bedrage van € 6.787 zal worden opgelegd. Belanghebbende heeft deze brief per e-mail van 8 juli 2021 aan zijn gemachtigde doorgestuurd. Met dagtekening 23 juli 2021 is de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. 2.4. Op 1 juli 2021 is de gemachtigde vader geworden. Zijn secretaresse had in die periode (langdurig zwangerschaps-)verlof. 2.5. Met betrekking tot de onderhavige naheffing heeft tussen (het kantoor van) de gemachtigde en belanghebbende de volgende e-mail-correspondentie plaatsgevonden: ‘Op 8 jul. 2021 om 15:35 heeft [belanghebbende] < [e-mailadres1] > het volgende geschreven: Dag [naam1] , Bij deze de getekende volmacht en de schriftelijke naheffingsaanslag BPM van de Opel Insignia OPC [kenteken] in de bijlage. Bonnen en nota's volgen nog. (…) Aan: [belanghebbende] < [e-mailadres1] > Beste [belanghebbende] , Dank voor het doorsturen. We zullen tijdig bezwaar indienen en tevens verzoeken om uitstel van betaling. We houden je op de hoogte van het verdere procesverloop. Groet, mr. S.M. Bothof (…)’. en ‘Op do 22 jul. 2021 om 09:33 schreef [belanghebbende] < [e-mailadres1] >: Gaat dit wel goed? Moet voor 6 augustus betaald zijn! Graag spoedig reactie? (…)’ en: ‘Van: 123 BPM [mailto: [e-mailadres2] ] Verzonden: donderdag 22 juli 2021 9:41 Aan: [belanghebbende] Onderwerp: Re: Vooraankondiging naheffing Geachte heer [belanghebbende] , Dank voor uw bericht. De brief van de Belastingdienst is geautomatiseerd verzonden. De dagtekening van de naheffingsaanslag is 23 juli 2021, dat is morgen. Vanaf morgen hebben wij een wettelijke termijn van zes weken om bezwaar te maken en uitstel van betaling aan te verzoeken. We zullen uiteraard binnen de gegeven termijn bezwaar indienen en uitstel van betaling verzoeken. Met vriendelijke groet. [naam2] (…)’. 2.6. In de maanden juli en augustus 2021 heeft het kantoor van de gemachtigde meerdere bezwaarschriften voor verschillende cliënten bij de Belastingdienst ingediend. 2.7. Bij e-mail van 13 juni 2022 heeft belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag een betalingsherinnering van de ontvanger aan de gemachtigde doorgestuurd. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 14 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur op 15 juni 2022 ontvangen. 2.8. Bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 25 september 2024 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende ten laste van de Staat vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten toegekend. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Het onderhavige bezwaarschrift is zeer ruim na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend. 4.2. Belanghebbende (de gemachtigde) stelt zich evenwel op het standpunt dat niettemin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij met betrekking tot het indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest zodat volgens hem op grond van art. 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding hier achterwege moet blijven. 4.3. Belanghebbende (de gemachtigde) heeft daartoe – in de kern – aangevoerd dat hij (de gemachtigde): - niet kon beschikken over ondersteuning door zijn secretaresse die normaliter de (indiening van de) bezwaarschriften in goede banen leidde; - door slaaptekort en ernstige vermoeidheid in de eerste weken na de geboorte van zijn kind acuut vergeetachtig is geraakt; - en voorts dat hij in die periode zijn gebruikelijke ‘checks-and-balance’ was kwijtgeraakt omdat de belastingdienst in de coronaperiode de invorderingsmaatregelen had opgeschort waardoor in die periode – anders dan te doen gebruikelijk – geen herinneringen, aanmaningen en/of dwangbevelen werden gestuurd, terwijl die brieven voor hem normaliter als geheugensteuntje fungeerden. 4.4. Hoewel de rechtspraak van de verschillende hoogste bestuursrechters met betrekking tot de uitleg van art. 6:11 Awb minder streng is ten aanzien van het begrip ‘verschoonbaarheid’ dan in het verleden het geval was (vgl. onder meer HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31), kan in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof niet worden geconcludeerd dat belanghebbende met het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim was. 4.5. Belanghebbende heeft het kantoor van de gemachtigde ingeschakeld om voor hem een bezwaarschrift in te dienen. Verzuimen van dat kantoor worden aan hem toegerekend. Uit de e-mail van 22 juli 2021 van een medewerker van het kantoor van de gemachtigde ( [naam2] ) volgt dat het kantoor van de gemachtigde op de hoogte was van de onderhavige bezwaartermijn en dat door die medewerker uitdrukkelijk is medegedeeld dat binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag zou worden ingediend. Verder staat vast dat het kantoor van de gemachtigde in de periode juli en augustus 2021 – ondanks de in overweging 4.3 benoemde omstandigheden – voor verschillende cliënten bezwaarschriften bij de belastingdienst heeft ingediend. Onder deze omstandigheden kon van het kantoor van de gemachtigde in redelijkheid worden gevergd om in de onderhavige zaak tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag.