Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1124
Civiel recht
Hoger beroep
4,041 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1124 text/xml public 2026-03-31T09:06:18 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-24 200.362.237 Uitspraak Hoger beroep Hoger beroep kort geding NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1124 text/html public 2026-03-31T09:05:48 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1124 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-02-2026 / 200.362.237 Kort geding. Afwijzing vordering tot schorsing. Bekrachtiging bevel om, in afwachting van de bodemprocedure, terug te verhuizen en bekrachtiging daaraan gekoppelde dwangsom. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, familie zaaknummer gerechtshof 200.362.237 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 600030 arrest in kort geding van 24 februari 2026 in de zaak van [appellante] die woont in Spanje die hoger beroep heeft ingesteld en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie hierna: de moeder advocaat: mr. T.T. Robijn tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] die bij de voorzieningenrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie hierna: de vader advocaat: mr. V.R.L. Berkhout 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) op 31 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met de memorie van grieven en een incidentele vordering tot schorsing de memorie van antwoord op de incidentele vordering tot schorsing en in de hoofdzaak 1.2. [de minderjarige] heeft op 2 februari 2026, via beeldbellen, gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de (terug)verhuizing. Hij heeft laten weten dat hij de beslissing van het hof van zijn moeder wil horen. 1.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de advocaat van de moeder; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). 2 De kern van de zaak 2.1. De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. 2.2. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2014 en woont bij de moeder. 2.3. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . 2.4. De vader heeft bij de voorzieningenrechter in conventie gevorderd: primair I. de moeder te verbieden om met [de minderjarige] te verhuizen naar Curaçao c.q. het buitenland; II. de moeder te bevelen om binnen een week na het vonnis, dan wel een termijn die de voorzieningenrechter juist acht, samen met [de minderjarige] terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats] ; III. te bepalen dat als de moeder niet binnen de bepaalde termijn is terugverhuisd naar [woonplaats] , [de minderjarige] voorlopig wordt toevertrouwd aan de vader en de moeder te bevelen [de minderjarige] aan de vader af te geven; IV. te bepalen dat de moeder aan de vader een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per dag of dagdeel dat de moeder niet voldoet aan het onder I, II en/of III gevorderde verbod of bevel, met een maximum van € 25.000,-; subsidiair V. te bepalen dat er een voorlopige omgangsregeling heeft te gelden, waarbij [de minderjarige] en de vader drie keer in de week zullen videobellen met elkaar alsmede dat [de minderjarige] in de schoolvakanties naar Nederland komt en bij de vader verblijft, waarbij de moeder verantwoordelijk is voor het halen en brengen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de moeder niet voldoet aan de voorlopige omgangsregeling, met een maximum van € 25.000,-: VI. te bepalen dat er een voorlopige informatieregeling heeft te gelden, waarbij de moeder de vader eens per week uitgebreid dient te informeren over [de minderjarige] via een e-mail en daarbij een recente foto van [de minderjarige] dient mee te sturen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat de moeder niet voldoet aan de voorlopige informatieregeling, met een maximum van € 25.000,-. 2.5. De moeder heeft verweer gevoerd en de voorzieningenrechter in conventie gevraagd primair zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de vorderingen van de vader dan wel subsidiair de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen. In reconventie heeft de moeder gevorderd haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing naar Spanje. 2.6. De voorzieningenrechter heeft de moeder bevolen om binnen twee weken na de datum van het vonnis met [de minderjarige] terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats] en de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan die veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt. De beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. 