Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-12
ECLI:NL:GHARL:2026:1513
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1513 text/xml public 2026-04-16T14:05:21 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-12 200.358.958 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1513 text/html public 2026-04-16T14:05:06 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1513 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-03-2026 / 200.358.958 Zorgregeling. Vaststellingsovereenkomst en ouderschapsplan. Wijziging van omstandigheden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.958/01 zaaknummer rechtbank Gelderland 434217 beschikking van 12 maart 2026 over de hoofdverblijfplaats, de toestemming voor inschrijving op de basisschool en de zorgregeling van [de minderjarige] inzake [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. M.S. Clarenbleek en [verweerder] (de vader) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. J. van Dam-Lolkema 1 Samenvatting De rechtbank heeft het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en de afspraken in het ouderschapsplan over de inschrijving op de school en de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit voor de hoofdverblijfplaats en de inschrijving op de school zo moet blijven en wijzigt de zorgregeling op enkele onderdelen. Het hof legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn de ouders [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2021. De vader heeft [de minderjarige] erkend. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . & 2.2. Na beëindiging van de relatie zijn de ouders in een vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan (ondertekend op 27 juli 2022) onder andere overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Verder zijn zij het eens geworden over een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot [de minderjarige] (de zorgregeling). 2.3. In een beschikking van 25 november 2025 heeft het hof de verzoeken van de vrouw tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen. 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. De moeder heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar is, haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] en de zorgregeling te wijzigen. De vader heeft verzocht hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam2] in [woonplaats2] en de zorgregeling te wijzigen. 3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en het verzoek van de vader over de vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige] op [naam2] toegewezen. Verder heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd. Die beslissingen zijn vastgelegd in de beschikking van 27 juni 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt. 4.2. De vader is het eens met de beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de vervangende toestemming, maar hij wil dat de zorgregeling wordt gewijzigd (ten aanzien van de weekendregeling, de videobelmomenten en de vakantieregeling). De informatie die het hof heeft ontvangen 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift tevens hoger beroep van de vader het verweerschrift in het hoger beroep van de vader de overige stukken 4.4. De zitting bij het hof was op 29 januari 2026. Aanwezig waren: de moeder met haar advocaat de vader met zijn advocaat een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. In dat geval kan de rechter op grond van artikel 1:253a BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere betreffen de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Hoe oordeelt het hof? 5.2. Na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het ouderschapsplan, waarin een zorgregeling was opgenomen op basis van co-ouderschap, is de moeder in juli 2022 verhuisd naar haar ouders in [woonplaats1] . Sinds november 2022 heeft de moeder een (huur)woning in [woonplaats1] . De vader is in juli 2024 van [plaats] naar [woonplaats2] verhuisd. Daarmee is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling rechtvaardigt. 5.3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] (bij de vader) te wijzigen. Het hof stelt voorop dat beide ouders in staat zijn [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en op een goede manier invulling te geven aan hun ouderschap. [de minderjarige] groeit bij zowel de moeder als de vader op in een stabiele omgeving. Nu [de minderjarige] sinds medio 2022 bij de vader zijn hoofdverblijf heeft, hij daaraan gewend is en het ook goed gaat met hem is er geen reden daarin wijziging te brengen. Die beslissing komt het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voor. Het verzoek van de moeder ten aanzien van het wijzigen van de hoofdverblijfplaats wordt dan ook afgewezen. 5.4. Hieruit volgt dat ook het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] wordt afgewezen. 5.5. Partijen zijn het over een aantal onderdelen van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet eens en hebben beiden (aanvullende) verzoeken gedaan tot wijziging daarvan. Zoals ook de raad ter zitting heeft aangegeven, heeft een beslissing van het hof daarover een tijdelijk karakter. Volgens de raad zullen de ouders aan verbetering van hun communicatie moeten werken om knelpunten – die zich in de toekomst steeds zullen voordoen – in onderling overleg te kunnen oplossen. Het hof sluit zich hierbij aan. Over de nu voorliggende punten zal het hof beslissen en een zorgregeling vaststellen als hierna vermeld, die het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. 5.6. Het hof ziet in het door partijen aangevoerde geen redenen om anders te beslissen over de week- en weekendregeling dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal deze regeling in stand laten, met dien verstande dat de vader [de minderjarige] op vrijdag naar de moeder in [woonplaats1] brengt en de moeder [de minderjarige] op maandag weer naar school in [woonplaats2] brengt. Daarmee worden ook de kosten van het halen en brengen meer evenredig door partijen gedeeld. Dat daarnaast de kosten van het halen en brengen zodanig hoog zijn dat de regeling financieel onuitvoerbaar wordt en daarom (verder) zou moeten worden aangepast, heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt en kan niet leiden tot een andere beslissing. Verder zal het hof beslissen dat [de minderjarige] tijdens de studiedagen van school om en om bij de vader dan wel de moeder verblijft. Ook het verblijf van [de minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen moet door partijen bij helfte worden gedeeld, in onderling overleg te bepalen, overeenkomstig het advies van de raad. Wat betreft het verzoek van de moeder om videobelmomenten vast te stellen, volgt het hof de vader in zijn stelling dat dit niet in het belang is van [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] behoefte heeft aan rust en onbelaste tijd met de ouder bij wie hij verblijft en kinderen van zijn leeftijd geen ‘bellers’ zijn. Dit verzoek zal worden afgewezen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1513 text/xml public 2026-04-16T14:05:21 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-12 200.358.958 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1513 text/html public 2026-04-16T14:05:06 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1513 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-03-2026 / 200.358.958 Zorgregeling. Vaststellingsovereenkomst en ouderschapsplan. Wijziging van omstandigheden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.958/01 zaaknummer rechtbank Gelderland 434217 beschikking van 12 maart 2026 over de hoofdverblijfplaats, de toestemming voor inschrijving op de basisschool en de zorgregeling van [de minderjarige] inzake [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. M.S. Clarenbleek en [verweerder] (de vader) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. J. van Dam-Lolkema 1 Samenvatting De rechtbank heeft het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en de afspraken in het ouderschapsplan over de inschrijving op de school en de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit voor de hoofdverblijfplaats en de inschrijving op de school zo moet blijven en wijzigt de zorgregeling op enkele onderdelen. Het hof legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn de ouders [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2021. De vader heeft [de minderjarige] erkend. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . & 2.2. Na beëindiging van de relatie zijn de ouders in een vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan (ondertekend op 27 juli 2022) onder andere overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Verder zijn zij het eens geworden over een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot [de minderjarige] (de zorgregeling). 2.3. In een beschikking van 25 november 2025 heeft het hof de verzoeken van de vrouw tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen. 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. De moeder heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar is, haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] en de zorgregeling te wijzigen. De vader heeft verzocht hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam2] in [woonplaats2] en de zorgregeling te wijzigen. 3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en het verzoek van de vader over de vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige] op [naam2] toegewezen. Verder heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd. Die beslissingen zijn vastgelegd in de beschikking van 27 juni 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt. 4.2. De vader is het eens met de beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de vervangende toestemming, maar hij wil dat de zorgregeling wordt gewijzigd (ten aanzien van de weekendregeling, de videobelmomenten en de vakantieregeling). De informatie die het hof heeft ontvangen 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift tevens hoger beroep van de vader het verweerschrift in het hoger beroep van de vader de overige stukken 4.4. De zitting bij het hof was op 29 januari 2026. Aanwezig waren: de moeder met haar advocaat de vader met zijn advocaat een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. In dat geval kan de rechter op grond van artikel 1:253a BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere betreffen de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Hoe oordeelt het hof? 5.2. Na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het ouderschapsplan, waarin een zorgregeling was opgenomen op basis van co-ouderschap, is de moeder in juli 2022 verhuisd naar haar ouders in [woonplaats1] . Sinds november 2022 heeft de moeder een (huur)woning in [woonplaats1] . De vader is in juli 2024 van [plaats] naar [woonplaats2] verhuisd. Daarmee is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling rechtvaardigt. 5.3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] (bij de vader) te wijzigen. Het hof stelt voorop dat beide ouders in staat zijn [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en op een goede manier invulling te geven aan hun ouderschap. [de minderjarige] groeit bij zowel de moeder als de vader op in een stabiele omgeving. Nu [de minderjarige] sinds medio 2022 bij de vader zijn hoofdverblijf heeft, hij daaraan gewend is en het ook goed gaat met hem is er geen reden daarin wijziging te brengen. Die beslissing komt het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voor. Het verzoek van de moeder ten aanzien van het wijzigen van de hoofdverblijfplaats wordt dan ook afgewezen. 5.4. Hieruit volgt dat ook het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] wordt afgewezen. 5.5. Partijen zijn het over een aantal onderdelen van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet eens en hebben beiden (aanvullende) verzoeken gedaan tot wijziging daarvan. Zoals ook de raad ter zitting heeft aangegeven, heeft een beslissing van het hof daarover een tijdelijk karakter. Volgens de raad zullen de ouders aan verbetering van hun communicatie moeten werken om knelpunten – die zich in de toekomst steeds zullen voordoen – in onderling overleg te kunnen oplossen. Het hof sluit zich hierbij aan. Over de nu voorliggende punten zal het hof beslissen en een zorgregeling vaststellen als hierna vermeld, die het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. 5.6. Het hof ziet in het door partijen aangevoerde geen redenen om anders te beslissen over de week- en weekendregeling dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal deze regeling in stand laten, met dien verstande dat de vader [de minderjarige] op vrijdag naar de moeder in [woonplaats1] brengt en de moeder [de minderjarige] op maandag weer naar school in [woonplaats2] brengt. Daarmee worden ook de kosten van het halen en brengen meer evenredig door partijen gedeeld. Dat daarnaast de kosten van het halen en brengen zodanig hoog zijn dat de regeling financieel onuitvoerbaar wordt en daarom (verder) zou moeten worden aangepast, heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt en kan niet leiden tot een andere beslissing. Verder zal het hof beslissen dat [de minderjarige] tijdens de studiedagen van school om en om bij de vader dan wel de moeder verblijft. Ook het verblijf van [de minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen moet door partijen bij helfte worden gedeeld, in onderling overleg te bepalen, overeenkomstig het advies van de raad. Wat betreft het verzoek van de moeder om videobelmomenten vast te stellen, volgt het hof de vader in zijn stelling dat dit niet in het belang is van [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] behoefte heeft aan rust en onbelaste tijd met de ouder bij wie hij verblijft en kinderen van zijn leeftijd geen ‘bellers’ zijn. Dit verzoek zal worden afgewezen.