Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-11-04
ECLI:NL:GHARL:2025:6884
Strafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,119 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005654-24
Uitspraakdatum: 4 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 december 2024 met parketnummer 18-232322-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep, gericht tegen de vrijspraak van het aan hem onder 1 en 4 ten laste gelegde;
veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem onder 2 en 3 ten laste gelegde tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F. Uzumcu, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 4 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 11 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem onder 2 (met partiële vrijspraak voor de kopstoot en het knietje) en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
2.hij, op of omstreeks 16 juli 2024 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- met zijn vuist, al dan niet met kracht, die [slachtoffer 1] in zijn gezicht te slaan en/of
- een kopstoot op de neus van die [slachtoffer 1] , althans zijn gezicht te geven en/of
- een knietje in het gezicht van die [slachtoffer 1] te geven;
3.hij, op of omstreeks 16 juli 2024 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op te tillen en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) al dan niet met kracht, tegen de grond te gooien/te werken.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, in die zin dat verdachte [slachtoffer 1] met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen en [slachtoffer 2] heeft opgetild en tegen de grond gegooid. Ten aanzien van de kopstoot en het knietje tenlastegelegd onder feit 2 dient partiële vrijspraak te volgen. Verdachte komt geen beroep op noodweer toe. Hoewel uit het dossier blijkt dat aangever [slachtoffer 2] de eerste vuistslag heeft uitgedeeld, is de reactie van verdachte disproportioneel, waardoor een beroep op noodweer niet kan slagen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor beide feiten vrijspraak bepleit, nu verdachte handelde in reactie op de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lichaam doordat aangever [slachtoffer 2] verdachte in zijn gezicht sloeg. Volgens de verdediging voldeed de reactie van verdachte aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
Subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces, nu verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verkeerde in een toestand van hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door provocatie, schelden, discriminatie en fysiek geweld. Het handelen van verdachte was het directe gevolg van deze emotie.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Evenals de politierechter acht het hof niet bewezen dat verdachte een kopstoot en een knietje heeft gegeven aan [slachtoffer 1] . Wel heeft verdachte [slachtoffer 1] een vuistslag gegeven en heeft hij [slachtoffer 2] opgetild en op de grond gegooid. Ter zake van die handelingen heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Niet ter discussie staat dat verdachte aangever [slachtoffer 1] een vuistslag in het gezicht heeft gegeven en aangever [slachtoffer 2] heeft opgetild en tegen de grond heeft gegooid. Deze gedragingen heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bekend. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij deze handelingen heeft verricht in reactie op het gedrag van aangever [slachtoffer 2] , die hem een vuistslag in het gezicht gaf. Dit voorval heeft plaatsgevonden nadat verdachte op de markt in [plaats] met zijn PostNL bus tegen een parasol van marktkoopman [naam] aanreed en hierover, daarop aangesproken, met die [naam] op een onvriendelijke manier in discussie raakte. Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – ook als verkopers op de markt aanwezig – zijn naar het opstootje toegelopen en mengden zich in de discussie, waarbij zij zich beiden in woord tegen verdachte keerden.
Uit het dossier blijkt dat ondertussen, naast aangevers, meerdere andere personen naar het opstootje toe waren gelopen, betrokken waren bij de discussie en om verdachte heen waren komen staan. Verdachte raakte omsingeld. Verschillende getuigen verklaren dat door verdachte en de overige aanwezigen over en weer naar elkaar werd geschreeuwd en gescholden. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard over de ontstane stemming dat het wachten was tot iemand zou beginnen met slaan.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G. Krist, griffier,
en op 4 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.