2.7. De moeder komt in hoger beroep van deze beslissing. De bedoeling van het hoger beroep is dat vorderingen van de vader alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen en dat de vordering van de moeder alsnog wordt toegewezen (de hoofdzaak). Daarnaast vraagt de moeder het hof om de beslissing van de voorzieningenrechter te schorsen, totdat in hoger beroep is beslist (schorsing). 2.8. De vader voert gemotiveerd verweer en vraagt het hof de vorderingen van de moeder af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen. 2.9. Het hof zal de incidentele vordering van de moeder tot schorsing afwijzen en beslissen dat de beslissing van de voorzieningenrechter in stand zal blijven en licht dat hierna toe. 3 Het oordeel van het hof Schorsing 3.1. De moeder heeft gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter schorst totdat in hoger beroep is beslist. Omdat het hof nu meteen een eindarrest zal wijzen in de hoofdzaak, heeft de moeder echter niet langer belang bij schorsing, zodat wat zij hierover naar voren heeft gebracht niet hoeft te worden besproken. Het hof zal de vordering tot schorsing afwijzen. De hoofdzaak Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.2. [de minderjarige] verblijft met zijn moeder in Spanje. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om deze zaak te behandelen. Wat staat in de wet? 3.3. De voorliggende vorderingen gaan over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van Brussel II-ter komt de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toe als [de minderjarige] op het tijdstip van aanhangig maken van de zaak in eerste aanleg (30 september 2025) zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Wijzigingen in de gewone verblijfplaats na dit peilmoment hebben geen invloed op de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep. 3.4. Het hof moet dus beoordelen waar [de minderjarige] op 30 september 2025 zijn gewone verblijfplaats had. Brussel II-ter bevat geen definitie van het begrip gewone verblijfplaats. Volgens jurisprudentie dient het begrip te worden ingekleurd door feitelijke omstandigheden. Daarbij moet rekening gehouden worden met de familiebanden en sociale contacten, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de duur en regelmatigheid van het verblijf van het kind en de talenkennis. Ook andere factoren zijn van belang zoals de nationaliteit van het kind, de plaats van inschrijving en de bedoeling van de ouder met gezag om zich ergens anders permanent te vestigen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Daarbij kunnen criteria zoals de redenen voor de verhuizing van de ouders, hun talenkennis en hun geografische en familiale wortels relevant zijn. Hoe oordeelt het hof? 3.5.
Volledig
Het hof is, net als de voorzieningenrechter, van oordeel dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats op 30 september 2025 (de dag waarop de dagvaarding is betekend) in Nederland had, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering tot terugverhuizing kennis te nemen. Het hof vindt ook dat de voorzieningenrechter die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof vult die uitleg nog aan. 3.6. Dat het centrum van het leven van [de minderjarige] zich op 30 september 2025 niet langer in Nederland maar in Spanje bevond, zoals de moeder stelt, is geenszins aannemelijk geworden. Nergens blijkt uit dat [de minderjarige] een speciale binding heeft met Spanje. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [de minderjarige] op 30 september 2025 pas korte tijd in Spanje verbleef, daar niet naar school ging, de taal niet sprak en naast de moeder geen familie, vrienden of bekenden in de buurt had. [de minderjarige] ging tot aan zijn vertrek in Nederland naar school en had daar zijn buitenschoolse activiteiten. Zoals de vader terecht aanvoert heeft [de minderjarige] de leeftijd om zelf een sociaal leven te creëren en voor het hof is het gelet op het voorgaande voldoende duidelijk dat hij dat op 30 september 2025 in Nederland had. 3.7. Het hof zal net als de voorzieningenrechter Nederlands recht toepassen aangezien daartegen geen grieven zijn gericht. Spoedeisend belang 3.8. Bij het hoger beroep van de moeder bestaat een voldoende spoedeisend belang. Zo is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over waar de moeder en hij voorlopig zullen wonen. Bevel tot terugverhuizen Wat staat in de wet? 3.9. De moeder is eind augustus 2025 met [de minderjarige] naar Spanje verhuisd. Omdat de moeder op dat moment alleen het gezag over [de minderjarige] had, was zij in beginsel vrij in de keuze van haar woonplaats en die van [de minderjarige] . Maar op grond van artikel 1:247 lid 3 BW omvat het ouderlijk gezag, ook in geval van eenhoofdig gezag, mede de verplichting van de gezaghebbende ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn of haar kind met de andere ouder te bevorderen. