Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-08-22
ECLI:NL:GHARL:2025:5199
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003546-24 Uitspraak d.d.: 22 augustus 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen ) van 13 augustus 2024 met parketnummer 96-235108-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de eerder opgelegde strafbeschikking vernietigd en verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 100,-, te vervangen door twee dagen hechtenis. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 mei 2022 te [plaats] , niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht / het Wetboek van Strafvordering / het Wetboek van Strafrecht; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte aangevoerd dat de plicht zijn identiteitsbewijs te laten zien strijd oplevert met het nemo tenetur beginsel. Als verdachte mag je ervoor kiezen niet mee te werken en bijvoorbeeld weg te rennen, maar wanneer de verbalisant dan vraagt om een identiteitsbewijs moet je wel meewerken, omdat niet meewerken in dat geval strafbaar is. Op die wijze is feitelijk sprake van strijd met het nemo tenetur beginsel. Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte met een mobiele telefoon de binnenplaats van het politiebureau aan de [straat] in [plaats] aan het filmen was. Verdachte wordt gezien door een verbalisant, die beschrijft dat op de binnenplaats onder meer privévoertuigen van politiemensen staan en dat filmen van politiemensen een actueel thema is. De verbalisant vraagt verdachte wat hij aan het doen is en verdachte reageert dat hij het interessant vindt om een politiebureau en politiemensen te filmen. Op de vraag wat hij met de filmpjes gaat doen, laat verdachte weten deze misschien op YouTube te gaan delen. De verbalisant vraagt verdachte naar een identiteitsbewijs. Verdachte zegt dit niet bij zich te hebben. De verbalisant vraagt verdachte of hij zich op andere wijze kan legitimeren. Verdachte reageert dat hij dat niet kan en dat hij ook geen identiteitsbewijs hoeft af te geven aan de verbalisant. De verbalisant vordert vervolgens een identiteitsbewijs van verdachte op grond van artikel 8a van de Politiewet 2012. Verdachte weigert, waarop de verbalisant verdachte aanhoudt voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het eerste lid van artikel 8 van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van de politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs al