Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-20
ECLI:NL:GHARL:2025:3737
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,812 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.285/01
CJIB-nummer
: 255418912
Uitspraak d.d.
: 20 juni 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 310,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehand. parkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 januari 2023 om 22:43 uur op de Kruisstraat in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene van meet af aan de gedraging ontkent en betwist dat sprake was van parkeren. Hij was de eenrichtingsweg van de verkeerde kant ingereden en wilde hiervoor keren. Er kwamen echter tegenliggers aan waardoor de betrokkene op de gehandicaptenparkeerplaats is gaan staan, zodat het verkeer er langs kon. Op dat moment kwam de politie langs en is de betrokkene staandegehouden. De ambtenaar verklaart in het zaakoverzicht dat een vrouw uit de nachtwinkel kwam en bij betrokkene instapte. Deze gedraging staat echter los van het keren van betrokkene, hij was namelijk op zoek naar een parkeerplaats om op zijn vrouw te wachten, waarbij hij per ongeluk tegen het verkeer in reed. Dat de vrouw iets anders heeft aangegeven, doet daar niet aan af. Zij is niet staandegehouden. Aan haar verklaring komt dan ook geen betekenis toe. De omstandigheid dat zij instapte en dat de betrokkene eveneens een sanctie heeft ontvangen voor het tegen de richting inrijden in de eenrichtingsweg, toont te meer aan dat geen sprake is van parkeren.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E6 RVV 1990 aangeduide gehandicaptenparkeerplaats. Ik heb geen geldige gehandicaptenparkeerkaart waargenomen in het voertuig. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer
5 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen dan wel het in of uit laten stappen van personen. Betrokkene gaf aan dat hij wilde keren. 5 min later kwam echter een vrouw uit de nachtwinkel en stapte in. Ze gaf aan dat hij alleen maar op haar aan het wachten was. (…)Verklaring betrokkene: Ik wilde keren en stond stil om het verkeer voor te laten gaan.”
5. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat aan de verklaring van de vrouw van de betrokkene geen waarde kan worden gehecht omdat zij niet is staandegehouden overweegt het hof het volgende. Op basis van vaste jurisprudentie van het hof mag een verklaring van de betrokkene niet gebruikt worden voor het aannemelijk achten dat de gedraging is verricht, als de betrokkene niet de cautie is gegeven voorafgaand aan het afleggen van de verklaring. Dit geldt echter niet voor de verklaring van een passagier van het voertuig (niet zijnde de betrokkene).
6. Gelet op het voorgaande kan aan het feit dat de ambtenaar de vrouw van de betrokkene niet heeft staandegehouden en niet de cautie heeft gegeven niet de betekenis toekomen dat haar in het zaakoverzicht opgenomen verklaring niet -ten nadele van de betrokkene- kan worden betrokken bij de vaststelling of de gedraging is verricht.
7. Namens de betrokkene wordt niet betwist dat zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats stond en de betrokkene niet in het bezit is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart. De betrokkene betwist echter dat hij op deze plek heeft geparkeerd, omdat hij op de parkeerplaats was gaan staan om tegenliggend verkeer langs te laten, waarna hij wilde keren. Voor de vaststelling of de gedraging is verricht is van belang om vast te stellen of de betrokkene al dan niet heeft geparkeerd.
8. Artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) verstaat onder parkeren: “Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”
9. De stelling van de betrokkene dat hij op de parkeerplaats stond om te gaan keren vindt rechtstreekse weerlegging in de waarneming en de verklaring van de ambtenaar dat door hem gedurende ongeveer 5 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig zijn waargenomen. Het hof ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Gelet op het vorenstaande was er sprake van parkeren en kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Niet is gebleken van redenen om een sanctie achterwege te laten.
10. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
vgl. het arrest van het hof van 28 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11406