Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-11-25
ECLI:NL:GHARL:2025:7501
Civiel recht
Hoger beroep
3,932 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer dit gerechtshof 200.352.310/01
(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant C/02/392847 / KG ZA 21-594)
(zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.307.834/01)
(zaaknummer Hoge Raad 23/04927)
arrest van 25 november 2025
in het geding zoals verwezen naar dit hof bij arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. K. van Overloop te Goes,
tegen
1 [geïntimeerde1] ,
die woont in [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde2],
dat is gevestigd in [woonplaats] ,
die ook hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna samen: [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en de VOF,
advocaat: mr. B. van Leeuwen te Goes.
1Het verloop van geding
1.1.
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (hierna: het verwijzingsarrest) verwijst het hof naar dat arrest. In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof voor verdere behandeling en beslissing, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in cassatie.
1.2.
In een exploot van 21 februari 2025 heeft [appellant] [geïntimeerden] opgeroepen om te verschijnen voor dit hof om verder te procederen. [geïntimeerden] zijn vervolgens verschenen. Op 15 april 2025 heeft [appellant] een akte genomen en [geïntimeerden] hebben dat op 13 mei 2025 gedaan. Partijen hebben in hun akten toegelicht wat het hof naar hun mening zou moeten beslissen gelet op het oordeel van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest.
Motivering
Aanloop naar deze beslissing
2.1
In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerden] een kort geding vonnis van 9 september 2021 ten uitvoer kunnen leggen. In dat vonnis is het [appellant] onder meer verboden om met de VOF concurrerende activiteiten te verrichten, met daaraan verbonden een dwangsomveroordeling. [geïntimeerden] zijn begonnen dat vonnis ten uitvoer te leggen en hebben in dat kader [appellant] in een exploot van 21 december 2021 aangezegd dat hij een bedrag van € 50.000 aan dwangsommen heeft verbeurd en hem ten aanzien daarvan een bevel tot betaling gedaan. Hierna hebben [geïntimeerden] op 28 december 2021 ten laste van [appellant] beslag laten leggen.
2.2
[appellant] heeft vervolgens in dit kort geding gevorderd dat het [geïntimeerden] wordt geboden om de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis van 9 september 2021 te schorsen en/of te staken.
2.3
De voorzieningenrechter heeft dit deels toegewezen, in zoverre dat het [geïntimeerden] is verboden het vonnis van 9 september 2021 ten uitvoer te leggen voor zover de dwangsommen uitgaan boven een bedrag van € 37.500.
2.4
Hiertegen is eerst [appellant] , en daarna ook [geïntimeerden] , in hoger beroep opgekomen bij he gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Tijdens de mondelinge behandeling bij dat hof heeft [appellant] een beroep gedaan op verjaring van de dwangsommen als een aanvullende reden waarom [geïntimeerden] het vonnis van 9 september 2021 niet ten uitvoer mogen leggen. In een tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het beroep op verjaring van [appellant] toelaatbaar is en [geïntimeerden] daar nader op mogen reageren. In zijn eindarrest heeft dat hof het beroep op verjaring afgewezen en na een verdere beoordeling het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Ten aanzien van de verjaring overwoog het hof ’s-Hertogenbosch in rov. 6.1.2. van zijn arrest dat het verjaringsregime van artikel 3:324 BW en daarmee de verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing was.
2.5
Tegen dat oordeel is [appellant] in cassatie opgekomen. In zijn arrest van 20 december 2024 heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld:
3.2
Art. 3:324 lid 1 BW bepaalt onder meer dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van twintig jaren. Art. 611g lid 1 Rv bepaalt dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is. Art. 3:324 BW is niet van toepassing op de vordering tot betaling van verbeurde dwangsommen die voortvloeit uit de uitspraak waarbij de dwangsommen zijn opgelegd; daarvoor geldt de verjaringstermijn van art. 611g lid 1 Rv.
3.3
De verjaring van dwangsommen wordt onder meer gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt (art. 3:316 lid 1 BW). Zo’n eis kan bestaan in een vordering van de dwangsomschuldeiser om de dwangsomschuldenaar te veroordelen tot betaling van een bedrag aan verbeurde dwangsommen. Toewijzing van die eis van de wangsomschuldeiser mondt uit in een voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak. Voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging daarvan geldt de verjaringstermijn van art. 3:324 lid 1 BW.
