Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-27
ECLI:NL:GHARL:2025:3227
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
1,711 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.204
(zaaknummer rechtbank Gelderland 427457)
beschikking van 27 mei 2025
inzake
[verzoekster]
,
wonende in [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven,
en
[verweerder]
,
wonende in [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. L. de Groot.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 februari 2024, uitgesproken onder voornoemd zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 mei 2024;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. de Groot van 26 september 2024 met productie.
2.2
[de minderjarige1] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013.
over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over hen afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over hun kinderen te beëindigen en de moeder alsnog te belasten met het eenhoofdige gezag over de kinderen.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof is van oordeel dat in deze situatie geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen.
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen.
5.3
Tijdens de zitting heeft de moeder verklaard dat het op dit moment goed gaat met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen hebben al sinds 2018 geen contact meer met hun vader. De moeder heeft de dagelijkse zorg voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en heeft daarover geen contact of overleg met de vader. Niet is gebleken dat zij door toedoen van de vader niet goed in staat is [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft voor ingrijpender gezagsmaatregelen, zoals de aanvraag van een legitimatiebewijs en een reis naar het buitenland, de medewerking of toestemming van de vader gevraagd en gekregen. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit in de toekomst anders zal gaan.
5.4
Het hof ziet ook geen andere redenen die het in het belang van de kinderen noodzakelijk maken om het gezag alleen aan de moeder te laten. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat gezamenlijk gezag niet langer mogelijk zou zijn en een negatieve impact op de kinderen zou hebben.
[de minderjarige1] heeft het hof schriftelijk laten weten dat hij zijn vader al 7 jaren niet heeft gezien, zij elkaar niet kennen en de vader daarom geen beslissingen over hem kan nemen. Daarom wil hij dat zijn moeder alleen het gezag krijgt. Dat is een goed punt van [de minderjarige1] , maar is niet voldoende om het (mede)gezag bij de vader weg te halen.
5.5
Tussen de vader en de kinderen is geen contact maar de vader zou dit wel graag willen. Ook zou hij met hulp het overleg met de moeder weer op gang willen brengen. De moeder heeft ter zitting verklaard hiervoor niet open te staan. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling benoemd dat de uitoefening van het gezag los staat van het contact tussen de vader en de kinderen. Het ligt op de weg van de vader om hierin initiatief te nemen en op een positieve wijze interesse in de kinderen te tonen en op de weg van de moeder de kinderen te stimuleren hiervoor open te staan.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
16 februari 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en
E.H. Schijven-Bours, bijgestaan de griffier, en is op 27 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.