Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-01
ECLI:NL:GHARL:2025:1856
Strafrecht
Hoger beroep
2,409 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004785-22
Uitspraak d.d.: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 oktober 2022 met parketnummer 16-000611-22 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Zaim, en de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De officier van justitie heeft bij appelschriftuur van 21 november 2022 de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal opgegeven de bezwaren tegen de vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde niet te handhaven.
Het hof ziet daarin aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft immers geen schriftelijke of mondelinge bezwaren tegen het hierboven genoemde vonnis voor zover dat ziet op feit 2 en het hof ziet ook zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van dit feit noodzakelijk maken. Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Daarnaast geldt dat verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld. Zoals hiervoor reeds benoemd is hij evenwel door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder feit 2 is tenlastegelegd. Gelet op wat er is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.
Nu zowel het openbaar ministerie als verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep tegen deze vrijspraak, is feit 2 dus niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft de verdachte ter zake van zware mishandeling (feit 1 subsidiair), wederspannigheid (feit 3), opzettelijke belemmering van enige handeling door een bevoegd ambtenaar ondernomen (feit 4) en belediging van een agent (feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis door de rechtbank opgeheven. Ten slotte heeft de rechtbank beslist op de vier vorderingen van de benadeelde partijen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank en in zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd met de oorspronkelijk ingediende vorderingen tot schadevergoeding, zodat deze in hun geheel ter beoordeling van het hof voorliggen. Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank over de vorderingen van de benadeelde partijen en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het vonnis van de rechtbank zal ook op deze punten worden bevestigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van poging tot doodslag (feit 1 primair), wederspannigheid (feit 3), opzettelijke belemmering van enige handeling door een bevoegd ambtenaar ondernomen (feit 4) en belediging van een agent (feit 5) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uur. Door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan verdachte zijn baan verliezen, met de bijbehorende gevolgen. De verdediging heeft ook gewezen op de door het feit ontstane schulden en de impact van het voorarrest.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige en zeer ergerlijke feiten. Hij heeft tijdens oudjaarsnacht 2021/2022 agent [benadeelde 1] zwaar mishandeld door haar meermalen tegen het hoofd te schoppen. Hierdoor heeft hij een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. [benadeelde 1] ondervindt nog steeds de gevolgen van deze zware mishandeling, zo blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Dat de verdachte dit heeft gedaan om de aanhouding van zijn zoon [naam] te belemmeren, maakt dit zeker niet minder erg. De politie had gegronde redenen om zijn zoon aan te houden, maar de verdachte koos ervoor om zich op deze gewelddadige manier te gaan bemoeien met deze aanhouding.
Het hof heeft ter terechtzitting weinig tot geen zelfreflectie bij de verdachte gezien. De verdachte heeft meermaals verklaard dat hij zijn handelen door vaderinstinct werd gedreven doordat hij meende dat de verbalisanten voorzichtiger met zijn zoon moesten omgaan. In plaats van in gesprek te gaan, heeft hij er echter voor gekozen over te gaan tot het uitoefenen van geweld tegen de agenten. De situatie is door het handelen van de verdachte verder geëscaleerd. De verdachte heeft zich hierbij ook schuldig gemaakt aan de belemmering van de werkzaamheden van de agenten, waarna de agenten verdachte hebben aangehouden. Door niet mee te werken aan zijn eigen aanhouding en zich hier hevig tegen te verzetten, heeft de verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Tijdens zijn verzet heeft de verdachte daarbij een agent beledigd.
Dit zijn schandalige feiten die gevoelens van onveiligheid bij de directe betrokkenen en bij de maatschappij opleveren. De verdachte heeft hiermee laten zien dat hij geen enkel respect heeft voor het gezag van ambtenaren in functie. Het feit dat verdachte fors onder invloed van alcohol was en dat dat zijn gedrag mogelijk heeft beïnvloed, acht het hof op geen enkele wijze een verzachtende omstandigheid. Ongeregeldheden tijdens oudjaarsnacht in de vorm van geweld tegen hulpverleners kan en mag niet worden getolereerd en het hof neemt de verdachte diens handelen dan ook zeer kwalijk.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,
mr. R.H. Koning en mr. A. van Maanen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 1 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.