Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-03
ECLI:NL:GHARL:2025:7914
Strafrecht
Hoger beroep
11,388 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003192-25
Uitspraakdatum: 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-369816-24 en 18-217876-24, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging;
toepassing van het adolescentenstrafrecht;
veroordeling van verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn opgelegd.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-369816-24 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-217876-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden;
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] volledig en hoofdelijk toegewezen, deze vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte en vorderingen van de benadeelde partijen op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen.
Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Adolescentenstrafrecht
Het hof dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 22 jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van reclasseringswerker [naam] van 29 september 2025. Hieruit volgt dat na het toepassen van het wegingskader ASR, en overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, zij op basis van de dossierinhoudelijke informatie, het jeugdstrafrecht geïndiceerd achten. Verdachte lijkt affectief, sociaal en economisch nog afhankelijk te zijn van zijn ouders en het familiesysteem en laat zich positief door zijn moeder beïnvloeden. De reclassering hecht daarbij minder waarde aan zijn woning die door z’n ouders is gekocht en zijn werk in het bedrijf van zijn vader, als het gaat om de mate waarin dit afspiegelt hoe verdachte zich zelfstandig staande kan houden. Hetzelfde geldt voor zijn rol als vader voor zijn zoontje. Zonder de bemoeienis van zijn moeder, is het lastiger voor hem vorm te geven aan deze rol. Het huidige wegingskader ASR, geeft geen richting over het wegen van de aard van de tenlastegelegde feiten. Een vrijheidsberoving, doelgericht en gepleegd met mededaders, kan gezien worden als een doordachte en vergaande criminele handeling. De reclassering weegt daarbij ook de invloed van mededaders, het sociale netwerk en andere factoren zoals beschreven in de analyse delictscenario mee. In hun weging was dat geen reden om het volwassenstrafrecht toe te passen. Het is aannemelijk dat ADHD en de licht verstandelijke beperking bij verdachte een rol speelden in de coping en het gedrag dat leidde tot waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt.
Gelet op voormeld rapport, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, en al hetgeen overigens uit het dossier en op de zitting is gebleken over de persoon van verdachte, zal het hof het ASR toepassen. Het hof schaart zich achter de overwegingen opgenomen in het rapport. Verdachte zal daarom worden berecht op grond van het jeugdstrafrecht met het daarbij behorende sanctiestelsel.
Aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering en afpersing. Het slachtoffer zou verdachte op enig moment hebben gefilmd, terwijl deze seks had. Verdachte had onenigheid met het slachtoffer over het feit of deze film was verwijderd of niet. Hij is vervolgens met de medeverdachten naar de woning van het slachtoffer gegaan. Toen het gesprek met het slachtoffer niet verliep zoals hij wilde, heeft hij besloten het slachtoffer in een auto mee te nemen. Een van zijn medeverdachten had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meegenomen en hiermee hebben ze het slachtoffer bedreigd en gedwongen bij hen in de auto te stappen. Onderweg in de auto moest het slachtoffer een tas over zijn hoofd doen, zodat hij niet kon zien waar ze heen gingen. Ook moest hij onder bedreiging van het wapen zijn telefoon aan verdachte afstaan. Ze hebben het slachtoffer meegenomen naar het bos bij [plaats] . Daar hebben ze met zijn allen het slachtoffer gedwongen zich uit te kleden en zijn kleding af te staan. Toen hij dit niet wilde, werd hij geschopt en geslagen. Ook heeft verdachte hem bedreigd met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en heeft hij hiermee het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer lag op een gegeven moment op de grond in zijn onderbroek en een T-shirt toen een auto hen naderde. De verdachten zijn toen weggegaan en hebben hem aan zijn lot overgelaten. Het was die avond koud en nat. Het slachtoffer heeft een korte broek en zijn schoenen teruggevonden en is vervolgens verder het bos in gerend. Uiteindelijk heeft hij hulp gevraagd aan een echtpaar en dat heeft hem thuis gebracht.
Het jonge slachtoffer van toen negentien jaar oud is aldus een aantal uren van zijn vrijheid beroofd geweest, is ernstig mishandeld, vernederd, geïntimideerd en heeft in doodsangst verkeerd. Het is onduidelijk wat de verdachten met hem hadden gedaan wanneer ze niet door een passerende auto waren gestoord.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich uiterlijk vijf dagen na ommekomst van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie meldt bij [reclassering] en dat hij zich vervolgens blijft melden op de afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich onder ambulante behandeling zal stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg [locatie] , of een soortgelijke instelling, zulks op aanwijzing van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2005;
- zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te [plaats] .
