Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-01
ECLI:NL:GHARL:2025:1869
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,520 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004082-24
Uitspraak d.d.: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 september 2024 met parketnummer 05-073863-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 21-000917-20,
05-224973-21, 96-196214-20, 96-257066-20 en 96-130828-21, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende in P.I. [locatie] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M. Hoekzema, naar voren is gebracht en van hetgeen namens de benadeelde partijen door mr. M.J.W.G. IJsseldijk is betoogd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 16 september 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn (kort gezegd) een meldplicht bij de reclassering, het actief volgen van een gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing en een ambulante behandeling door Transfore opgelegd.
Daarnaast heeft de rechtbank contact- en locatieverboden voor de duur van drie jaren opgelegd met een op te leggen hechtenis van twee weken per overtreding daarvan, met een maximum van zes maanden.
De vordering van [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 2.670,-, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de
schadevergoedingsmaatregel, bij gebreke van betaling te vervangen door 36 dagen gijzeling zonder dat daarmee de betalingsverplichting vervalt.
De vordering van [benadeelde 2] is toegewezen tot een bedrag van € 800,-, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, bij gebreke van betaling te vervangen door 36 dagen gijzeling zonder dat daarmee de betalingsverplichting vervalt.
Voor het meer of anders gevorderde zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen heeft de rechtbank in twee van die vorderingen het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat die vorderingen al eerder zijn toegewezen en de resterende vorderingen toegewezen, bestaande uit twee keer drie weken hechtenis en één keer vier weken hechtenis.
Oordeel van het hof
Het hof is, gehoord hebbende wat de verschillende partijen naar voren hebben gebracht, van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof acht ook de door de rechtbank opgelegde straf passend en geboden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof vindt geen aanleiding om verdachte tot een lagere gevangenisstraf te veroordelen of de contact- en locatieverboden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen, met aanvulling van de volgende gronden.
Aanvulling van gronden
Het hof overweegt ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de telefoon van [benadeelde 2] kapot heeft gegooid. Voor dit feit is geen vrijspraak gevraagd. Deze bekennende verklaring als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt als bewijsmiddel ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde toegevoegd.
De [benadeelde 1] is, nadat hij zich in hoger beroep opnieuw in het strafproces heeft gevoegd, overleden. Zijn vordering is overgenomen door zijn erfgenamen, waardoor ten aanzien van die vordering dient te worden gelezen: de erfgenamen van [benadeelde 1] .
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. R.H. Koning, voorzitter,
mr. A. van Maanen en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier,
en op 1 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 april 2025.
Tegenwoordig:
mr. J. Steenbrink, voorzitter,
W.J.V. Spek, advocaat-generaal,
J.R.M. Roetgerink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.