Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-04
ECLI:NL:GHARL:2025:4467
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,008 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2025:4467 text/xml public 2026-03-06T14:57:14 2025-07-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-07-04 21-001601-24 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4467 text/html public 2026-03-06T12:18:17 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:4467 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 04-07-2025 / 21-001601-24 Bevestiging van het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafmaat. Vernietiging van het vonnis ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de gronden ten aanzien van de strafmaat aangevuld. Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod als maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001601-24 Uitspraak d.d.: 4 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-102019-21 en 18-142845-21, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende te [adres 1] . Het hoger beroep Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de rechtbank; veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 (openlijke geweldpleging) en 2 (beïnvloeding van een getuige) tenlastegelegde; toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zonder oplegging van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr zoals door aangever [slachtoffer] is verzocht; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 3.116,85, bestaande uit € 1.116,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadslieden, mr. C.T. Pittau en mr. D.S. de Waard, de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , mr. E.G. ten Have, en de advocaat van aangever [slachtoffer] , mr. N. Schaap, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank: verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld en toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 9a Sr; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 3.501,85, bestaande uit € 1.501,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de gevorderde immateriële schade voor het overige deel afgewezen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafmaat op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis in zoverre bevestigen. Wel zal het hof, gelet op het door mr. N. Schaap namens aangever [slachtoffer] verzochte contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr, de gronden ten aanzien van de strafmaat aanvullen. Het hof komt ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing, zodat het hof het vonnis in zoverre zal vernietigen en opnieuw recht doet. Aanvullende overweging in verband met de strafmaat Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank onder het kopje ‘strafmotivering’ als volgt. Contact- en locatieverbod Aangever [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een verzoek ingediend tot het opleggen van een locatieverbod ten aanzien van verdachte voor het gebied van een straal van 800 meter rondom zijn woning aan de [adres 2] [plaats] en een contactverbod. Door de raadsvrouw van aangever is verzocht de verboden op te leggen op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank is niet tot oplegging van beide verboden overgegaan en heeft aangever [slachtoffer] op dit punt niet-ontvankelijk verklaard. Aangever heeft de beide verzoeken in hoger beroep gehandhaafd omdat hij verwacht dat een uitspraak in hoger beroep aanleiding zal zijn voor nieuwe contactmomenten geïnitieerd door verdachte. Het hof stelt vast dat de genoemde verzoeken niet onder de reikwijdte van een vordering tot schadevergoeding vallen, maar verzoeken betreffen tot het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Om die reden gaat het hof – anders dan de rechtbank – op beide verzoeken in onder de motivering van – kort gezegd – de strafmaat en vult de motivering van de rechtbank op dit punt aan. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat aangever [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Sinds de behandeling van de zaak bij de rechtbank in het voorjaar van 2024 hebben zich geen incidenten voorgedaan tussen aangever en verdachte. Een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr is dermate ingrijpend dat de huidige motivering tekortschiet en nadere onderbouwing vereist. Oordeel van het hof Het hof ziet, net als de advocaat-generaal en de verdediging, geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod als maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Er is een aanzienlijke tijd verstreken sinds het incident in 2020 heeft plaatsgevonden en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat verdachte de afgelopen periode rechtsreeks contact heeft gezocht met aangever [slachtoffer] of zich in de buurt van zijn woning heeft opgehouden. De angst van aangever [slachtoffer] dat dit na onherroepelijk worden van de uitspraak van dit hof mogelijk anders kan zijn, acht het hof onvoldoende om tot oplegging van voornoemde maatregel over te gaan. Er zijn dan ook onvoldoende redenen voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod in de vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v Sr, zodat het hof daartoe niet over gaat. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Ter achtergrond Op 16 augustus 2020 heeft aan de [adres 2] bij de woning van [slachtoffer] een geweldsincident plaatsgevonden. Het hof bevestigt in dit arrest de bewezenverklaring van de rechtbank dat verdachte zich daar samen met zijn vader schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde] . Als gevolg van de geweldsexplosie aldaar is verdachte’s vader - [naam] – overleden. Onder andere en zijn zoon [slachtoffer] zijn hiervoor vervolgens vervolgd. [benadeelde] is in hoger beroep uiteindelijk vrijgesproken, [slachtoffer] is veroordeeld voor doodslag. De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding in verband met de onder 1 aan verdachte ten laste gelegde openlijke geweldpleging (parketnummer 18-102019-21). Deze bedraagt in totaal € 6.501,85, bestaande uit € 1.501,85 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.501,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt verdediging De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Aangezien er veel onduidelijkheid bestaat over het incident, zou een beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.