Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-28
ECLI:NL:GHARL:2025:3278
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,911 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.391/01
CJIB-nummer
: 260166627
Uitspraak d.d.
: 28 mei 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 8 november 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats1] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 mei 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is voldaan aan de verplichting tot het stellen van zekerheid en geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het niet voldoen aan die verplichting de betrokkene niet kan worden toegerekend.
2. De gemachtigde, de echtgenoot van de betrokkene, voert in dit verband aan dat hij in reactie op de zekerheidsbrieven gemotiveerd heeft uitgelegd dat er echt niet door hem of zijn echtgenote kan worden betaald. Hij ontvangt een AOW-uitkering. Verder brengt de gemachtigde naar voren dat er in de Grondwet staat dat een verdachte niet kan worden veroordeeld zonder bewijs van enig strafbaar feit en er niks is vermeld over het stellen van zekerheid. Bovendien weet de gemachtigde uit ervaring dat het stellen van zekerheid voor justitie betekent dat als het bedrag is voldaan, de zaak gesloten is.
3. Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Zekerheidstelling is een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter. Dit betekent dat de kantonrechter de bezwaren tegen de oplegging van de administratieve sanctie pas kan behandelen, wanneer een betrokkene zekerheid heeft gesteld. De verplichting om zekerheid te stellen loopt niet vooruit op de vraag of een betrokkene een gedraging heeft verricht. Ook als de betrokkene de sanctie niet terecht vindt, moet zekerheid worden gesteld.
4. Voorts waarborgt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen. Indien hiervan sprake is, dan is het aan de betrokkene zelf om dit in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie of in reactie op de zekerheidsbrieven kenbaar te maken zodat de kantonrechter hierop kan responderen.
5. Bij brieven van 19 februari 2024, 4 april 2024, 22 april 2024 en 14 mei 2024 is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brief van 1 juni 2024 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van de verzending van die brief zekerheid te stellen.
6. Gelet op voormelde zekerheidsbrieven en onder verwijzing naar het arrest van het hof van 13 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2913, had de betrokkene, met inachtneming van de Algemene termijnenwet, uiterlijk op 24 juni 2024 zekerheid moeten stellen of kenbaar moeten maken dat wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kan worden gesteld.
7. In het dossier bevinden zich brieven van 13 mei 2024, 27 mei 2024, 30 mei 2024 en 3 juli 2024 van de gemachtigde waarin hij in stevige bewoordingen kortgezegd aangeeft dat hij en zijn echtgenote nietvan plan zijn om het bedrag van de zekerheid te voldoen omdat hem uit eerdere ervaringen is gebleken dat met het voldoen van het bedrag de zaak voor justitie is afgesloten en je verder nooit meer iets hoort. In de brief van 27 mei 2024 geeft de gemachtigde nog terloops aan dat de boete niet in verhouding staat tot de hoogte van de AOW-uitkering. Verder vermeldt de gemachtigde in de brief van 3 juli 2024 dat hij een AOW-uitkering ontvangt van € 1.200,- per maand en verzoekt hij om hem uit de brand te helpen.
8. Het hof stelt vast dat de (gemachtigde van de) betrokkene in de brieven van 13 mei 2024,
27 mei 2024 en 30 mei 2024 - anders dan hij zelf naar voren heeft gebracht - niet heeft aangegeven dat wegens financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag. De enkele opmerking in de brief van 27 mei 2024 dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat tot de AOW-uitkering heeft de kantonrechter, zoals de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal tijdens de zitting terecht naar voren heeft gebracht, niet hoeven aan te merken als draagkrachtverweer met het oog op de zekerheidstelling (vgl. het arrest van het hof van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5094).
9. Voor zover uit de hiervoor weergegeven opmerking in de brief van 3 juli 2024 al zou kunnen worden opgemaakt dat wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon worden gesteld, merkt het hof op dat dit pas na het verstrijken van de termijn van 24 juni 2024 naar voren is gebracht. Dit brengt mee dat de kantonrechter op deze brief geen acht heeft hoeven slaan. Van andere door de gemachtigde ter zitting genoemde, maar niet nader geconcretiseerde brieven is verder niets gebleken.
10. Nu de betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling en de (gemachtigde van de) betrokkene evenmin in reactie op de toegezonden brieven (tijdig) heeft aangegeven dat zij wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid konden stellen en niet gesteld of gebleken is dat een en ander verschoonbaar is, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft in dit geval tot dit oordeel kunnen komen zonder de betrokkene op een zitting te horen.
11. Het voorgaande brengt mee dat het hof, net als de kantonrechter, de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie niet kan behandelen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.