Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1475
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.359.387/01 (hoofdzaak) 200.354.435/01 (kortgeding) 200.355.926/01 (kortgeding) zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 569576 588175 591695 arrest van 10 maart 2026 in de zaak van [appellante] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. F.R. Brouwer en [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. W.J.P. Kweens 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Het geschil tussen partijen in dit hoger beroep bestrijkt drie procedures: een hoofdzaak tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad van 2 juli 2025 (nummer 569576/200.359.387/01) en twee kortgedingen van diezelfde rechtbank (vonnissen van 14 maart en 15 mei 2025, nummers 588175/200.354.435/01 en 591695/200.355.926/01). [appellante] heeft tegen al die vonnissen bezwaren geformuleerd (grieven). In de hoofdzaak heeft [geïntimeerde] daarop geantwoord, en in die procedure heeft hij zelf ook hoger beroep ingesteld (incidenteel appel). Daarop heeft [appellante] op haar beurt geantwoord. Vervolgens zijn alle zaken gezamenlijk op 5 februari 2026 op een mondelinge behandeling bij het hof besproken. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd in alle drie de zaken arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak Inleiding 2.1 Dit geschil gaat over een relatie die in 2023 na twintig jaar is afgebroken. Dat heeft in korte tijd geleid tot meer dan vijftien procedures. De ruzie waaiert alle kanten op en raakt ook de twee kinderen van partijen hard. Daarover gaat dit hoger beroep echter niet; ter discussie staat nu in essentie de financiële afwikkeling van de breuk. Die ziet onder andere op de afgifte van de zaken waarop [appellante] aanspraak maakt, de verdeling van de inboedel (ook die van het appartement van [appellante] in [land] ) en een Mini Cooper, de verrekening van schulden en de beslagen die [appellante] heeft gelegd. [geïntimeerde] heeft tegenvorderingen ingesteld (de zogenaamde reconventie bij de rechtbank). Hij wil onder andere dat een door hem verstrekte lening (met rente) voor het appartement in [land] wordt terugbetaald en dat [appellante] de verplichting wordt opgelegd de kunsthandelaren die zij heeft benaderd om een mogelijke verkoop van de sieraden door hem te voorkomen, schriftelijk te laten weten dat zij weer zaken voor hem mogen verkopen. Het gaat daarbij vooral om sieraden. In het centrum van het geschil staat namelijk een verzameling kostbare juwelen waarvan beide partijen de eigendom claimen. De waarde van die juwelen schatten zij op een miljoen euro. 2.2 Voor een deel hebben partijen onder leiding van de rechtbank afspraken kunnen maken over wat hen verdeeld houdt. Het hof zal hierna thematisch de punten bespreken waar dat niet voor geldt, en waarover nog een oordeel wordt gevraagd. Daaraan gaat een korte opsomming vooraf van de vaststaande feiten, gevolgd door een integrale weergave van de vorderingen en de beslissingen van de rechtbank. De vaststaande feiten 2.3 [appellante] ( [geboortedatum] ) en [geïntimeerde] ( [geboortedatum] ) hebben gedurende ongeveer twintig jaar een affectieve relatie gehad en hebben twee kinderen gekregen: ( [de minderjarige1] , nu 11 jaar en [de minderjarige2] , nu 7 jaar). Tijdens de samenleving zijn zij een samenlevingsovereenkomst aangegaan. In die overeenkomst is onder meer het volgende geregeld. Artikel 3. 1. Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen, met uitzondering van de hierna vermelde gemeenschap van de goederen behorende tot de inboedel en behoudens de mogelijkheid dat goederen in gemeenschap worden verkregen krachtens een gezamenlijke aankoop, door schenking of krachtens erfrecht of door een andere gezamenlijke verkrijging. 2. Alle schulden worden gedragen door degene die de schulden heeft doen ontstaan, met uitzondering van de schulden welke betrekking hebben op de kosten van de gemeenschappelijke huishouding Subsidiair, gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiseres te betalen de somma van € 25.000 als vervangende schadevergoeding wegens gemis gemeenschappelijke inboedel, dan wel een bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen. V Gedaagde te veroordelen tot het verstrekken van verificatoire informatie, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, met gezamenlijk verdiend geld vanuit de praktijk kaakchirurgie geïnvesteerde en/of belegde gelden bij [naam1] en [naam2] aan de hand van jaaropgaven 2022 en 2023 voor wat betreft de looptijd, rekeningnummers, rendementen, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen. VI Gedaagde te veroordelen tot het verstrekken van verificatoire informatie, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, van de levensverzekering die ten behoeve van partijen zijn afgesloten bij Reaal Verzekeringen, aan de hand van jaaropgaven 2022 en 2023 voor wat betreft de looptijd, polisnummers, rendementen, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen. VII Gedaagde te veroordelen tot afgifte aan eiseres van een kopie van de digitale foto's van (het gezin van) partijen van de periode 2003 - 2023, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen. VIII Te bepalen de Mini Cooper aan eiseres wordt toebedeeld, zonder verrekening, en gedaagde te veroordelen de reservesleutel van de Mini aan eiseres te overhandigen, binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 250 per dag of gedeelte daarvan dat hij weigert aan de veroordeling te voldoen. IX Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de somma ad EUR 5.000 en EUR 3.300 aan eiseres te betalen op grond van ongerechtvaardigde verrijking. X Gedaagde te veroordelen, binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, primair de inboedel van de vakantiewoning in [land] te laten ophalen, subsidiair eiseres te machtigen de inboedel van het vakantiehuis in [land] te laten ophalen en vernietigen. XI Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de eiseres te betalen de somma van EUR 2.459,63 vanwege beslagkosten, vermeerderd met EUR 86 aan griffierecht voor het verzoek conservatoir beslag. XII Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de eiseres te betalen de somma van EUR 5.172, 75 inclusief met BTW, aan buitengerechtelijke kosten, althans een bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen. XIII Gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen de wettelijke rente over haar vorderingen, te rekenen vanaf dagtekening van deze dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. XIV Gedaagde veroordelen in de kosten van dit geding. 2.7 Hierna heeft zij daar de volgende vordering aan toegevoegd. De vrouw vordert dat de Rechtbank een deskundige aanstelt, die op basis van onder andere de zoektermen van productie 18 dient na te aan - in de e-mails en andere databestanden van de man, door de deurwaarder bij het bewijsbeslag op 24 april 20234 veiliggesteld - aan wie de man de sieraden heeft aangeboden, wanneer en door wie de sieraden zijn gekocht, voor wie de sieraden zijn gekocht en welke waarde de sieraden vertegenwoordigen. 2.8 [geïntimeerde] heeft van zijn kant in de hoofdzaak ( 569576 ) het volgende gevorderd (letterlijk weergegeven). 1. de vorderingen van de vrouw af te wijzen; Ter zake het gelegde beslag 2. alle door de vrouw gelegde conservatoire beslagen die op grond van het beslagverlof van 15 december 2023 zijn gelegd, op te heffen; 3. de vrouw te in het geval de vrouw geen toedeling vordert van het vorderingsrecht op de kredietverlener: de vrouw te veroordelen tot afgifte van de Mini, de sleutels van de Mini, het kentekenbewijs en het overschrijvingsbewijs van de Mini binnen 2 dagen na het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 25.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 14. de vrouw te veroordelen binnen twee weken na het te wijzen vonnis aan de man ter zake door hem betaalde kosten voor de Mini de navolgende bedragen - althans de door uw rechtbank vast te stellen bedragen - te voldoen: Primair subsidiair a. voor betaalde leasetermijnen € 28.606,92 € 11.779,32 b. voor betaalde verzekeringspremie € 4.188,37 € 2.094,19 c. voor betaalde wegenbelasting € 2.777,00 € 1.388,50 € 35.572,29 € 15.262,01 15. de vrouw te veroordelen aan de man als schadevergoeding de werkelijke kosten te vergoeden voor de nog te plaatsen drie nieuwe gecertificeerde veiligheidscilinders; 16. de vrouw te veroordelen om aan de man het door haar geleende bedrag inclusief rente van € 121.129,58 te voldoen, te vermeerderen met 6% rente over het op dat moment verschuldigde bedrag per 31 december, voor het eerst (weer) per 31 december 2024 tot de dag der algehele voldoening; 17. de vrouw te gebieden de openstaande rekening van het door haar gerealiseerde eigen risico 2023 bij CZ binnen twee weken na het te wijzen vonnis te voldoen, te vermeerderen met de incassokosten en verschuldigde rente, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 18. voor het geval het niet (tijdig) voldoen van het eigen risico 2023 van de vrouw met bijkomende kosten leidt tot een BKR-registratie voor de man, de vrouw te gebieden zorg te dragen voor doorhaling van deze BKR-registratie binnen twee maanden na het te wijzen van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 19. de vrouw te gebieden de openstaande factuur voor haar voormalig telefoonabonnement bij [naam4] met bijkomende kosten binnen twee weken na het te wijzen vonnis, te voldoen, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 20. de vrouw te gebieden zorg te dragen voor doorhaling van deze de vermelding van de man bij [naam15] , onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 21. de vrouw te gebieden binnen twee dagen na het te wijzen vonnis de handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen kopen of verkopen, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht; 22. de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de schade aan de man als gevolg van haar onrechtmatig handelen jegens de man, op te maken bij staat en binnen een periode van twee weken na het te wijzen vonnis over de omvang van de schade, althans binnen veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling in randnummer 4.6. voldoet, vanaf veertien dagen na het moment waarop de man weer kan beschikken over de reservesleutel zoals overwogen in randnummer 3.2., tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, 4.10. veroordeelt de man in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op€ 3.159,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6;119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling, in reconventie 4.11. heft het namens de vrouw gelegde beslag van 20 december 2023 op, 4.12. verbiedt de vrouw om met het beslagverlof van 15 december 2023 opnieuw conservatoir beslag te leggen, 4.13. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 6.689,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling, 4.14. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 121.129,58, jaarlijks te vermeerderen met 6% rente over het toegewezen bedrag, voor het eerst per 31 december 2024, tot de dag van volledige betaling, 4.15. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling, 4.16. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 202,14 met alle bijkomende kosten (zoals incassokosten en in rekening gebrachte rente), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling, 4.17. veroordeelt de vrouw om de vermelding van de man bij [naam15] te laten doorhalen, 4.18. veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis de handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen verkopen of verkopen, 4.19. veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen in randnummer 4.12. of 4.18. voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, 4.20. veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling. in randnummer 4.17. voldoet, tot een maximum van€ 5.000,00 is bereikt, 4.21. veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag aan schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling, in conventie en reconventie 4.22. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.23. verklaart de beslissingen genoemd onder nummer 4.1. tot en met 4.22. uitvoerbaar bij voorraad, 4.24. wijst het meer of anders gevorderde af. 2.9 [appellante] vordert in dit hoger beroep in de hoofdzaak ( 200.359.387/01 ) het volgende (letterlijk weergegeven). 1. Het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, d.d. 2 juli 2025 (C/16/569576 / KL ZA 24-32), te vernietigen. 2. In reconventie: alle vorderingen van geïntimeerde alsnog afte wijzen. 3. Voor recht te verklaren dat de door geïntimeerde overgelegde "Leningsovereenkomst [land] " d.d. 20 april 2014 nietig is, althans buiten beschouwing blijft wegens vervalsing en het ontbreken van enige daadwerkelijke geldverstrekking, en de daarop gebaseerde gestelde terugbetalingsvordering ad € 121.129,58 af te wijzen. 4. Geïntimeerde te bevelen binnen 14 dagen na arrest volledige verificatie inzage en afschrift te verstrekken van alle [naam1] - en Geïntimeerde te bevelen binnen 14 dagen volledig opgave te doen van de verblijfplaats van de gemeenschappelijke inboedel, op straffe van € 500 per dag met een maximum van € 15.000. 19. Te bepalen dat de schilderijen onderdeel uitmaken van de gemeenschappelijke inboedel, de waarde daarvan vast te stellen en deze waarde gelijkelijk tussen partijen te verdelen. 20. De veroordeling tot betaling van het CZ-eigen risico ad € 385 en rente te vernietigen, nu appellante feitelijk niet in staat was die nota te ontvangen of te betalen. 21. Te bepalen dat de [naam4] -factuur ad € 172,84 en bijkomende kosten voor rekening van geïntimeerde blijven, althans dit bedrag te matigen conform art. 6:109 BW, met volledige toerekening van rente en incassokosten aan geïntimeerde. 22. Te bepalen dat geen verplichting tot doorhaling van een eventuele Preventel-registratie op appellante rust, althans een opgelegde dwangsom te matigen tot nihil. 23. Eventuele in eerste aanleg opgelegde dwangsommen te vernietigen dan wel aanzienlijk te matigen (art. 611d Rv). 24. Geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 25. Dat de oorspronkelijke vorderingen uit de dagvaarding (in eerste aanleg) alsnog moet worden toegewezen. 2.10 [geïntimeerde] vordert van zijn kant in de hoofdzaak (200.359.387/01) het volgende (letterlijk weergegeven). als vermeld in hoger beroep: 1 dat de vrouw in al haar vorderingen niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat haar vorderingen - waaronder uitdrukkelijk begrepen de vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring - dienen te worden afgewezen; in incidenteel hoger beroep met vermeerdering van eis verzoekt de man het gerechtshof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar voorraad het vonnis van rechtbank Lelystad van 2 juli 2025 (C/16/569576 / HL ZA 24-32) deels te vernietigen voor zover het het bepaalde betreft bij 'randnr. '4.3, 4.4, 4.6, 4.8., 4.9 en 4.10 en: 2. te bepalen dat de man eigenaar is van de Tiffany-set bestaande uit oorbellen, kort kettinkje met hanger en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, genoemd in randnummer 35 van dat verzoekschrift; subsidiair te bepalen dat de man eigenaar is van de Tiffany-set bestaande uit oorbellen en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, vermeld in productie Dl MvG bij nr. 27 en 28; 3. uitsluitend in het geval uw gerechtshof oordeelt dat de vrouw eigenaar is van het kort kettinkje met hanger, de man toe te laten tot tegen bewijs en wanner hij hierin niet slaagt, de vrouw te veroordelen aan de man een vergoeding te betalen voor de aankoopsom van € 3.600,00; 4. onder vernietiging van de beslissing bij 4.3, 4.4 en 4.8 van het vonnis van 2 juli 2025: de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van: (i) de nets bontjas genoemd in randnummer 31 van het verzoekschrift van 15 december 2023, (ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van dat verzoekschrift, (iii) de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van productie 26 bij dat verzoekschrift (waar bladzijdenummer '41 'zichtbaar is) en genoemd in randnummer 37 van dat verzoekschrift, en de navolgende zaken die oorspronkelijk uit de navolgende vertrekken kwamen, maar met uitzondering van de vier Alessi-trommels: Keuken (de gemeenschappelijke) kookboeken 1 wijnkoeler zilver 2 twee grote zilveren kandelaars Glazen eetkamer Alessi schalen en accessoires in kasten en op het dressoir (RVS, oranje serie, goeden serie) Alessi miniaturen 3x in doos Wedgwood servies en schalen wedgwood bestek Alessi onderdelen Zitkamer 1 servies thee koffie met dienblad Alessi chroom met hout Slaapkamer 1 doos miniaturen parfum collectie dozen muziek collectie dozen studieboeken en persoonlijke spullen (met uitzondering van de persoonlijke boeken van de man) 3 miniaturen Alessi ingepakt in doos collectie Garage 1 fi 2.11 De vorderingen en beslissingen in de beide kortgedingen ( 588175/200.354.435 en 591695/200.355.926 ) komen hierna nog ter sprake. Kort gezegd vorderde [geïntimeerde] in het kort geding 588175/200.354.435 opheffing van de gelegde beslagen. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen grotendeels toegewezen voor wat betreft de op 24 april en 19 oktober gelegde beslagen. In het kort geding 591695/200.355.926 vorderde [geïntimeerde] teruggave door [appellante] van de goederen waarvan het beslag was opgeheven op verbeurte van een dwangsom. Die vorderingen zijn door de voorzieningenrechter ook toegewezen. In hoger beroep komt [appellante] op tegen de beide beslissingen van de voorzieningenrechter. 2.12 Waar niet aan een zaaknummer wordt gerefereerd, wordt de hoofdzaak besproken ( 569576/200.359.387/01) . 3 De toelichting op de beslissingen van het hof Inleiding 3.1 Het hof zal zich bij de verdere beoordeling en de te nemen beslissingen beperken tot een thematische behandeling van de grieven, voor zover die voldoende kenbaar zijn uit de processtukken (voor zowel het hof als de wederpartij) en kunnen leiden tot vernietiging van enige door de rechtbank of de voorzieningenrechter genomen beslissing. De wijzigingen in de in hoger beroep geformuleerde vorderingen zijn op zichzelf niet bestreden. Ze zijn ook toelaatbaar. Het hof zal hierna van die vorderingen uitgaan, met uitzondering van de vorderingen van [appellante] onder 14 (een loonvordering van bijna zeven ton) en 25 (integrale toewijzing van - ook nog - de oorspronkelijke vorderingen bij de rechtbank). Die vorderingen heeft haar advocaat ter zitting ingetrokken. De sieraden 3.2 Ten aanzien van de sieraden moeten meerdere beslissingen worden genomen. Die komen hierna afzonderlijk aan de orde. - het conservatoir (revindicatoir) beslag van 16 oktober 2024 (de kortgedingen 588175/200.354.435 en 591695/200.355.926 ) 3.3 [appellante] heeft op 21 juni 2024 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag op roerende zaken ingediend. Voor zover het gaat om de in het beslag genoemde sieraden, heeft dat beslag een revindicatoir karakter, omdat zij er de eigendom van pretendeert. Op 24 juni 2024 is met een hier niet relevante beperking verlof verleend tot het leggen van dit beslag. [appellante] kon dat verlof in eerste instantie bij gebrek aan politieassistentie niet uitvoeren. Op 19 augustus 2024 heeft zij daarom een aangepast verzoekschrift ingediend. Dat heeft geleid tot een op 22 augustus 2024 verleend verlof. Op 16 oktober 2024 kon het beslag alsnog worden gelegd, waarna [appellante] op 30 oktober 2024 in de bodemprocedure een akte vermeerdering van eis heeft ingediend. Ook als dat tijdig moet worden geoordeeld, zou deze vermeerdering naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet aansluiten bij de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd. Die aansluiting is wel nodig, omdat de ingestelde vordering strekt tot voldoening van die vordering door de beslagschuldenaar, opdat daarvoor een zogenoemde executoriale titel wordt verkregen. Het beslag zag namelijk op de huisraad zoals vermeld in de lijst bij de verzoekschriften van 24 juni 2024 en 19 augustus 2024 . De vermeerdering van eis zag evenwel enkel op de deurwaarderskosten en de kosten van de gerechtelijke bewaarder. Omdat geen eis in hoofdzaak is ingesteld, is het gelegde beslag op 16 oktober 2024 in de redenering van de voorzieningenrechter van rechtswege komen te vervallen. Om die reden kwam hij niet toe aan een belangenafweging. 