Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1467
Civiel recht
Hoger beroep
2,008 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1467 text/xml public 2026-04-08T11:28:45 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 200.350.911 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2024:5775 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1467 text/html public 2026-04-08T11:28:22 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1467 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / 200.350.911 Uitleg splitsingsakte, gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant in strijd met splitsingsakte. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.350.911 zaaknummer rechtbank 313075 arrest van 10 maart 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. G.J. Hollema tegen 1 [geïntimeerde1] die woont in [woonplaats2] 2. [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. D.F. Briedé 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 6 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord; het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 januari 2025 is gehouden. 1.2. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn allen gerechtigd tot een appartementsrecht in een gebouw op de [locatie] in [plaats] . [appellant] heeft het appartement op de benedenverdieping ( [locatie] ) verhuurd aan [naam] . [naam] exploiteert in het gehuurde een afhaal- en bezorgrestaurant. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] handelt [appellant] hiermee in strijd met de splitsingsakte. 2.2. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] het gebruik van de [locatie] te [plaats] als horeca c.q. andersoortige horeca-activiteiten staakt en gestaakt houdt op straffe van een dwangsom. 2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen grotendeels toegewezen en [appellant] bevolen het gebruik van de [locatie] als horecagelegenheid c.q. voor activiteiten die soortgelijk zijn als die van horeca-activiteiten te staken en gestaakt te houden. De rechtbank heeft de gevorderde dwangsom gematigd tot € 100,- per dag met een maximum van € 75.000,-. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. 2.4. Het hof zal beslissen dat het gebruik van [locatie] als afhaal- en bezorgrestaurant in strijd is met artikel 25 van de splitsingsakte en het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Strijd met artikel 25 akte van splitsing 3.1 Partijen twisten over de vraag of het gebruik van het appartementsrecht op de [locatie] als afhaal- en bezorgrestaurant (of, in de woorden van [appellant] : afhaal- en bezorgcentrum) in strijd is met artikel 25 van de splitsingsakte. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en licht dit hierna toe. 3.2 Artikel 25 lid 1 van de splitsingsakte luidt, voor zover relevant, als volgt: “ Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan in deze akte gegeven bestemming. Het appartementsrecht met index 1 heeft een bestemming kantoor/winkelruimte met parkeerplaatsen (...). De appartementsrechten met indexnummers 1 en 5 mogen niet worden bestemd als horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke. (…)” 3.3 Het gaat in deze zaak om het appartementsrecht met indexnummer 1 ( [locatie] ). [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] stellen dat het gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant van dit appartement niet is toegestaan aangezien artikel 25 van de splitsingsakte horeca en andere vormen van gebruik, die daarmee naar aard en impact vergelijkbaar zijn, uitsluit. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is sprake van een horecagelegenheid. Maar ook als dat niet het geval zou zijn, maken de woorden “en dergelijke” in artikel 25 duidelijk dat de bepaling ruim is bedoeld en ook een afhaal- en bezorgrestaurant omvat, aldus [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . [appellant] betwist dit en is van mening dat het gebruik door [naam] past binnen de in de splitsingsakte neergelegde bestemming “winkelruimte”. Volgens [appellant] kan er geen sprake zijn van horeca omdat het voor horeca cruciale element “nuttigen ter plaatse” ontbreekt. [appellant] verwijst in dit verband onder meer naar enkele rechtelijke uitspraken en de definitie die het CBS hanteert voor horeca. [appellant] stelt ook nog dat bij de interpretatie van de bewoordingen “en dergelijke” in artikel 25 van de splitsingsakte moet worden nagegaan wat de gemeenschappelijke factor is van horeca, speelhal en sexshop. Dat is volgens [appellant] de verblijfsfunctie en die ontbreekt bij [naam] . 3.4 Het hof overweegt als volgt. Het komt in deze kwestie aan op de uitleg van artikel 25 lid 1 van de splitsingsakte. Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling in een splitsingsakte dat het daarbij aankomt op de in de splitsingsakte tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degenen die tot splitsing zijn overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de bewoordingen van die akte, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte. Daarbij mogen alleen de gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn, worden meegenomen. 3.5 Artikel 25 lid 1 van de splitsingsakte bepaalt dat iedere eigenaar en gebruiker verplicht is het privégedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan in deze akte gegeven bestemming. Artikel 25 lid 1 van de splitsingsakte bepaalt daarnaast dat de appartementsrechten niet mogen worden bestemd als “horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke”. Dat een appartementsrecht niet als zodanig mag worden bestemd, betekent naar het oordeel van het hof ook, dat het appartementsgebruik niet conform een zodanige bestemming mag worden gebruikt. 3.6 Voor het relevante appartement (met indexnummer 1) geldt de bestemming kantoor /winkelruimte met parkeerplaatsen. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik als afhaal- en bezorgrestaurant niet kwalificeert als gebruik als kantoorruimte. De vraag is of dat binnen het toegestane gebruik als “winkelruimte” valt of binnen het niet-toegestane gebruik als “horeca-gelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke”. De splitsingsakte bevat geen definitie van “winkelruimte” en ook niet van “horeca-gelegenheid”. 3.7 Evenals de rechtbank, is het hof echter van oordeel dat in het midden kan blijven of het afhaal- en bezorgrestaurant kwalificeert als “horeca-gelegenheid”. De woorden “en dergelijke” in artikel 25 lid 1 van de splitsingsakte wijzen er immers op dat geen limitatieve opsomming is beoogd en dat ook gelegenheden die gelijksoortig zijn aan een horeca-gelegenheid, speelhal en sexshop, niet zijn toegestaan. Zelfs als men er vanuit zou gaan dat een bezorg- en afhaalrestaurant niet onder het begrip horeca kan worden geschaard, dan zijn de overeenkomsten tussen een afhaal- en bezorgrestaurant en horeca in ieder geval zodanig, dat het hof van oordeel is dat partijen bij de splitsingsakte hebben bedoeld dat ook een afhaal- en bezorgrestaurant niet is toegestaan. Anders dan [appellant] meent, is het hof van oordeel dat niet de verblijfsfunctie, maar veeleer de impact en uitstraling op de leefomgeving de doorslaggevende gemeenschappelijke factor is. Evenals voor horeca, is voor een afhaal- en bezorgrestaurant een exploitatievergunning vereist. Ook zijn de openingstijden vergelijkbaar met horeca-openingstijden. Daarnaast is, net als veelal bij horeca het geval is, voedselbereiding, met de mogelijke bijbehorende geur- en geluidsbelasting voor de omgeving, een kernactiviteit van een afhaal- en bezorgrestaurant.