Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-24
ECLI:NL:GHARL:2025:3830
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
2,563 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.353.833
(zaaknummer rechtbank: Overijssel, zittingsplaats Almelo: 329121)
arrest van 24 juni 2025
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
hierna: [verzoekster]
advocaat: mr. Şeker
Procesverloop
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 22 april 2025 het verzoek van [verzoekster] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.
Procesverloop
2.1.
Bij (op 25 april 2025 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 april 2025. De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat zij alsnog zal worden toegelaten tot de wsnp.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van het door mr. Şeker op 22 mei 2025 ingediende proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025. Hierbij is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door mr. Şeker. Verder is mevrouw [beschermingsbewindvoerder] namens Stadsbank Oost Nederland (hierna: de beschermingsbewindvoerder) verschenen, vergezeld door haar collega mevrouw [naam1] .
3De toelichting op de beslissing van het hof
Feiten
3.1.
[verzoekster] , 39 jaar oud, is alleenstaand. In verband met co-ouderschap wonen haar twee minderjarige kinderen om de week bij [verzoekster] in haar huurwoning. [verzoekster] ontvangt een WAJONG uitkering van ongeveer € 1.100,- netto per maand. Daarnaast ontvangt zij een klein bedrag per maand aan inkomsten uit arbeid. Vanwege een beperking kan zij niet (meer dan dat) werken. Sinds 1 mei 2023 staat [verzoekster] onder beschermingsbewind.
3.2.
[verzoekster] heeft volgens de overgelegde crediteurenlijst iets meer dan € 16.000,- aan schulden. Tot deze schulden behoren onder andere een schuld aan het Instituut Voor Mentale Vitaliteit (hierna: IVMV) van € 9.037,69 en twee schulden aan Kedin van € 1.444,34 en € 1.123,01.
3.3.
Volgens [verzoekster] zijn de schulden ontstaan omdat zij een te hoog uitgavenpatroon had en het lastig vond om haar betalingen te prioriteren. Daar kwam bij dat [verzoekster] op enig moment mentale klachten heeft gekregen door een traumatische gebeurtenis.
3.4.
De rechtbank heeft het verzoek van [verzoekster] tot toelating tot de wsnp afgewezen omdat [verzoekster] volgens de rechtbank niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuld aan IVMV, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b Fw, in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. [verzoekster] heeft namelijk volgens de rechtbank de schuld aan IVMV doelbewust laten ontstaan door een aan haar uitgekeerd verzekeringsbedrag, dat bedoeld was om de zorgfactuur van IVMV te betalen, niet voor dat doel te gebruiken. Dat gedrag is niet alleen frauduleus maar ook verwijtbaar volgens de rechtbank, omdat [verzoekster] op het moment van het ontstaan van de schuld wist dat zij deze niet zou kunnen aflossen.
De goede trouw
3.5.
Op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw is het aan [verzoekster] om aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [verzoekster] moet aan de hand van stukken inzichtelijk maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, maar ook wanneer de schulden zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn.
3.6.
Volgens [verzoekster] heeft de rechtbank ten onrechte de schuld aan IVMV gerekend tot een schuld die binnen de hiervoor bedoelde driejaarstermijn valt. Volgens haar moet bij de toepassing van die termijn uitgegaan worden van de datum van de factuur van IVMV, in dit geval 15 januari 2022. Het verzoekschrift is op 17 februari 2025 ingediend bij de rechtbank en dus valt de schuld aan IVMV buiten de driejaarstermijn, aldus [verzoekster] .
3.7.
Het hof volgt [verzoekster] hierin niet. De goede trouw ziet namelijk niet alleen op het ontstaan van de schulden, maar ook op het onbetaald laten daarvan. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is naar voren gekomen dat [verzoekster] omstreeks 20 april 2022 (dus binnen de driejaarstermijn) het bedrag voor de factuur van IVMV van haar zorgverzekering op haar eigen bankrekening heeft ontvangen. Dat geld was bestemd om de factuur van IVMV te betalen die zag op de behandeling van [verzoekster] . [verzoekster] heeft echter het ontvangen bedrag uitgegeven aan andere zaken zoals een Chromebook, uitjes voor de kinderen en de dagelijkse boodschappen. Het hof vindt het – gelet op de omstandigheden waarin [verzoekster] op dat moment verkeerde – ongelukkig dat zij zelf het bedrag op haar bankrekening heeft gekregen in plaats van dat haar zorgverzekering het rechtstreeks aan IVMV heeft betaald, maar dat neemt niet weg dat [verzoekster] met dat geld niet de schuld aan IVMV heeft betaald, terwijl zij dat wel had moeten doen. Anders dan de rechtbank merkt het hof dat niet aan als frauduleus gedrag, omdat zij het geld op zichzelf terecht had ontvangen van haar zorgverzekering. Het onbetaald laten van haar schuld aan IVMV maakt echter dat niet gezegd kan worden dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest binnen de driejaarstermijn voorafgaand aan haar wsnp-verzoek.
De hardheidsclausule
3.8.
Haar verzoek om toegelaten te worden tot de wsnp kan op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule). [verzoekster] moet bij toepassing van deze clausule aantoonbaar de oorzaak van de problematiek onder controle hebben gekregen. Daarbij is in het algemeen vereist dat zij een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt waaruit blijkt dat zij grip heeft gekregen op de omstandigheden die haar in financiële problemen hebben gebracht. Met andere woorden: er dient sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
3.9.
Volgens het hof is voldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij van zichzelf weet dat ze een gat in haar hand heeft. Ze wilde van haar schulden af en was zich ervan bewust dat ze moest veranderen. Hoewel [verzoekster] het lastig vond om de controle uit handen te geven, heeft ze zelf hulp gezocht in de vorm van beschermingsbewind. Sinds 1 mei 2023 staat [verzoekster] onder beschermingsbewind en sindsdien zijn geen nieuwe schulden ontstaan. Al langere tijd heeft [verzoekster] haar financiën goed op orde, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat inmiddels € 5.165,75,- op de beheerrekening staat, waarvan € 2.000,- is weggezet in verschillende ‘spaarpotjes’ voor verschillende doeleinden. [verzoekster] is verder voornemens het beschermingsbewind, dat mede vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand is ingesteld, ook na de wsnp voort te zetten. Verder heeft [verzoekster] aangegeven dat zij hulp heeft gezocht voor haar mentale klachten. Nadat de behandeling bij IVMV noodgedwongen is gestopt omdat het zorgcontract tussen IVMV en de verzekeraar van [verzoekster] werd beëindigd, heeft [verzoekster] andere (ambulante) begeleiding gevonden en staat zij op een wachtlijst voor verdergaande behandeling. De beschermingsbewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij positief is over de inzet van [verzoekster] en heeft haar vertrouwen in [verzoekster] uitgesproken. Al met al is het hof van oordeel dat [verzoekster] een duidelijk positieve gedragsverandering heeft laten zien door hulp te zoeken voor zowel haar financiële als mentale problematiek en door zich welwillend op te stellen ten opzichte van de beschermingsbewindvoerder.
De aanvang van de termijn van de wsnp
3.10.
Op grond van artikel 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de wsnp anderhalf jaar. Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp, of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw (het alternatieve aanvangsmoment).
3.11.
Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers.
Dictum
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 april 2025 en, opnieuw recht doende:
- verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [verzoekster] , met 23 september 2024 als aanvangsmoment.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, M.P.M. Hennekens en G.J. Meijer, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913