Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-28
ECLI:NL:GHARL:2025:3590
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,101 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000722-25
Uitspraak d.d.: 28 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen ) van 6 februari 2025 met parketnummer 18-366291-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
[verdachte] heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van [verdachte] ter zake het tenlastegelegde.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door [verdachte] en haar raadsvrouw,
mr. N.D. Spijker, naar voren is gebracht.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van [verdachte] en de raadsvrouw.
Het vonnis waarvan beroep
De kantonrechter heeft bij vonnis van 6 februari 2025 [verdachte] ter zake van overtreding van het bepaalde in artikel 4C, eerste lid van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar, met als bijzondere voorwaarden het volgen van onderwijs of het hebben van een dagbesteding en meewerken aan hulpverlening of behandeling, onder toezicht van de jeugdreclassering.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 5 september 2024 tot en met 26 september 2024 te [plaats] , meermalen, althans eenmaal, als jongere, die als leerling, vavo-student of mbo-student van een school of instelling, te weten [naam school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan haar verplichting het volledige onderwijsprogramma, het volledige programma van de combinatie leren en werken en/of het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid en/of 2.107I, tweede lid en/of 2.100, eerste lid en/of 2.109, derde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door die school of instelling werd aangeboden, te volgen, terwijl ten aanzien van haar de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was beëindigd en zij de leeftijd van 18 jaar niet had bereikt en zij geen startkwalificatie had behaald.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat [verdachte] in de periode van 5 september 2024 tot en met 26 september 2024 niet heeft voldaan aan haar verplichting om, overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, het volledige onderwijsprogramma dat door haar [naam school] werd aangeboden te volgen.
Voor [verdachte] bestond die verplichting namelijk niet, omdat haar blijkens de brief van de Gemeente [plaats] van 27 mei 2025, op grond van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet, met terugwerkende kracht, een vrijstelling is verleend voor het volgen van het onderwijsprogramma voor het schooljaar 2024-2025.
Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 28 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.