Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-17
ECLI:NL:GHARL:2026:1649
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,749 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1649 text/xml public 2026-03-27T13:32:41 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 24/491 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1649 text/html public 2026-03-19T15:17:58 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1649 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 24/491 BPM. Compromis ter zitting GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/491 uitspraakdatum: 17 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 januari 2024, nummer ARN 22/2790 in het geding tussen [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.210. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 2 Feiten 2.1. Aan belanghebbende is ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit het buitenland afkomstige gebruikte personenauto van het merk BMW (4 serie Cabrio M4) een naheffingsaanslag ten bedrage van € 4.210 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend. 2.2. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 19 januari 2024 gegrond verklaard en zij heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 627. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, proceskosten en het griffierecht toegekend. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Partijen zijn ter zitting van het Hof in het kader van een compromis overeengekomen dat de naheffingsaanslag nader moet worden vastgesteld op € 2.105. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep moet worden vastgesteld op € 934. 4.2. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Slotsom 4.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van de Inspecteur ten dele gegrond is. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof acht termen aanwezig voor een vergoeding van in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de naheffingsaanslag, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.105, en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 934. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1649 text/xml public 2026-03-27T13:32:41 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 24/491 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1649 text/html public 2026-03-19T15:17:58 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1649 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 24/491 BPM. Compromis ter zitting GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/491 uitspraakdatum: 17 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 januari 2024, nummer ARN 22/2790 in het geding tussen [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.210. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 2 Feiten 2.1. Aan belanghebbende is ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit het buitenland afkomstige gebruikte personenauto van het merk BMW (4 serie Cabrio M4) een naheffingsaanslag ten bedrage van € 4.210 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend. 2.2. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 19 januari 2024 gegrond verklaard en zij heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 627. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, proceskosten en het griffierecht toegekend. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Partijen zijn ter zitting van het Hof in het kader van een compromis overeengekomen dat de naheffingsaanslag nader moet worden vastgesteld op € 2.105. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep moet worden vastgesteld op € 934. 4.2. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Slotsom 4.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van de Inspecteur ten dele gegrond is. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof acht termen aanwezig voor een vergoeding van in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de naheffingsaanslag, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.105, en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 934. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.