3.4 [appellante] komt daar met succes tegenop in de zaak 588175/200.354.435 . Dat wordt hierna toegelicht. 3.5 Het hof stelt vast dat op 20 december 2023 beslag is gelegd op een aantal roerende zaken, en dat vervolgens tijdig, op 10 januari 2024, een dagvaarding is betekend waarin toebedeling aan [appellante] wordt gevorderd van de inbeslaggenomen zaken waar beslagverlof voor was verleend. Tevens was in die hoofdzaak afgifte gevorderd van sieraden die ook onder dat beslagv Hij zou dat hebben gedaan (en niet aan [appellante] hebben gegeven) omdat het paste bij de eerder gekochte set. 3.16 Omdat de bon van deze ketting op naam van [appellante] staat en past bij de geboortedatum van [de minderjarige2] , gaat het hof uit van haar standpunt dat zij die geschonken heeft gekregen bij diens geboorte. Dat [geïntimeerde] de ketting heeft betaald, kan daaraan niet afdoen. Het standpunt dat [appellante] hiermee ongerechtvaardigd is verrijkt, kan om die reden niet worden gevolgd. 3.17 Niet is echter uitgesloten dat [geïntimeerde] ten tijde van die aankoop al in het bezit was van de oorbellen en de lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw. Ten aanzien daarvan heeft [appellante] niet voldoende onderbouwd dat zij er door schenking de eigendom van heeft verkregen. 3.18 [geïntimeerde] is onder verbeurte van dwangsommen veroordeeld tot afgifte van de hiervoor besproken zaken. Hij zegt echter pas aan die veroordeling te kunnen voldoen (de set van Tiffany uitgezonderd; die wil hij niet afgeven omdat hij er de eigendom van claimt) op het moment dat hij de spullen terugkrijgt die in bewaring zijn genomen. Hij verzoekt het hof om de veroordeling tot teruggave van deze zaken aan te vullen met de voorwaarde 'voor zover een en ander in gerechtelijke bewaring is genomen én bij de teruggave van de zaken die in gerechtelijke bewaring zijn genomen, tevoorschijn komen'. 3.19 Het hof zal de veroordeling tot teruggave afwijzen omdat de sieraden en de andere goederen waarop [appellante] aanspraak kan maken, zich na de inbewaringneming op last van [appellante] niet meer in zijn macht bevinden. 3.20 Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen sieraden pretenderen beide partijen de eigendom. Uitgangspunt bij de beoordeling van dat onderdeel van de discussie is de onbestreden constatering van de rechtbank dat deze sieraden door [geïntimeerde] zijn gekocht, dat ze niet gemeenschappelijk eigendom zijn, en dat [appellante] moet bewijzen dat zij ze van [geïntimeerde] heeft gekregen. Hij bestrijdt dat laatste, omdat het zijn bedoeling zou zijn geweest er een bijzondere en waardevolle collectie mee op te bouwen (het gaat om antieke sieraden van Cartier, Van Cleef en Arpels en Tiffany), als appeltje voor de dorst of na zijn overlijden voor [appellante] . Hij onderbouwt dit verweer met het feit dat de sieraden zijn gekocht bij bekende kunsthandelaren, onder wie een bekende antiquair in Amsterdam en op de kunstbeurzen Tefaf en PAN Amsterdam. De antieke ringen uit circa 1925, 1930 en uit de 2e helft vorige eeuw zegt hij niet op de maat van [appellante] te hebben laten aanpassen. 3.21 De rechtbank volgde hem daarin. Zij constateerde weliswaar dat [appellante] enkele foto´s had overgelegd waarop zij sieraden draagt, maar heeft dat onvoldoende geoordeeld om de gestelde schenking aan te nemen. [appellante] heeft toen nog wel aangeboden nader bewijs te leveren over de gelegenheden waarop zij de sieraden heeft gekregen, maar daaraan kwam de rechtbank niet toe, omdat [appellante] niet voldoende had uitgelegd dat de sieraden van haar zijn. Daarnaast had zij inmiddels al meer dan een jaar geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om gedetailleerde verklaringen over de verkrijging van de sieraden in het geding te brengen. 3.22 [appellante] voert nu aan (i) dat het steeds om tweedehands vrouwensieraden gaat (ii) die zij ook gebruikte (vooral de verlovings- en trouwring), (iii) dat ze niet allemaal bij kunsthandelaren of antiquairs zijn gekocht, (iv) dat de ringen wel op haar maat zijn gemaakt en (v) dat de sieraden niet verzekerd waren. 3.23 Met uitzondering van punt (iv) wordt dit alles door [geïntimeerde] niet bestreden, en het is ook geenszins strijdig met zijn verweer dat het om verzamelobjecten ging. Mogelijk is een enkele ring aangepast aan de maat van [appellante] (ter zitting sprak zij niet over meerdere ringen), maar dat kan ook de gouden ring met amethist zijn waarvan zij inderdaad eigenaar is. Dat ook andere ringen op maat zijn gemaak - de verplichting van [appellante] om handelaren te informeren 3.33 Kort na het beëindigen van de affectieve relatie heeft [appellante] volgens [geïntimeerde] contact gehad met diverse kunsthandelaren om een mogelijke verkoop van de sieraden door hem te voorkomen. Daardoor zouden deze sieraden zijn 'besmet' en willen de handelaren ze niet aan- of verkopen. Ervan uitgaande dat deze sieraden voor het grootste deel eigendom van [geïntimeerde] zijn, heeft de rechtbank hierin aanleiding gezien om [appellante] op te dragen alle handelaren met wie zij hier passief of actief contact over heeft gehad te laten weten dat die sieraden niet langer besmet zijn en haar te veroordelen tot betaling van schade, op te maken in een afzonderlijke procedure (de schadestaat). 