Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-11
ECLI:NL:GHARL:2025:3587
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,966 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000128-25
Uitspraak d.d.: 11 juni 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 17 oktober 2024 met parketnummer 18-146651-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [in] 1975,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende:
bewezenverklaring van het tenlastegelegde en
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 30 uren, bij niet verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De kantonrechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, bij niet verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens – kort gezegd – overtreding van de Leerplichtwet, door er niet voor te zorgen dat zijn zoon en dochter als leerlingen van een school stonden ingeschreven.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2023 tot en met 5 april 2024 te [plaats 1] , althans in de [gemeente] , althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongeren: [naam 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 en/of [naam 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de vormelde jongeren had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren als leerling van een school, stonden ingeschreven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft aangevoerd dat de kinderen van de verdachte in de tenlastegelegde periode niet als leerlingen stonden ingeschreven op een school terwijl beide kinderen leerplichtig waren. De verdachte komt geen beroep toe op het ‘gewijzigde’ vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie waarin – kort gezegd – is besloten om geen zaken meer te vervolgen waarbij er door de leerplichtambtenaar geen vrijstelling is verleend vanwege richtingsbedenkingen tegen scholen op basis van geloofsovertuiging of levensopvatting van de ouders.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde gedraging. De verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de levensbeschouwing die wordt nagestreefd uitgaat van het intrinsieke van de mens. Iedereen leert uit zichzelf en kiest zijn eigen richting in wat iemand wil leren zonder sturing van buitenaf. Er is geen school die voldoet aan deze richting.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de kinderen van de verdachte van 26 september 2022 tot de tenlastegelegde periode stonden ingeschreven op een school, te weten [naam school] in [plaats 2] . De verdachte heeft verklaard dat de kinderen van school zijn gehaald omdat [naam school] niet veilig meer was voor de kinderen. De kinderen zijn per 1 augustus 2023 van de school uitgeschreven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte als voorbeeld genoemd dat één docent voor een grote groep kinderen stond. Er was onvoldoende toezicht op de kinderen waardoor er onveilige situaties zijn ontstaan. Er waren onvoldoende docenten om de kinderen te begeleiden. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigend geantwoord op de vraag of de kinderen nog op [naam school] hadden gezeten als er voldoende docenten waren.
Gelet op de verklaring van de verdachte is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onderbouwing van het standpunt dat vanwege de naar verdachte bestaande overtuigende levensopvatting die zou vallen onder richtingsbezwaren, hem een vrijstelling zou toekomen van de verplichting om de kinderen in te schrijven op een school. Op grond van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht is [naam school] passend bij de levensopvatting van de ouders. Naar eigen zeggen zijn de ouders na onderzoek in het bijzonder uitgekomen bij deze school. De reden dat de kinderen nu niet meer staan ingeschreven bij [naam school] is gelegen in redenen van praktische aard, te weten dat de school niet veilig zou zijn (geweest) voor de kinderen. Op grond van voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte geen vrijstelling toekomt op grond van richtingsbezwaren en dat de verdachte zijn kinderen verwijtbaar niet heeft ingeschreven. Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Daarnaast merkt het hof het volgende op. Vrijstelling van de Leerplichtwet op grond van bedenkingen tegen de richting van verschillende scholen kan niet meer worden verkregen nadat een kind eenmaal -verplicht of onverplicht- ingeschreven is geweest op een school waartegen nadien bedenkingen worden geuit. Een dergelijke inschrijving brengt met zich mee dat voor de tenlastegelegde periode geen geldige verklaring omtrent het bestaan van bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet, kan worden gedaan. Dit staat in de weg aan een beroep op vrijstelling op grond van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet (HR 18 juni 2019: ECLI:NL:HR:2019:960).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. L.J. Hofstra en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 11 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.