Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-08-15
ECLI:NL:GHARL:2025:5085
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,237 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000664-24
Uitspraak d.d.: 15 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 29 januari 2024 met parketnummer 18-162689-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen moet worden tot een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van drie jaren wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met betrekking tot [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , met 14 dagen vervangende hechtenis voor elke overtreding van de maatregel, met een maximale totale duur van de vervangende hechtenis van zes maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Elzinga, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte bij vonnis van 29 januari 2024 vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde en heeft de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is in hoger beroep ingetrokken en derhalve niet meer aan de orde. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is in hoger beroep gehandhaafd en derhalve wel opnieuw aan de orde.
Het hof zal opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1 hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [benadeelde 2] met een ploertendoder en/of een maclight, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd te slaan terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 2] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 2] met kracht met een ploertendoder en/of een maclight, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd te slaan;
2hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door bestaande hierin dat verdachte toen aldaar, zich bevindende op enige/korte afstand van die [benadeelde 1] , opzettelijk dreigend een ploertendoder althans een hard voorwerp, in de richting van die [benadeelde 1] heeft gehouden/getoond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde
De verdachte wordt onder feit 1 primair en subsidiair kortgezegd verweten dat hij heeft gepoogd aangever [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hem te hebben mishandeld, door [benadeelde 2] tegen het hoofd te slaan met een hard voorwerp.
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde is vereist dat komt vast te staan dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop gericht is geweest.
Het hof stelt allereerst vast dat uit het dossier niet zonder meer blijkt dat het de verdachte erom te doen is geweest om [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Maar opzet, in dit geval in voorwaardelijke zin, op een bepaald gevolg, zoals hier zwaar lichamelijk letsel, is ook aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond om de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Algemene regels over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, kunnen niet worden gegeven, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat er op 8 oktober 2021 een handgemeen is geweest tussen de verdachte en [benadeelde 2] . Beide partijen hebben hier letsel aan overgehouden.
Naar het oordeel van het hof is de enkele vaststelling dat de verdachte met enig hard voorwerp tegen het hoofd van [benadeelde 2] zou hebben geslagen niet zonder meer voldoende om vast te kunnen stellen dat de verdachte daarmee een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Dat zou anders kunnen zijn, indien op grond van het dossier meer zou kunnen worden vastgesteld omtrent de kracht waarmee tegen het hoofd van [benadeelde 2] zou zijn geslagen. Ten aanzien van [benadeelde 2] wordt in de medische verklaring gemeld “man loopt goed helder en alert”, “hoofdwond bloed niet meer snijwond op het hoofd van ong 4 cm., kan prima geplakt worden”. Het hof overweegt dat uit dit relatief geringe letsel niet zonder meer voortvloeit dat er met zodanige kracht tegen het hoofd van [benadeelde 2] is geslagen dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Nu ook overige stukken in het dossier geen concrete steun bieden voor het met kracht slaan op het hoofd van [benadeelde 2] , kan het hof dit op grond van het dossier niet vaststellen. Dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad, kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het hof zal de verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde
Het hof is van oordeel dat zich in het dossier een selectie van bewijsmiddelen bevindt op grond waarvan door daaruit passages te kiezen in beginsel voldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. Z.J. Oosting, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.I. Buitenhuis, griffier,
en op 15 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.