3.34 Los van het standpunt dat de sieraden haar toekomen, voert [appellante] hiertegen aan dat de veroordeling tot benadering van handelaren niet uitvoerbaar is, omdat (i) zij nooit enige verkoop heeft belemmerd, (ii) [geïntimeerde] ook nooit heeft geprobeerd sieraden te verkopen, zelfs niet in situaties van nood (hij was in 2022 al zijn BIG-registratie kwijt) en (ii) onduidelijk is op welke handelaren wordt gedoeld. [geïntimeerde] heeft namelijk geen namen, data of inhoud van contacten aangedragen. 3.35 Voor het geval dat het hof van oordeel zou zijn dat deze verplichting van [appellante] niet uitvoerbaar zou zijn, heeft [geïntimeerde] gevorderd haar te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van het arrest de hieronder te noemen handelaren schriftelijk te berichten dat het hun vrij staat om weer zaken voor hem te verkopen of kopen en/of van en/of aan [geïntimeerde] te kopen of verkopen en/of dat het hun vrij staat om met hem zaken te doen. Het gaat dan om [naam7] , [naam8] , Epoque Fine Jewels, Tiffany New York, Tiffany Amsterdam, Tiffany Paris, [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] . 3.36 Naar het oordeel van het hof volstaat zijn uitspraak in dit arrest hier: daarmee kan [geïntimeerde] zo nodig alle handelaren geruststellen over zijn bevoegdheid te handelen in de sieraden die in zijn bezit zijn. 3.37 Onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] zich zodanig heeft gedragen dat handel in sieraden door [geïntimeerde] feitelijk is belemmerd. Als dat al zo zou zijn, dan nog heeft hij niet de mogelijkheid aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in de korte tijd dat dit speelde (de periode tussen de verbreking van de relatie en de beslaglegging op 16 oktober 2024) schade heeft geleden. Zijn vorderingen wijst het hof daarom niet toe. - de schadevordering van [geïntimeerde] op grond van op 16 oktober 2024 onrechtmatig gelegd beslag op de sieraden 3.38 Wat hiervoor over het beslag op sieraden is overwogen (het is niet vervallen), betekent nog niet dat het rechtmatig is gelegd. Zoals gezegd, is dat niet het geval als de door [appellante] gevorderde afgifte van die sieraden moet worden afgewezen. In dat geval (omdat zij de eigendom ervan niet heeft bewezen) is de beslaglegging onrechtmatig en is in beginsel ruimte voor een vordering tot vergoeding van schade die [geïntimeerde] als gevolg van het beslag heeft geleden. De rechtbank, die heeft geconcludeerd dat de beslagen sieraden aan hem toebehoren, heeft de kans dat dergelijke schade is geleden aannemelijk geacht en heeft daarom een afzonderlijke procedure gelast (de zogenaamde schadestaat) om die schade te begroten. 3.39 Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerde] de mogelijkheid dat hij door het beslag schade heeft geleden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij door het beslag geen sieraden kon verkopen om schulden af te lossen. Daardoor moest zijn woning executoriaal worden verkocht. Die heeft daardoor minder opgebracht dan bij een onderhandse verkoop het geval zou zijn geweest. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk sieraden had willen verkopen om een executoriale verkoop van zijn woning te voorkomen. In da 3.50 Het hof wijst de vordering van [appellante] af, omdat het inderdaad onvoldoende reden heeft om aan te nemen dat ten tijde van de beslaglegging een gerechtvaardigde vrees voor verduistering bestond die de sekwestratie van een groot deel van de inboedel kon rechtvaardigen. Voor een goed begrip: de sieraden vallen hier buiten. - in [land] : verdeling van de inboedel van het appartement van [appellante] 3.51 De inboedel van het appartement in [land] is overeenkomstig de genoemde lijst toegedeeld aan [geïntimeerde] . De strekking van het verweer dat bepaalde zaken niet zonder meer kunnen ‘mee verdwijnen’ in een generieke toedeling, is het hof niet duidelijk geworden. 3.52 Voor de volledigheid herhaalt het hof op deze plaats dat een obligatoire verdeling heeft plaatsgevonden als partijen het - zoals hier - eens zijn geworden over de feitelijke verdeling en de financiële consequenties,. Het appartement van [appellante] in [land] : de lening van [geïntimeerde] voor de verbouwing 3.53 [geïntimeerde] vordert aflossing van een lening van oorspronkelijk € 50.000, die met rente inmiddels is opgelopen tot € 121.129,58, en nog te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering ziet op kosten die zijn gemaakt bij de verbouwing en inrichting van een appartement van [appellante] (indertijd nog eigendom van haar vader). Hij heeft dat onderbouwd met een kopie van de desbetreffende leningsovereenkomst van 20 april 2014. Daarop staan handtekeningen van beide partijen. In de overeenkomst is onder andere bepaald dat de lening opeisbaar is bij het verbreken van de relatie door [appellante] . Daarnaast onderbouwt [geïntimeerde] zijn vordering met foto's waarop de woning in aanbouw zichtbaar is, net als de geplaatste keuken en badkamer. Verder heeft hij, naast de leningsovereenkomst zelf, een gedetailleerde Excellijst ingediend van alle uitgaven die tussen februari 2007 en september 2012 door hem voor het afbouwen en inrichten zijn gedaan, en die een op een overeenkomen met de specificatie in de overeenkomst. 3.54 De rechtbank heeft deze vordering in weerwil van de betwisting door [appellante] toegewezen, omdat zij hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en heeft nagelaten duidelijk te maken hoe zij zelf aan het geld voor de verbouwing was gekomen. Haar verjaringsverweer is ook – op goede gronden - afgewezen. In hoger beroep wordt niets aangevoerd dat daaraan kan afdoen. 3.55 [appellante] vult haar verweer nu aan met een (handgeschreven) rapportage over het niet-authentieke karakter van haar handtekening op de overgelegde kopie (productie 6 bij haar grieven). Naar het oordeel van het hof heeft zij daarmee onvoldoende twijfel gezaaid over de echtheid van de overeenkomst. Daar doet onvoldoende aan af dat het origineel niet beschikbaar is (dat ligt volgens [geïntimeerde] in [land] ). Daar staat in het bijzonder tegenover dat de nauwkeurige specificatie van uitgaven in de overeenkomt precies overeenstemt met een pas na overlegging van de overeenkomst door [geïntimeerde] bemachtigd Excelbestand ter zake van die uitgaven. 3.56 Daar komt verder bij dat de door de rechtbank genoemde tegenstrijdigheden in de verklaringen van [appellante] niet uit de weg zijn geruimd. Zo heeft zij geen verklaring gegeven voor de onbestreden constatering dat zowel zijzelf als haar vader niet over de financiële middelen beschikte om een kostbare verbouwing te financieren. Dit, terwijl zij wel beweert dat zij beiden die verbouwing hebben betaald (Memorie van Grieven onder N). Die bewering is ook niet te verenigen met haar opmerking dat [geïntimeerde] indertijd zelf heeft besloten te investeren in de afbouw van het appartement, waar hij nadien ook talloze keren vakantie heeft gevierd (Akte uitlating van 31 juli 2024 bij rechtbank en Memorie van Grieven onder 12). 3.57 Doorslaggevend bij dit alles is de verklaring van de broer van [appellante] dat zij het geld om het appartement naar haar zin af te bouwen en vervolgens in te richten van [geïntimeerde] heeft geleend, 3.68 Naar het oordeel van het hof vallen deze uitgaven onder de kosten van de huishouding, en ontbreekt een deugdelijke grondslag voor het terugvorderen ervan. Ook het hof zal die vordering daarom niet toewijzen. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] 3.69 De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is door de rechtbank afgewezen. Daartoe had [appellante] aangevoerd dat twee leningen van derden door haar zijn afgelost (een lening van € 5.000 van een gezamenlijke kennis aan [geïntimeerde] en een creditcardschuld van € 3.028,78), maar aan [geïntimeerde] ten goede zijn gekomen. Dat [appellante] zich moreel verplicht voelde deze schulden af te lossen, maakt in haar ogen niet dat sprake was van een vrijwillige bevoordeling of schenking. 3.70 Het hof ziet net zomin als de rechtbank in waarom het onverplicht aflossen van de lening op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor rekening van [geïntimeerde] moet komen. 3.71 Voor zover het gaat om creditcarduitgaven, volgt het hof het verweer van [geïntimeerde] dat het uitgaven/schulden voor de gezamenlijke huishouding betreft (tanken, vakanties, boodschappen, kleding voor de kinderen of [appellante] ). De rechtbank is niet voorbijgegaan aan de concrete en gespecificeerde transacties. 3.72 Voor de persoonlijke lening van € 5.000 geldt dat het enkele feit dat [geïntimeerde] zich moreel verplicht heeft gevoeld die schuld af te lossen nog geen recht oplevert om dat bedrag van [geïntimeerde] terug te vorderen; voldoening aan een (gevoelde) verplichting van morele aard levert op zichzelf nog geen ongerechtvaardigde verrijking op. Kruimelvorderingen van [appellante] (CZ en [naam4] ) Voor zover [appellante] klaagt over toegewezen vorderingen ter zake van CZ, [naam4] (€ 385 en € 202,14), schaart het hof zich achter de beoordelingen en beslissingen van de rechtbank. De Preventelregistratie 3.73 [appellante] is op straffe van een dwangsom veroordeeld tot het verwijderen van een registratie van [geïntimeerde] bij de [naam15] . Volgens [geïntimeerde] zou die registratie zijn ontstaan omdat [appellante] facturen voor mobiele telefoons die zij in gebruik had ( [naam4] ) niet tijdig had voldaan. [appellante] voert aan dat die veroordeling niet uitvoerbaar is, omdat alleen de contracthouder of de provider dat kan. 3.74 Het hof ziet in het gevoerde debat onvoldoende grond om deze vordering (met dwangsom) toe te wijzen; geloofwaardig is dat [appellante] niet zelf in staat is om die registratie te verwijderen. Het bewijsbeslag van 24 april 2024 (de kortgedingen 588175/200.354.435 en 591695/200.355.926) 3.75 Op 22 maart 2024 heeft [appellante] een verzoekschrift tot het leggen van bewijsbeslag ingediend op digitale bestanden op de harde schijf van de computers en in de inbox van [geïntimeerde] met informatie over de aan- en verkoop en de certificaten van de sieraden. Op 26 maart 2024 is daartoe verlof verleend. De eis in de hoofdzaak moest binnen 14 dagen na de beslaglegging worden ingesteld. Het beslag is op 24 april 2024 gelegd, dus de eis in de hoofdzaak moest uiterlijk op 8 mei 2024 worden ingesteld. Op dat moment was al wel een eis ingesteld ten aanzien van de afgifte van ordner (s) met betrekking tot dergelijke certificaten (waartoe ook beslagverlof was verleend), maar voor afgifte van de bestanden heeft [appellante] pas op 7 juni 2024 een eis in hoofdzaak ingediend (een eisvermeerdering in de lopende procedure). 