Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-10
ECLI:NL:GHARL:2025:3547
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
961 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000999-24
Uitspraak d.d.: 10 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juni 2000 met parketnummer 18-073018-99 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
ingeschreven op het [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 mei 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M.J. Flach, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdachte wordt verdacht van een tweetal gevallen van valsheid in geschrifte, het onder 1 en 3 ten laste gelegde, en een opzettelijke schending van artikel 10 lid 1 Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (hierna: Csv) (het onder 2 ten laste gelegde).
Op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt valsheid in geschrifte bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Op grond van artikel 18 lid 2 Csv wordt opzettelijke overtreding van artikel 10 lid 1 Csv bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.
Uit artikel 70, eerste lid en onder sub 3 Sr vloeit voort dat het recht tot strafvordering door verjaring vervalt na twaalf jaren voor misdrijven waarvan de maximum gevangenisstraf tussen de drie en acht jaren gelegen is. Dit is voor de drie ten laste gelegde feiten het geval. De termijn van verjaring vangt bij feiten zoals in deze zaak aan de orde, op grond van artikel 71, onder sub 1 Sr aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, dan wel de dag na het gebruik van de valsheid ex artikel 71, onder sub 2 Sr dan wel vanaf de datum dat de verjaring door een daad van vervolging is gestuit, zoals bepaald in artikel 72 Sr. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 22 juni 2000. Het vonnis is pas op 26 februari 2024 aan de verdachte in persoon betekend. Uit het dossier blijkt niet van een daad van vervolging in de periode tussen het wijzen van het vonnis en het betekenen van het vonnis, die de verjaring heeft gestuit. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof op 27 mei 2025 bevestigd dat er geen sprake is van handelingen die de verjaring hebben gestuit. Dit brengt met zich dat het recht op vervolging ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten is verjaard op 22 juni 2012. Het hof zal om die reden het openbaar ministerie ten aanzien van de genoemde drie feiten niet-ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter,
mr. A.F. van Kooij en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van W.F. Veenstra, griffier,
en op 10 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.