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze straf zal worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof om de jeugddetentie ten uitvoer te leggen in [instelling] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003192-25
Uitspraakdatum: 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-369816-24 en 18-217876-24, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging;
toepassing van het adolescentenstrafrecht;
veroordeling van verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn opgelegd.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-369816-24 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-217876-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden;
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] volledig en hoofdelijk toegewezen, deze vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte en vorderingen van de benadeelde partijen op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen.
Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Adolescentenstrafrecht
Het hof dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 22 jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van reclasseringswerker [naam] van 29 september 2025. Hieruit volgt dat na het toepassen van het wegingskader ASR, en overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, zij op basis van de dossierinhoudelijke informatie, het jeugdstrafrecht geïndiceerd achten. Verdachte lijkt affectief, sociaal en economisch nog afhankelijk te zijn van zijn ouders en het familiesysteem en laat zich positief door zijn moeder beïnvloeden. De reclassering hecht daarbij minder waarde aan zijn woning die door z’n ouders is gekocht en zijn werk in het bedrijf van zijn vader, als het gaat om de mate waarin dit afspiegelt hoe verdachte zich zelfstandig staande kan houden. Hetzelfde geldt voor zijn rol als vader voor zijn zoontje. Zonder de bemoeienis van zijn moeder, is het lastiger voor hem vorm te geven aan deze rol. Het huidige wegingskader ASR, geeft geen richting over het wegen van de aard van de tenlastegelegde feiten. Een vrijheidsberoving, doelgericht en gepleegd met mededaders, kan gezien worden als een doordachte en vergaande criminele handeling. De reclassering weegt daarbij ook de invloed van mededaders, het sociale netwerk en andere factoren zoals beschreven in de analyse delictscenario mee. In hun weging was dat geen reden om het volwassenstrafrecht toe te passen. Het is aannemelijk dat ADHD en de licht verstandelijke beperking bij verdachte een rol speelden in de coping en het gedrag dat leidde tot waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt.
Gelet op voormeld rapport, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, en al hetgeen overigens uit het dossier en op de zitting is gebleken over de persoon van verdachte, zal het hof het ASR toepassen. Het hof schaart zich achter de overwegingen opgenomen in het rapport. Verdachte zal daarom worden berecht op grond van het jeugdstrafrecht met het daarbij behorende sanctiestelsel.
Aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering en afpersing. Het slachtoffer zou verdachte op enig moment hebben gefilmd, terwijl deze seks had. Verdachte had onenigheid met het slachtoffer over het feit of deze film was verwijderd of niet. Hij is vervolgens met de medeverdachten naar de woning van het slachtoffer gegaan. Toen het gesprek met het slachtoffer niet verliep zoals hij wilde, heeft hij besloten het slachtoffer in een auto mee te nemen. Een van zijn medeverdachten had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meegenomen en hiermee hebben ze het slachtoffer bedreigd en gedwongen bij hen in de auto te stappen. Onderweg in de auto moest het slachtoffer een tas over zijn hoofd doen, zodat hij niet kon zien waar ze heen gingen. Ook moest hij onder bedreiging van het wapen zijn telefoon aan verdachte afstaan. Ze hebben het slachtoffer meegenomen naar het bos bij [plaats] . Daar hebben ze met zijn allen het slachtoffer gedwongen zich uit te kleden en zijn kleding af te staan. Toen hij dit niet wilde, werd hij geschopt en geslagen. Ook heeft verdachte hem bedreigd met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en heeft hij hiermee het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer lag op een gegeven moment op de grond in zijn onderbroek en een T-shirt toen een auto hen naderde. De verdachten zijn toen weggegaan en hebben hem aan zijn lot overgelaten. Het was die avond koud en nat. Het slachtoffer heeft een korte broek en zijn schoenen teruggevonden en is vervolgens verder het bos in gerend. Uiteindelijk heeft hij hulp gevraagd aan een echtpaar en dat heeft hem thuis gebracht.
Het jonge slachtoffer van toen negentien jaar oud is aldus een aantal uren van zijn vrijheid beroofd geweest, is ernstig mishandeld, vernederd, geïntimideerd en heeft in doodsangst verkeerd. Het is onduidelijk wat de verdachten met hem hadden gedaan wanneer ze niet door een passerende auto waren gestoord.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich uiterlijk vijf dagen na ommekomst van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie meldt bij [reclassering] en dat hij zich vervolgens blijft melden op de afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich onder ambulante behandeling zal stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg [locatie] , of een soortgelijke instelling, zulks op aanwijzing van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2005;
- zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te [plaats] .
