Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-25
ECLI:NL:GHARL:2025:1852
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,399 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.424/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580129 en 582401)
Beschikking van 25 maart 2025
in de zaak van
[verzoeker]
(de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt te Lelystad,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),
gevestigd in Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder] (de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. N.C. Milani te Almere,
en
de gezinshuisouders van de hierna nader te noemen [de minderjarige1],
verder te noemen: de gezinshuisouders.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 15 januari 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 7 februari 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI;
- een journaalbericht namens de vader van 13 februari 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 17 februari 2025 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader met zijn advocaat, twee vertegenwoordigers namens de GI en de advocaat van de moeder. Aan de persoonlijke begeleiders van de vader (van [naam1] ) is als toehoorders bijzondere toegang verleend.
Feiten
3.1.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige1] , geboren [in] 2019.
3.2.
[de minderjarige1] staat onder toezicht van de GI sinds 20 oktober 2020. Op 29 april 2021 is [de minderjarige1] met een machtiging uit huis geplaatst. De termijnen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn hierna steeds verlengd, de laatste keer bij beschikking van 16 oktober 2023 tot 20 oktober 2024.
3.3.
[de minderjarige1] woonde tot de uithuisplaatsing bij de moeder. Daarna heeft [de minderjarige1] in drie verschillende pleeggezinnen gewoond. Vanaf 16 februari 2024 verblijft [de minderjarige1] in een perspectief biedend gezinshuis in [plaats1] .
3.4.
De vader heeft nog een kind uit een latere relatie, een dochter, [de minderjarige2] (3 jaar).
Ook [de minderjarige2] staat onder toezicht van de GI en is uit huis geplaatst.
3.5.
De moeder is kort na de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] begeleid gaan wonen.
De moeder heeft een keer in de week omgang met [de minderjarige1] bij haar thuis; die omgang wordt door het gezinshuis zelf begeleid en vindt plaats binnen de organisatie waar de moeder verblijft.
3.6.
De omgang tussen de vader en [de minderjarige1] was vanaf juni 2021 één uur per week begeleid; dit werd uitgebreid in 2022 naar drie uur begeleid en in 2023 naar drie uur onbegeleid maar met begeleiding van de overdrachtsmomenten.
Bij mondelinge uitspraak van 16 oktober 2023 heeft de kinderrechter een zorgregeling tussen [de minderjarige1] en de vader bepaald, die door middel van een opbouw vanaf 1 januari 2024 iedere zaterdag of zondag plaatsvindt gedurende acht uur (onbegeleid), waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [de minderjarige1] .
3.7.
De omgang met de vader is stopgezet omdat er een zedenonderzoek liep. [de minderjarige1] had naar aanleiding van de omgang met de vader zorgelijke uitspraken gedaan gericht op zijn seksuele veiligheid. Het onderzoek van de politie is destijds gestopt omdat [de minderjarige1] geen verklaring wilde afleggen.
3.8.
Nadat de omgang in de loop van 2024 geschorst was, is bij beschikking van de kinderrechter van 26 augustus 2024 bepaald dat er gedurende vier weken, vier contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige1] van twee uren onder begeleiding van de GI of een professionele organisatie dienen plaatsvinden en dat, indien dit goed verloopt, na deze begeleide contactmomenten de regeling herleeft, zoals die op 16 oktober 2023 is vastgesteld (zijnde acht uur onbegeleide omgang per week).
3.9.
Nadat [de minderjarige1] nogmaals zorgelijke uitspraken had gedaan en het zedenonderzoek werd hervat, heeft de GI op 17 september 2024 de kinderrechter opnieuw verzocht met spoed de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige1] te wijzigen in die zin dat de vader een keer in de week twee uur begeleide omgang heeft met [de minderjarige1] .
3.10.
De rechtbank heeft tijdens de zitting op 19 september 2024 bij mondelinge uitspraak bepaald dat [de minderjarige1] tot 1 november 2024 een keer in de week twee uur begeleide omgang heeft met de vader en de beslissing voor het overige deel aangehouden.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking van 17 oktober 2024 heeft de meervoudige kamer
de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige1] tot 1 maart 2025 gewijzigd in die zin dat de vader een keer in de week twee uur begeleide omgang heeft met [de minderjarige1] en dat het verzoek betreffende het omgangscontact voor het overige wordt aangehouden.
De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de GI de rechtbank, de raad en de belanghebbenden uiterlijk 15 februari 2025 dient te informeren over het verloop van de omgang tussen de vader en [de minderjarige1] en heeft de zaak voor de verdere behandeling verwezen naar de enkelvoudige kamer/kinderrechter.
Daarnaast heeft de meervoudige kamer in diezelfde beschikking de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 oktober 2025.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2.
De vader is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en de wijziging van zijn zorgregeling tot 1 maart 2025 in die zin dat de vader slechts één keer in de week twee uur begeleide omgang heeft met [de minderjarige1] en komt hiervan in hoger beroep. Het hoger beroep van de vader richt zich niet tegen de ondertoezichtstelling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen zodat ten aanzien van de zorgregeling de beslissing van 16 oktober 2023 weer onverkort van kracht is en dient te worden nageleefd en ten aanzien van de uithuisplaatsing te bepalen dat de primaire en/of subsidiaire verzoeken van de zijde van vader alsnog worden toegewezen. Deze primaire en/of subsidiaire verzoeken bij de rechtbank waren:
- het verzoek van de Gl tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden en voor het overige tot een nader te bepalen zitting aan te houden en primair de GI opdracht te geven tot het aanmelden van de vader bij een (ander) ouder- en kind huis teneinde het ouderschap van de vader te toetsen en, subsidiair, aan het N1FP opdracht te verstrekken tot het verrichten van een deskundigenonderzoek naar een eventuele voltijd- dan wel deeltijdplaatsing van [de minderjarige1] bij de vader of naar een omgangsregeling wanneer [de minderjarige1] in het gezinshuis zou blijven.
