Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-03
ECLI:NL:GHARL:2025:524
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,178 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.444/01
CJIB-nummer
: 249223071
Uitspraak d.d.
: 3 februari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Hierbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 januari 2025. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene - ook nadat hem daartoe een nieuwe termijn was verleend - geen zekerheid heeft gesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is.
2. De betrokkene voert aan dat hij de zekerheidsstelling niet wilde betalen, omdat hij de boete onterecht vindt. Verder voert hij aan dat hij in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer heeft gevoerd. De uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter waarop zijn financiële situatie zou worden behandeld heeft de betrokkene niet ontvangen, omdat deze naar zijn oude adres was verzonden. De betrokkene heeft zijn adreswijziging destijds doorgegeven bij de gemeente en ging ervan uit dat de rechtbank ook op de hoogte was van zijn nieuwe adres.
3. Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Zekerheidstelling is een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter. Dat betekent dat de kantonrechter de bezwaren tegen de oplegging van de administratieve sanctie pas kan behandelen, wanneer een betrokkene zekerheid heeft gesteld. De verplichting om zekerheid te stellen loopt niet vooruit op de vraag of een betrokkene een gedraging heeft verricht. Ook als de betrokkene de sanctie niet terecht vindt, moet zekerheid worden gesteld.
4. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift aan de kantonrechter d.d. 14 december 2022 een draagkrachtverweer gevoerd. Bij brief van 20 december 2023 is de betrokkene opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 26 januari 2024, waar hij kon toelichten waarom het stellen van zekerheid zijn financiële positie te boven gaat. Deze brief is geadresseerd aan het in het zaakoverzicht vermelde adres, te weten [adres1] , [plaats1] .
7. Op de zitting van 26 januari 2024, waarop de betrokkene niet is verschenen, heeft de kantonrechter geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding is om het bedrag van de zekerheidsstelling te verlagen en heeft hij de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van die beslissing alsnog het volledige bedrag van de zekerheidsstelling te voldoen. De tussenbeslissing van de kantonrechter is bij brief van 15 februari 2024 verzonden naar de betrokkene. Deze brief is wederom geadresseerd aan het adres [adres1] , [plaats1] .
8. Nadat deze brief onbestelbaar retour was gekomen, heeft de griffier van de rechtbank de Basisregistratie Personen (BRP) geraadpleegd en geconstateerd dat de betrokkene sinds 25 juli 2023 staat ingeschreven op het adres [adres2] , [woonplaats] . Bij brief van 19 februari 2024 heeft de griffier van de rechtbank de tussenbeslissing van de kantonrechter naar dit adres verzonden. Op 29 februari 2024 is bij de griffie van de rechtbank een brief van de betrokkene binnengekomen, waarin hij aangeeft dat hij de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter van 26 januari 2024 nooit heeft ontvangen en dat hij wil worden uitgenodigd voor een nieuwe zitting.
9. Bij beslissing van 19 april 2024 heeft de kantonrechter - zonder de betrokkene uit te nodigen voor een nieuwe zitting - het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de gestelde termijn zekerheid heeft gesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is.
10. Uit de raadpleging van het BRP-register is gebleken dat de betrokkene ten tijde van het versturen van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter op 26 januari 2024 al stond ingeschreven op zijn nieuwe adres. De kantonrechter was dus voorafgaand aan het wijzen van zijn (eind)beslissing ervan op de hoogte dat de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter naar het verkeerde adres was gestuurd en de betrokkene daardoor niet heeft bereikt. Voorts heeft de betrokkene binnen de hem in de tussenbeslissing van de kantonrechter geboden termijn verzocht om een nieuwe zitting. Hoewel het op de weg van de betrokkene - die tijdens de procedure is verhuisd - had gelegen om zijn adreswijziging door te geven aan de rechtbank, is het hof van oordeel dat uit de eisen van een zorgvuldige procesvoering voortvloeit dat de kantonrechter in de bovengenoemde omstandigheden aanleiding had moeten zien om de betrokkene uit te nodigen voor een nieuwe zitting om hem in de gelegenheid te stellen zijn draagkrachtverweer te onderbouwen. Dat heeft de kantonrechter niet gedaan. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld bestaat er geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de reiskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 62,40 ( [woonplaats] - Leeuwarden v.v.).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.