3.4
Het instellen van een eis door de dwangsomschuldeiser zoals hiervoor in 3.3 bedoeld, moet worden onderscheiden van het geval dat de dwangsomschuldenaar een executiegeschil aanhangig maakt ter zake van al dan niet verbeurde dwangsommen. Als de dwangsomschuldenaar vordert om de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij dwangsommen zijn opgelegd te schorsen of te staken, is geen sprake van het instellen van een eis zoals bedoeld in art. 3:316 lid 1 BW die de verjaringstermijn van art. 611g lid 1 Rv stuit. Aan het vonnis waarbij op zo’n vordering van de dwangsomschuldenaar wordt beslist, ontleent de dwangsomschuldeiser ook niet de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dwangsommen. Zo’n vonnis levert ter zake van verbeurde dwangsommen voor de dwangsomschuldeiser daarom niet een uitspraak op zoals bedoeld in art. 3:324 lid 1 BW.
2.6
De Hoge Raad overwoog verder dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter was beslist op de vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging door [geïntimeerden] van het vonnis van 9 september 2021 en dat die uitspraak ten aanzien van [geïntimeerden] dus niet een uitspraak is zoals bedoeld in art. 3:324 lid 1 BW. Het oordeel van het hof ’s-Hertogenbosch dat met de uitspraak van de voorzieningenrechter op de dwangsommen het verjaringsregime van art. 3:324 BW van toepassing is, is dan ook onjuist. De Hoge Raad heeft het arrest van dat hof van 7 november 2023 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Zijn de dwangsommen verjaard?
2.7
Dit hof heeft te oordelen over de vraag of [appellant] zich terecht beroept op verjaring van de dwangsommen. Het gaat om de dwangsommen die in de periode september 2021 tot en met december 2021 verbeurd zijn geraakt, voor een totaalbedrag van € 37.500. Het hof is van oordeel dat het verjaringsverweer van [appellant] slaagt. Dat wordt hierna toegelicht.
2.8
Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat op de vordering tot betaling van verbeurde dwangsommen niet de verjaringstermijn van artikel 3:324 BW maar de verjaringstermijn van art. 611g lid 1 Rv van toepassing is. Die termijn is zes maanden na de dag van het verbeuren van de dwangsommen. De verjaring van dwangsommen wordt onder meer gestuit door het instellen van een eis, evenals door iedere daad van rechtsvervolging aan de zijde van – in dit geval – [geïntimeerden] Is sprake van een stuitingshandeling, anders dan een ingestelde eis, dan gaat de verjaringstermijn van zes maanden opnieuw lopen vanaf de dag na die stuitingshandeling (artikel 3:319 BW).
2.9
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de beslaglegging op 28 december 2021 in ieder geval kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn van zes maanden de dag daarna opnieuw is gaan lopen. Ter discussie staat vervolgens of het instellen van incidenteel hoger beroep door [geïntimeerden] op 3 mei 2022 als stuitingshandeling valt aan te merken, zoals [geïntimeerden] hebben gesteld. Als het instellen van incidenteel appel moet worden aangemerkt als het instellen van een eis, is in zoverre sprake van een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 lid 1 BW). Het hof is echter van oordeel dat het instellen van hoger beroep door [geïntimeerden] niet geldt als het instellen van een eis. Het incidenteel appel had namelijk de strekking om het verbod om het kort vonnis ten uitvoer te leggen, dat de voorzieningenrechter deels had toegewezen, ongedaan te maken. Dat verbod betrof een vordering van [appellant] en strekte niet tot een veroordeling van [appellant] tot betaling van dwangsommen (vergelijk ook het oordeel van de Hoge Raad in deze zaak in rov. 3.4). Om die reden kan het instellen van het incidenteel appel in dit geval niet worden aangemerkt als het instellen van een eis.
2.10
Of het instellen van incidenteel appel aangemerkt kan worden als andere stuitingshandeling kan in het midden blijven. Ook als dat namelijk zo zou zijn, zou dat ertoe leiden dat er een verjaringstermijn van zes maanden gaat lopen, met ingang van 4 mei 2022. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ’s-Hertogenbosch op 31 mei 2023 heeft [appellant] echter aangevoerd dat langer dan zes maanden voor die laatste datum geen handelingen zijn verricht die als stuitingshandelingen namens [geïntimeerden] zijn aan te merken.
