Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-23
ECLI:NL:GHARL:2025:3165
Strafrecht
Hoger beroep
2,273 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000920-24
Uitspraak d.d.: 23 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel (hierna: de politierechter) van 27 februari 2024 met parketnummer 08-066387-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het standpunt van verdachte en zijn raadsman, mr. R.W. van Faassen, eveneens strekkende tot vrijspraak van verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, en van hetgeen zij ter onderbouwing van dit standpunt naar voren hebben gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar veroordeeld ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.764,98, bestaande voor € 1.264,98 uit materiële en € 1.500,00 uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en beslissing op de vordering van de benadeelde partij komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 30 augustus 2020 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (zware) hersenschudding en/of blijvende littekens op het (voor)hoofd, heeft toegebracht, door hem meermalen, althans eenmaal, met glas in/op/tegen het hoofd te slaan;
subsidiairhij op of omstreeks 30 augustus 2020 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hem meermalen, althans eenmaal, met glas op/tegen het hoofd te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 30 augustus 2020 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde] heeft mishandeld door hem meermalen, althans eenmaal, met glas op/tegen het hoofd te slaan.
Vrijspraak
Uit het dossier blijkt dat er in de nacht van 30 augustus 2020, in de kelder van café [naam] te [pleegplaats] , ook wel de “shotgrot” genoemd, een besloten feest aan de gang was. Deze kelder betrof een vrij kleine donkere ruimte, zonder ramen, waar zich relatief veel jongeren bevonden en waar de verlichting op dat moment bestond uit discotheekverlichting. Zowel aangever en zijn vrienden als verdachte en zijn vrienden hebben zich bij het in de kelder aanwezige gezelschap gevoegd. Vervolgens is er, op enig moment gedurende de nacht, een discussie ontstaan tussen aanvankelijk enkel verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) aan de ene kant en aangever en getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) aan de andere kant. Verdachte heeft aangever en [getuige 1] namelijk, in bijzijn van [medeverdachte] , aangesproken omdat hij veronderstelde dat zij degene waren geweest die hem ongewenst bij zijn billen, over zijn broek heen, hadden aangeraakt en dat zij daarom aan het lachen waren. Tijdens de discussie liepen de emoties aan beide kanten hoog op en kwamen meerdere personen, waaronder eerst vrienden van verdachte, zich bij de discussiërende jongeren voegen. Vervolgens liep het gesprek dusdanig uit de hand dat diverse personen die behoorden tot de twee groepen die tegenover elkaar stonden, namelijk de groep van verdachte en zijn vrienden en de groep van aangever en [getuige 1] , elkaar begonnen te duwen en aan elkaar begonnen te trekken. Dit had het effect dat het overgrote deel van de overige aanwezigen zich ook in het aldus ontstane gevecht ging mengen (door zich te voegen aan de zijde van verdachte of aan de zijde van aangever, dan wel door te trachten de twee vechtende groepen uit elkaar te halen) of zich dicht op de vechtende groep jongeren ging begeven, waardoor er een vechtende kluwen mensen ontstond, waarbij er van de twee groepen over en weer sprake is geweest van (fysiek) geweld naar elkaar toe. Op een gegeven moment wordt het feestje stilgelegd, wordt de muziek uitgedaan, houdt het vechten op en gaan de lichten aan. Aangever heeft op dat moment een hevig bloedende verwonding aan zijn hoofd doordat hij tijdens het gevecht met glas in zijn gezicht, ter hoogte van zijn voorhoofd, is geslagen. Vrijwel direct daarna verlaat aangever, samen met zijn vrienden, de kelder via de trap naar boven, richting de begane grond van het café. Wanneer aangever en zijn vrienden uit zicht zijn, verlaten verdachte en zijn vrienden ook de kelder en eenmaal boven gaan zij, op aanraden van getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), de eigenaar van het café [naam] , via de achteringang naar buiten, waarbij zij aangever of zijn vrienden niet meer hebben getroffen.
Ruim een week later, nadat hij zelf onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke veroorzaker(s) van zijn letsel, doet aangever op 9 september 2020 aangifte van de (poging tot) (zware) mishandeling. Uit zijn aangifte blijkt dat hij verdachte aanwijst als (één van) de perso(o)n(en) die hem met glas in het gezicht zou(den) hebben geslagen.
De vraag die in hoger beroep dient te worden beantwoord is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte inderdaad (een van de) perso(o)n(en) is geweest die aangever met glas in het gezicht heeft (of hebben) geslagen. Voor het beantwoorden van deze vraag is het belangrijk voorop te stellen dat het dossier, op aangevers verklaring na, geen (andere) bewijsmiddelen bevat, bijvoorbeeld in de vorm van camerabeelden of een getuigenverklaring, aan de hand waarvan vastgesteld zou kunnen worden dat het verdachte is geweest die aangever met glas heeft geslagen. Daarom dient het hof zich te buigen over de bewijskracht van aangevers herkenning van verdachte als (een van de) perso(o)n(en) die hem met glas in het gezicht heeft (of hebben) geslagen.
In het kader hiervan is van belang dat uit het dossier blijkt dat verdachte en aangever, alsmede hun directe vrienden die bij het voorval betrokken waren, elkaar niet kenden voordat het voorval plaatsvond. Aangevers herkenning en aanwijzing van verdachte als (een van) de perso(o)n(en) die hem met glas in het gezicht zou(den) hebben geslagen, is dan ook tot stand gekomen op basis van een ‘reconstructie’ van het voorval achteraf, nadat hij zelf via mensen in zijn omgeving, sociale media en [getuige 2] onderzoek heeft gedaan naar de identiteit van mensen in de groep waar hij de aanvaring mee gehad dacht te hebben. Die herkenning is daarmee dus niet direct gebaseerd op zijn eigen waarnemingen ten tijde van het voorval.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. P.S. Bakker, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 23 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.