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat een kind en een ouder (in dit geval [de minderjarige] en de vader) recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, en artikel 24 lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU. 3.10. Bij eenhoofdig gezag bestaat dan ook een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). Op grond van artikel 8 EVRM is de rechter in zo’n geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn . Hoe oordeelt het hof? 3.11. Het hof is net als de voorzieningenrechter van oordeel dat de moeder, in afwachting van de bodemprocedure, moet terugverhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats] . Het hof zal die beslissing dan ook in stand laten (bekrachtigen). Het hof vindt ook dat de voorzieningenrechter die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof vult die uitleg nog aan. 3.12. Uit de stukken, het gesprek dat een rechter van het hof met [de minderjarige] had en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de vader regelmatig contact had met [de minderjarige] toen [de minderjarige] nog in Nederland woonde. Zoals de voorzieningenrechter al heeft overwogen heeft de vader tweeëntwintig verklaringen ingediend van vrienden, familie, kennissen en buurtgenoten waarin onder meer wordt verklaard dat zij de vader regelmatig met [de minderjarige] zagen. In wat de moeder daarover heeft aangedragen ziet het hof, net als de voorzieningenrechter, geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van (al) die verklaringen. Ook zitten er verschillende foto’s van [de minderjarige] tijdens uitjes met de vader in het dossier, is gebleken dat de vader [de minderjarige] in het verleden naar zwemles bracht en hem, wanneer de moeder dat toeliet, ook naar school bracht. 3.13. Voor het hof staat, gelet op het voorgaande, voldoende vast dat er sprake was van regelmatig contact c.q. omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Dat de moeder heeft nagedacht over wat de verhuizing voor de omgang tussen [de minderjarige] en de vader betekent, is niet gebleken. Zo heeft de moeder de verhuizing niet met de vader besproken en blijkt nergens uit dat de moeder een plan heeft gemaakt over hoe het contact tussen [de minderjarige] en de vader na de verhuizing kan worden vormgegeven. Hoewel de moeder zegt dat zij openstaat voor contact tussen [de minderjarige] en de vader en dat zij dit wil stimuleren, is voldoende aannemelijk dat de moeder sinds de verhuizing slechts minimaal contact tussen [de minderjarige] en de vader toestaat. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij de moeder heeft gevraagd om drie keer per week met [de minderjarige] te videobellen, maar dat de moeder de vader slechts in staat stelt om een keer per week kort, en zonder beeld, met [de minderjarige] te bellen. 3.14. Daarnaast is voor het hof aannemelijk geworden dat [de minderjarige] sinds de verhuizing naar Spanje steeds meer vervreemdt van de vader. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het belcontact tussen hem en [de minderjarige] niet goed verloopt, dat hij zijn zoon niet meer herkent en dat hij zich verder verwijderd voelt raken van zijn zoon. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder aangevoerd dat [de minderjarige] de contacten met de vader als belastend ervaart, maar niet is gebleken dat, of op welke manier, de moeder zich heeft ingezet om dit te verbeteren. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij het aan [de minderjarige] overlaat om duidelijk te maken of hij meer of anders contact met de vader wil. De moeder miskent hiermee echter dat het haar taak is zich actief in te zetten om dit contact te stimuleren. [de minderjarige] wordt op die manier ook belast omdat hij volledig is aangewezen op zijn moeder. Hij is loyaal naar zijn moeder, en die loyaliteit lijkt eraan in de weg te staan dat hij een onbelast en prettig contact met zijn vader kan hebben, wat voorheen wel het geval was. Uit het dossier valt namelijk niet op te maken dat [de minderjarige] geen goed contact met zijn vader had toen hij nog in Nederland woonde, wat wordt bevestigd door de vader. Het hof maakt zich zorgen omdat het, net als de vader, verdere verwijdering voorziet tussen de vader en [de minderjarige] . 3.15. Gelet op het voorgaande is het voor het hof duidelijk dat de moeder niet (voldoende) mogelijkheid biedt aan [de minderjarige] om contact te hebben met de vader en dat dit contact als gevolg van de verhuizing naar Spanje en de houding van de moeder ernstig wordt belemmerd. Hiermee voldoet de moeder niet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). Het hof vindt een bevel aan de moeder om terug te verhuizen gelet op de weigerachtige, afhoudende houding van de moeder een passende maatregel om de moeder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan contact/omgang tussen [de minderjarige] en de vader. 3.16.