3.76 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de zaak met nummer 588175/200.354.435 was dat te laat, zodat het bewijsbeslag ten aanzien van de digitale bestanden van rechtswege is komen te vervallen. Dat leidde tot de beslissing dat [appellante] de onder het bewijsbeslag vallende digitale bestanden aan [geïntimeerde] moest teruggeven. 3.77 [appellante] komt tegen die beslissing op in het hoger beroep. Haar bezwaren worden hierna besproken. 3.78 De rechtbank heeft voldoende belang bij [geïntimeerde] aanwezig geacht bij het kortgeding tot opheffing van dat b De aanschafbewijzen zijn door [appellante] zelf namelijk al in het geding gebracht en uit deze aanschafbewijzen blijkt niets van een eventuele schenking van de sieraden. [appellante] heeft volgens de rechtbank ook geen belang bij de aankoopnota's en gebruiksaanwijzingen van de inboedel van de vakantiewoning in [land] , omdat partijen het erover eens zijn dat deze inboedel aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld. Van de overige administratie in de ordners (de Visacard-afschriften van de afgelopen 10 jaar, de wachtwoorden van Visa-bankieren en telebankieren) is onvoldoende uitgelegd wat het belang daarbij is. 3.90 [appellante] meent belang te hebben bij de gevraagde inzage in ordners om aan te kunnen tonen dat zij tien jaar fulltime in de tandartspraktijk van [geïntimeerde] heeft gewerkt, maar nooit officieel op de loonlijst stond en geen loonstroken of jaaropgaven kreeg. Zij zegt nooit een regulier salaris ontvangen te hebben en berekent het door haar als schade gekarakteriseerd tekort op een totaal van € 691.263,24. Dit voert zij aan, zo begrijpt het hof, om haar stelling te onderbouwen dat zij recht heeft op ‘verrekening’, in die zin dat [geïntimeerde] een deel van de sieraden aan haar moet afstaan. Juist de vraag of zij aanspraak heeft op achterstallig salaris, maakt de gevraagde inzage in deze redenering essentieel, aldus nog steeds [appellante] . 3.91 Het hof heeft moeite [appellante] in deze redenering te volgen, ten eerste omdat het haar vrijstaat in een verzoekschriftprocedure achterstallig loon te vorderen. Het standpunt dat zij aanspraak kan maken op sieraden van [geïntimeerde] omdat geen salaris aan haar is betaald waar zij aanspraak op meent te kunnen maken, vindt ook geen steun in het recht - temeer niet omdat het in haar ogen niet [geïntimeerde] in persoon is die formeel haar werkgever was, maar de BV waarin hij de praktijk dreef. De vordering tot afgifte van de ordners wordt dus afgewezen De vordering tot inzage in een beleggings- en levensverzekering en afgifte van digitale foto’s, de benoeming van een deskundige 3.92 [appellante] handhaaft haar vordering tot inzage in beleggings- en verzekeringspapieren en kopieën van digitale familiefoto's over de periode 2003-2023. De vordering tot inzage in de papieren verwerpt het hof op de gronden van de rechtbank. Het debat in hoger beroep geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. 3.93 Terecht heeft [geïntimeerde] tegen de afgifte van foto’s aangevoerd dat de AVG niet van toepassing is op verwerking van persoonsgegevens door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit (artikel 2 lid 2.c AVG). 3.94 Uit wat is overwogen over (het vervallen zijn van) het bewijsbeslag volgt dat het hof evenmin aanleiding ziet tot benoeming van een deskundige. 3.95 Op meerdere plaatsen is nader bewijs aangeboden door het overleggen van stukken. Ook dat aanbod wordt gepasseerd, omdat niets is aangevoerd dat de conclusie kan dragen dat (en in hoeverre) daartoe de gelegenheid heeft ontbroken.3.96 Wat partijen verder nog meer hebben aangevoerd dan hierboven is besproken, geeft geen aanleiding tot een andere beslissing. Proceskosten in de hoofdzaak 3.97 Het hof zal de proceskosten in de hoofdzaak compenseren. De conclusie 3.98 Het hoger beroep van beide zijden slaagt deels. Het hof bepaalt hierna dat iedere partij in alle procedures de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (verbroken samenleving). 3.99 Alle drie de vonnissen zullen omwille van de leesbaarheid hierna geheel worden vernietigd - ook voor zover de beslissing van dit hof neerkomt op bekrachtiging. 4 De beslissing In het kortgeding 588175/200.354.435 4.1 vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 14 maart 2025, 4.2 bepaalt dat het gelegde beslag op 24 april 2024 ten aanzien van het gelegde bewijsbeslag op de digitale bestanden die zich bevinden op de harde schijf van de computer/laptops en in de inbox