Conclusie
2.14
De slotsom is dat de dwangsommen verjaard zijn. Dat betekent dat de vordering van [appellant] om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 september 2021 te verbieden zal worden toegewezen voor zover het betreft de dwangsommen berekend tot 18 januari 2022. Gelet hierop bestaat ook grond voor opheffing van de nog resterende beslagen, aangezien [geïntimeerden] niet hebben aangegeven welk (ander) belang zij daarbij hebben, naast inning van de dwangsommen die het hof hiervoor als verjaard heeft beoordeeld. Het hof zal hierna in deze zin beslissen.
2.15
De vordering van [appellant] tot terugbetaling van wat hij op grond van het vonnis van 27 januari 2022 aan [geïntimeerden] heeft betaald zal worden afgewezen, omdat dat vonnis geen veroordeling van [appellant] tot betaling bevat en [appellant] verder ook niet heeft onderbouwd wat hij op grond van dat vonnis aan [geïntimeerden] zou hebben betaald.
Kosten
2.16
[geïntimeerden] zijn te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Bij het oordeel over de proceskosten is voor het hof doorslaggevend dat hun ongelijk het gevolg is van een verweer dat [appellant] pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst naar voren heeft gebracht. Dat is reden om de compensatie van proceskosten voor de procedure bij de voorzieningenrechter in stand te laten, en om de kosten van het principaal appel voor wat betreft de procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch te compenseren. Voor de procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in incidenteel appel en die na cassatie en verwijzing geldt echter wel dat [geïntimeerden] in de proceskosten van [appellant] dienen te worden veroordeeld. De kosten voor eerstgenoemde procedure worden begroot op het door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vastgestelde bedrag (€ 1.478,75), die voor de procedure na cassatie en verwijzing op € 1.571 (1 punt x tarief III). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
2.17
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2022 voor zover het betreft de beslissing onder 5.1.;
verbiedt [geïntimeerden] om het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 september 2021 ten uitvoer te leggen voor zover het betreft de dwangsommen die verbeurd zijn in de periode vanaf 10 september 2021 tot en met 18 januari 2022;
heft op de beslagen (op het aandeel van eiser) in/op de onroerende goederen, kadastraal bekend als 1) [plaatsnaam] , sectie [letter1] , nr. [nummer1] ( [adres1] ), 2) [plaatsnaam] , sectie [letter1] , nr. [nummer2] (parkeren), 3) [plaatsnaam] , sectie [letter2] , nr. [nummer3] (garage), 4) [plaatsnaam] , sectie [letter2] , nr. [nummer4] ( [adres2] ), 5) [woonplaats] , sectie [letter3] , nr. [nummer5] ( [adres3] ) en 6) [woonplaats] , sectie [letter3] , nr. [nummer6] ( [adres4] );
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
compenseert de kosten van het principaal hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, begroot op € 1.478,75;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de procedure na verwijzing, begroot op € 1.571;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, J.H. Kuiper en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
25 november 2025.
ECLI:NL:HR:2024:1904.
ECLI:NL:GHSHE:2023:3681.
Voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2022, ECLI:NL:RBZWE:2022:8639.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2460.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3681.
Oorspronkelijke voetnoot Hoge Raad: “Vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1260, rov. 4.2.”
Zie rov. 4.12. van het vonnis van 27 januari 2022 en rov. 3.7. van het arrest van 25 juli 2023.
Zie de akte van [appellant] van 15 april 2025, nr. 17 en de antwoordakte van [geïntimeerden] van 22 augustus 2023, nr. 3.
Zie de antwoordakte van [geïntimeerden] van 22 augustus 2023, nr. 5.
Pleitnota mrs. Van Overloop en Tibbe van 31 mei 2023, nr. 3.
Zie de Conclusie van Advocaat-Generaal mr. W.L. Valk van 4 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1005, nr. 3.14 (voetnoot 19).
Vgl. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3866.
In het arrest van 7 november 2023 is in rov. 6.6.4. (in cassatie onbestreden) overwogen dat de beslagen onder de banken inmiddels zijn opgeheven. Ook dit hof gaat daarvan uit.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.