Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-15
ECLI:NL:GHARL:2025:2318
Civiel recht
Hoger beroep
1,656 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.337.433
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 540318
arrest van 15 april 2025
in de zaak van
Bera Halal Vleeshandel B.V.
die is gevestigd in Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: Bera
advocaat: mr. A.K. Tosun
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. N. Vis
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Bera heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 21 juni 2023 en 1 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het verzoek van mr. Vis van 22 januari 2025 tot schorsing van de procedure wegens het faillissement van Bera en tevens in principaal hoger beroep tot verlening van ontslag van instantie
het H16 formulier met bericht van mr. Tosun van 25 februari 2025 met uitlating over het verzoek tot verlening van ontslag van instantie.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
[geïntimeerde] kocht als handelsagent voor Bera slachtvee in. Dat deed hij voor een deel met contant geld dat hij namens Bera in ontvangst nam van haar klanten. Bera heeft hem ook rechtstreeks een bedrag in contanten gegeven om slachtvee in te kopen. Over de afrekening is een geschil tussen partijen ontstaan. Bera vordert in deze procedure (in conventie) betaling van een bedrag dat [geïntimeerde] volgens haar heeft ontvangen maar niet aan leveranciers heeft betaald. Deze vordering is onderwerp van het door Bera ingestelde principaal hoger beroep. [geïntimeerde] vordert op zijn beurt (in reconventie) betaling van een bedrag aan provisie dat Bera in zijn visie nog aan hem is verschuldigd. Dit is onderwerp van het door [geïntimeerde] ingestelde incidenteel hoger beroep.
2.2.
Bera is op 5 november 2024 in staat van faillissement verklaard. Het hof heeft partijen bij brief van 7 februari 2025 laten weten vast te stellen dat de procedure is geschorst voor zover die de vorderingen van [geïntimeerde] tegen Bera betreft (art. 29 Faillissementswet (hierna: Fw)).
2.3.
Ten aanzien van het principaal hoger beroep dat ziet op de vorderingen van Bera tegen [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] bij bericht van 22 januari 2025 ontslag van instantie gevraagd. Ingevolge artikel 27 lid 1 Fw wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar is ingesteld, het geding op verzoek van de verweerder geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven de curator tot overneming van het geding op te roepen. Indien de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de verweerder het recht ontslag van instantie te vragen (lid 2). Verder volgt uit artikel 2.24 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven dat als de artikelen 27 of 28 Fw van toepassing zijn, desgewenst een termijn voor oproeping van de curator wordt verleend, tenzij de curator zich reeds over overneming van het geding heeft uitgelaten. [geïntimeerde] heeft een e-mailbericht van 22 januari 2025 van de curator van Bera ingebracht, waarin de curator aangeeft dat hij de procedure niet zal overnemen en dat [geïntimeerde] ontslag van instantie kan vragen. Bera heeft de gelegenheid gekregen zich op de rol van 25 februari 2025 uit te laten over de vordering tot verlening van ontslag van instantie. Mr. Tosun heeft vervolgens op 25 februari 2025 namens Bera bericht dat de curator heeft aangegeven dat geen bezwaar bestaat tegen het verzoek van [geïntimeerde] tot verlening van ontslag van instantie. Bera heeft zich in dat bericht niet tegen het verzoek verzet. Verder is niet gesteld of gebleken dat het verlenen van ontslag van instantie in strijd is met de goede procesorde of dat het verzoek om een andere reden moet worden afgewezen.
2.4.
Gelet op het voorgaande zal het hof in het principaal hoger beroep ontslag van instantie verlenen aan [geïntimeerde] en Bera in de proceskosten veroordelen.
2.5.
Door het ontslag van instantie komt aan het principaal hoger beroep een einde. De procedure in incidenteel hoger beroep blijft geschorst. Het hof zal de zaak wat dat betreft per heden ambtshalve doorhalen.
Dictum
Het hof:
verleent [geïntimeerde] ontslag van instantie in het principaal hoger beroep;
veroordeelt Bera in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.053,- aan griffierecht en op € 4.428,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt bij tarief VI);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de procedure per heden wordt doorgehaald op de rol en
draagt de griffier op een afschrift van dit arrest aan de curator in het faillissement van Bera (mr. M. Blok, Van Veen advocaten, Keesomstraat 7, 6717 AH Ede) te zenden.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M. Schoemaker en K. Mans, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.