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze straf zal worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof om de jeugddetentie ten uitvoer te leggen in [instelling] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003192-25
Uitspraakdatum: 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-369816-24 en 18-217876-24, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging;
toepassing van het adolescentenstrafrecht;
veroordeling van verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn opgelegd.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-369816-24 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-217876-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden;
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] volledig en hoofdelijk toegewezen, deze vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte en vorderingen van de benadeelde partijen op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen.
Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Adolescentenstrafrecht
Het hof dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 22 jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van reclasseringswerker [naam] van 29 september 2025. Hieruit volgt dat na het toepassen van het wegingskader ASR, en overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, zij op basis van de dossierinhoudelijke informatie, het jeugdstrafrecht geïndiceerd achten. Verdachte lijkt affectief, sociaal en economisch nog afhankelijk te zijn van zijn ouders en het familiesysteem en laat zich positief door zijn moeder beïnvloeden. De reclassering hecht daarbij minder waarde aan zijn woning die door z’n ouders is gekocht en zijn werk in het bedrijf van zijn vader, als het gaat om de mate waarin dit afspiegelt hoe verdachte zich zelfstandig staande kan houden. Hetzelfde geldt voor zijn rol als vader voor zijn zoontje. Zonder de bemoeienis van zijn moeder, is het lastiger voor hem vorm te geven aan deze rol. Het huidige wegingskader ASR, geeft geen richting over het wegen van de aard van de tenlastegelegde feiten. Een vrijheidsberoving, doelgericht en gepleegd met mededaders, kan gezien worden als een doordachte en vergaande criminele handeling. De reclassering weegt daarbij ook de invloed van mededaders, het sociale netwerk en andere factoren zoals beschreven in de analyse delictscenario mee. In hun weging was dat geen reden om het volwassenstrafrecht toe te passen. Het is aannemelijk dat ADHD en de licht verstandelijke beperking bij verdachte een rol speelden in de coping en het gedrag dat leidde tot waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt.
Gelet op voormeld rapport, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, en al hetgeen overigens uit het dossier en op de zitting is gebleken over de persoon van verdachte, zal het hof het ASR toepassen. Het hof schaart zich achter de overwegingen opgenomen in het rapport. Verdachte zal daarom worden berecht op grond van het jeugdstrafrecht met het daarbij behorende sanctiestelsel.
Aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering en afpersing. Het slachtoffer zou verdachte op enig moment hebben gefilmd, terwijl deze seks had. Verdachte had onenigheid met het slachtoffer over het feit of deze film was verwijderd of niet. Hij is vervolgens met de medeverdachten naar de woning van het slachtoffer gegaan. Toen het gesprek met het slachtoffer niet verliep zoals hij wilde, heeft hij besloten het slachtoffer in een auto mee te nemen. Een van zijn medeverdachten had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meegenomen en hiermee hebben ze het slachtoffer bedreigd en gedwongen bij hen in de auto te stappen. Onderweg in de auto moest het slachtoffer een tas over zijn hoofd doen, zodat hij niet kon zien waar ze heen gingen. Ook moest hij onder bedreiging van het wapen zijn telefoon aan verdachte afstaan. Ze hebben het slachtoffer meegenomen naar het bos bij [plaats] . Daar hebben ze met zijn allen het slachtoffer gedwongen zich uit te kleden en zijn kleding af te staan. Toen hij dit niet wilde, werd hij geschopt en geslagen. Ook heeft verdachte hem bedreigd met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en heeft hij hiermee het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer lag op een gegeven moment op de grond in zijn onderbroek en een T-shirt toen een auto hen naderde. De verdachten zijn toen weggegaan en hebben hem aan zijn lot overgelaten. Het was die avond koud en nat. Het slachtoffer heeft een korte broek en zijn schoenen teruggevonden en is vervolgens verder het bos in gerend. Uiteindelijk heeft hij hulp gevraagd aan een echtpaar en dat heeft hem thuis gebracht.
Het jonge slachtoffer van toen negentien jaar oud is aldus een aantal uren van zijn vrijheid beroofd geweest, is ernstig mishandeld, vernederd, geïntimideerd en heeft in doodsangst verkeerd. Het is onduidelijk wat de verdachten met hem hadden gedaan wanneer ze niet door een passerende auto waren gestoord.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich uiterlijk vijf dagen na ommekomst van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie meldt bij [reclassering] en dat hij zich vervolgens blijft melden op de afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich onder ambulante behandeling zal stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg [locatie] , of een soortgelijke instelling, zulks op aanwijzing van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2005;
- zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te [plaats] .
