Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-27
ECLI:NL:GHARL:2025:6642
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,765 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.639/01
CJIB-nummer
: 250985699
Uitspraak d.d.
: 27 oktober 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 196,88. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 749,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, beperkt zich tot de grond inhoudende dat de kantonrechter bij het toekennen van de proceskostenvergoeding ten onrechte het tarief uit 2024 heeft toegepast, terwijl de beslissing van de kantonrechter in 2025 is gewezen.
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie tweemaal met 25 procent gematigd, omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden alsmede het verzoek om een proceskostenvergoeding toegewezen. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de kantonrechter in totaal twee punten toegekend. Gelet op de aard van de zaak heeft de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. De kantonrechter heeft de officier van justitie veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 749,50 (= (1 x € 624,- x 0,5) + (1 x € 875,- x 0,5)).
3. De aangevoerde grond omtrent de beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding slaagt. De kantonrechter heeft op 2 april 2025 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. De waarde per punt bedroeg op die datum voor het administratief beroep € 647,- en voor het beroep € 907,-. Er is geen overgangsrecht vastgesteld. De datum van de beslissing is bepalend voor de hoogte van de waarde per punt.
4. Het hof stelt vast dat, nu de betrokkene in het gelijk is gesteld, een grondslag bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De betrokkene heeft, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, in casu zelf administratief beroep ingesteld. De kantonrechter had reeds om die reden geen proceskostenvergoeding behoeven toe te kennen voor het indienen van het administratief beroepschrift. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. In de tussenuitspraak van de kantonrechter van 6 november 2024 is vermeld dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter van 23 oktober 2024 is verschenen en in de uitspraak van de kantonrechter van 2 april 2025 is vermeld dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter van 19 maart 2025 is verschenen. Nu de kantonrechter in zijn beslissing van 2 april 2025 in het kader van de toekenning van een proceskostenvergoeding echter heeft overwogen dat de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen en de gemachtigde dat niet heeft betwist, gaat het hof ervan uit dat de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen. Gelet op de aard van de zaak is de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) van toepassing. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakte proceskosten € 453,50 (= 1 x € 907,- x 0,5).
5. Naar het oordeel van het hof bestaat in casu een grondslag voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. De gemachtigde heeft het rechtsmiddel van hoger beroep moeten aanwenden om een juiste proceskostenvergoeding vastgesteld te krijgen. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, is de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) van toepassing. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, in ogenschouw nemend het arrest van het hof van 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6116, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 22,68 (= (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1)).
6. Gelet op het voorgaande komt in casu in totaal voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 476,18 (= € 453,50 + € 22,68).
7. Het vorenstaande betekent dat de kantonrechter, die weliswaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding te lage waarden per punt heeft gehanteerd, maar ten onrechte een vergoeding heeft toegekend voor het indienen van het administratief beroepschrift, een hogere proceskostenvergoeding heeft toegekend dan waarop de betrokkene aanspraak kon maken in beroep bij de kantonrechter en kan maken in hoger beroep. Het hof zal met het oog op het verbod van reformatio in peius de beslissing van de kantonrechter in stand laten zodat de betrokkene niet in een nadeliger positie wordt gebracht dan waarin deze zou hebben verkeerd indien hij geen hoger beroep zou hebben ingesteld (vgl. de arresten van het hof van 27 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6722 en 13 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:89). Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.
8. Het hiervoor overwogene leidt tot de navolgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.