Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-03
ECLI:NL:GHARL:2025:2868
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,410 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001607-24
Uitspraak d.d.: 3 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 maart 2024 met het parketnummer 96-211562-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
opgegeven adres [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van tien maanden, met een proeftijd van drie jaren;
veroordeling van verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke hechtenis van één week, met een proeftijd van twee jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.F.J. Smeets, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van acht maanden.
verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een hechtenis van één week, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof is van oordeel dat de politierechter voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte op de juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis in zoverre zal worden bevestigd. Naar aanleiding van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte zal het hof het vonnis op dit punt aanvullen.
Ten aanzien van de strafoplegging van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Strafbaarheid van de verdachte
Aanvullende overweging ten aanzien van het verweer van de verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte een aantal uren nadat hij een joint heeft gerookt, heeft gewacht voordat hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Verdachte wist niet dat de THC op dat moment, uren nadat hij had geblowd, nog in zijn bloed aanwezig zou zijn en nog invloed kon hebben op zijn rijvaardigheid. Verdachte had dan ook niet door dat hij een strafbaar feit pleegde. Naar de mening van verdachte werd zijn rijvaardigheid niet beïnvloed.
Het hof volgt het standpunt van de verdediging niet. De wet hanteert een specifieke grenswaarde voor de aanwezigheid van THC in het bloed van bestuurders, die is vastgelegd in artikel 3 lid 1 sub b van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Bij het bepalen van deze grenswaarde is rekening gehouden met de mate waarin het gebruik van bepaalde stoffen de rijvaardigheid kan beïnvloeden. Daarbij is de grenswaarde vastgesteld op 3 microgram THC per liter bloed waarbij niet afzonderlijk wordt gekeken naar de specifieke invloed van de stof op de rijvaardigheid van de individuele bestuurder op het moment van rijden. De aanwezigheid van een stof in het bloed boven de grenswaarde is derhalve voldoende voor de strafbaarheid van een bestuurder. De aangetroffen hoeveelheid THC in het bloed van verdachte was hoger dan de voornoemde grenswaarde, namelijk 4,2 microgram per liter bloed. Dit betekent dat verdachte strafbaar is. De stelling van verdachte dat zijn rijvaardigheid niet beïnvloed werd door de THC omdat het al een aantal uren geleden was dat verdachte de joint had gerookt, gaat dan ook niet op.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft op 11 april 2023 een personenauto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van THC en terwijl zijn rijbewijs niet geldig was. Door aldus te handelen heeft verdachte de rijbewijsplicht geschonden en de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht. De geldigheid van het rijbewijs van verdachte om in een auto te mogen rijden, was bovendien al sinds 1 november 2020 verlopen. De geldigheid van zijn rijbewijs was in duur beperkt omdat hij eerder onder invloed had gereden. Weliswaar heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte enkel geen geldig rijbewijs had, omdat hij niet tijdig bij de gemeente een verlenging van zijn tijdelijke rijbewijs had aangevraagd, maar dat doet aan zijn strafbaar handelen niets af.
Uit een uittreksel uit de verdachte betreffende justitiële documentatie van 19 december 2024 blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor zowel soortgelijke als andersoortige strafbare feiten. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden de bewezenverklaarde feiten te begaan. Dit weegt het hof in het nadeel van verdachte mee. Verder blijkt uit het uittreksel dat verdachte ook ná de bewezenverklaarde feiten (onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof zal hier op grond van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) rekening mee houden.
Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht op de terechtzitting van het hof. Nadat verdachte zijn detentie in het kader van een eerdere veroordeling voor een ander strafbaar feit heeft ondergaan, heeft hij een significante positieve wending aan zijn leven gegeven. Hij heeft het gebruik van verdovende middelen helemaal achter zich gelaten en is erin geslaagd om meer dan een jaar clean te blijven, dusdanig dat ook het CBR hem inmiddels geschikt vindt om te rijden. Verdachte heeft daarnaast de stap gezet om een eigen onderneming te starten. Deze positieve gedragsverandering getuigt van een oprechte wil om een nieuwe weg in te slaan. Deze omstandigheden zal het hof eveneens meewegen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafmaat en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-211562-23 onder 1 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,
en op 3 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.