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze straf zal worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof om de jeugddetentie ten uitvoer te leggen in [instelling] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003192-25
Uitspraakdatum: 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-369816-24 en 18-217876-24, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging;
toepassing van het adolescentenstrafrecht;
veroordeling van verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn opgelegd.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-369816-24 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-217876-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden;
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] volledig en hoofdelijk toegewezen, deze vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte en vorderingen van de benadeelde partijen op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen.
Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Adolescentenstrafrecht
Het hof dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 22 jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van reclasseringswerker [naam] van 29 september 2025. Hieruit volgt dat na het toepassen van het wegingskader ASR, en overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, zij op basis van de dossierinhoudelijke informatie, het jeugdstrafrecht geïndiceerd achten. Verdachte lijkt affectief, sociaal en economisch nog afhankelijk te zijn van zijn ouders en het familiesysteem en laat zich positief door zijn moeder beïnvloeden. De reclassering hecht daarbij minder waarde aan zijn woning die door z’n ouders is gekocht en zijn werk in het bedrijf van zijn vader, als het gaat om de mate waarin dit afspiegelt hoe verdachte zich zelfstandig staande kan houden. Hetzelfde geldt voor zijn rol als vader voor zijn zoontje. Zonder de bemoeienis van zijn moeder, is het lastiger voor hem vorm te geven aan deze rol. Het huidige wegingskader ASR, geeft geen richting over het wegen van de aard van de tenlastegelegde feiten. Een vrijheidsberoving, doelgericht en gepleegd met mededaders, kan gezien worden als een doordachte en vergaande criminele handeling. De reclassering weegt daarbij ook de invloed van mededaders, het sociale netwerk en andere factoren zoals beschreven in de analyse delictscenario mee. In hun weging was dat geen reden om het volwassenstrafrecht toe te passen. Het is aannemelijk dat ADHD en de licht verstandelijke beperking bij verdachte een rol speelden in de coping en het gedrag dat leidde tot waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt.
Gelet op voormeld rapport, het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, en al hetgeen overigens uit het dossier en op de zitting is gebleken over de persoon van verdachte, zal het hof het ASR toepassen. Het hof schaart zich achter de overwegingen opgenomen in het rapport. Verdachte zal daarom worden berecht op grond van het jeugdstrafrecht met het daarbij behorende sanctiestelsel.
Aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ontvoering en afpersing. Het slachtoffer zou verdachte op enig moment hebben gefilmd, terwijl deze seks had. Verdachte had onenigheid met het slachtoffer over het feit of deze film was verwijderd of niet. Hij is vervolgens met de medeverdachten naar de woning van het slachtoffer gegaan. Toen het gesprek met het slachtoffer niet verliep zoals hij wilde, heeft hij besloten het slachtoffer in een auto mee te nemen. Een van zijn medeverdachten had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meegenomen en hiermee hebben ze het slachtoffer bedreigd en gedwongen bij hen in de auto te stappen. Onderweg in de auto moest het slachtoffer een tas over zijn hoofd doen, zodat hij niet kon zien waar ze heen gingen. Ook moest hij onder bedreiging van het wapen zijn telefoon aan verdachte afstaan. Ze hebben het slachtoffer meegenomen naar het bos bij [plaats] . Daar hebben ze met zijn allen het slachtoffer gedwongen zich uit te kleden en zijn kleding af te staan. Toen hij dit niet wilde, werd hij geschopt en geslagen. Ook heeft verdachte hem bedreigd met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en heeft hij hiermee het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer lag op een gegeven moment op de grond in zijn onderbroek en een T-shirt toen een auto hen naderde. De verdachten zijn toen weggegaan en hebben hem aan zijn lot overgelaten. Het was die avond koud en nat. Het slachtoffer heeft een korte broek en zijn schoenen teruggevonden en is vervolgens verder het bos in gerend. Uiteindelijk heeft hij hulp gevraagd aan een echtpaar en dat heeft hem thuis gebracht.
Het jonge slachtoffer van toen negentien jaar oud is aldus een aantal uren van zijn vrijheid beroofd geweest, is ernstig mishandeld, vernederd, geïntimideerd en heeft in doodsangst verkeerd. Het is onduidelijk wat de verdachten met hem hadden gedaan wanneer ze niet door een passerende auto waren gestoord.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich uiterlijk vijf dagen na ommekomst van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie meldt bij [reclassering] en dat hij zich vervolgens blijft melden op de afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich onder ambulante behandeling zal stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg [locatie] , of een soortgelijke instelling, zulks op aanwijzing van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum] 2005;
- zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te [plaats] .
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze straf zal worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof om de jeugddetentie ten uitvoer te leggen in [instelling] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 december 2025.