4.3.
De GI is het eens met de beslissing van de rechtbank en verzoekt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel zijn hoger beroep af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Ook de moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. De moeder ziet dat het goed gaat met [de minderjarige1] in het gezinshuis. De omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] verloopt goed en daar is ze heel blij mee. De vader heeft volgens de moeder recht op omgang net zoals zij dat nu heeft, maar meer ook niet. Zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.
Motivering
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verlengd. Het hof zal dit hieronder toelichten.
5.2.
In artikel 1:265b, lid 1 BW staat dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen (toestemming kan geven) een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van die minderjarige of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige. Die machtiging kan telkens maximaal voor de duur van één jaar worden verleend, dat staat in artikel 1:265c lid 2 BW.
5.3.
Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de rechtbank een goede beslissing heeft genomen, ook wanneer rekening wordt gehouden met de actuele situatie, zoals die door de vader is geschetst. Het hof acht de vader op dit moment niet in staat om [de minderjarige1] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit en de veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding voldoende zijn gewaarborgd. En een (hernieuwd) onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de vader acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] . Het hof neemt de beoordeling van de rechtbank in de bestreden beschikking na eigen onderzoek hier over. Het hof voegt het volgende toe.
5.4.
De vader is van mening dat er onvoldoende is gekeken naar zijn mogelijkheden om de zorg voor [de minderjarige1] op zich te nemen. Het in 2023 ingezet onderzoekstraject naar zijn opvoedvaardigheden (alsook de goed lopende zorgregeling) is in zijn ogen enkel en alleen gestopt vanwege de onjuiste en ongefundeerde beschuldigingen van seksueel misbruik aan zijn adres en de vader kan zich tegen die beschuldigingen niet verweren. Verder kan hij zich vinden in toewijzing van de verzochte verlenging van de uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden - dus tot 20 januari 2025 - maar verlangt hij aanhouding van de beslissing voor het overige tot een nader te bepalen zitting, zodat alsnog onderzoek kan worden gedaan naar zijn ouderschap met het oog op een deeltijd- dan wel voltijdplaatsing van [de minderjarige1] bij de vader of op een omgangsregeling.
5.5.
Het hof heeft goed gehoord dat de vader nog steeds vindt dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen om te laten zien dat hij goed in staat is voor [de minderjarige1] te zorgen. Toch zal het hof zijn verzoeken afwijzen, omdat het belang van [de minderjarige1] zich daartegen verzet. Het hof is op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.
5.6.
Het hof constateert dat de vader in een periode van een jaar (juni 2023 tot juni 2024) een traject heeft doorlopen binnen het Expertisecentrum voor behandeling en beoordeling van ouderschap ‘ [naam2] ’ bij [naam3] . [naam3] heeft daarbij onderzocht of er gewerkt kan worden naar een thuisplaatsing van [de minderjarige2] en later ook van [de minderjarige1] bij de vader. De vader is eerst alleen (zonder kinderen) een week bij [naam3] geweest voor een samenwerkingsopname. Dit hebben zowel de vader als [naam3] als erg positief ervaren. Na de samenwerkingsopname van de vader in juli 2023 bij [naam3] stelde [naam3] voorwaarden waaraan de vader moest voldoen, voordat een aanvang kon worden gemaakt met de gezinsopname. Dit betrof onder andere het beschikken over huisvesting waar ook een kind zou kunnen wonen. Verder moest het netwerk van de vader worden uitgebreid en moest er een SOS-gesprek plaatsvinden. Er zou daarna onder andere een module 'Bouwen in Contact' worden ingezet. Dit is een module waarbij het gaat om contactopbouw met je kind, zodat het kind zich voldoende veilig voelt bij de ouder waarmee het in de kliniek voor 24 uur per dag herenigd gaat worden. Het traject richtte zich eerst alleen op [de minderjarige2] , later (rond november 2023) besloot de vader dat hij ook voor [de minderjarige1] het traject voor gezinshereniging en ouderschapsbeoordeling in wilde gaan, waardoor het traject is uitgebreid en er een nieuw intakemoment heeft plaatsgevonden.
5.7.
Uit het eindrapport /eindadvies van [naam3] van 20 juni 2024 blijkt dat, ondanks de positieve samenwerkingsopname in juli 2023 en dat vader zij best heeft gedaan ten aanzien van zijn netwerk en woonruimte, het traject daarna stroef is gaan verlopen. Het is [naam3] niet gelukt om met de vader tot een duurzame goede samenwerking te komen. En bovenal lukte het de vader niet om verder te leren in het ouderschap. De voorwaarden om over te gaan naar de klinische opname zijn onvoldoende tot stand gekomen en na een negatief eindadvies in juni 2024 is het traject voor beide kinderen definitief stopgezet.
5.8.
Het hof leest in de stukken dat [naam3] al in februari 2024 serieuze twijfels heeft geuit over de verdere deelname van de vader aan het traject en zijn mogelijkheden om over het ouderschap voor [de minderjarige2] te kunnen praten en deze te kunnen onderzoeken. Uit het verslag van het evaluatiegesprek dat op 27 februari 2024 heeft plaatsgevonden met de vader blijkt dat er destijds uitgebreid is gesproken over de moeizame samenwerking met de vader en dat het niet lukte om tot afspraken te komen. De samenwerking werd op dat moment als niet goed genoeg bestempeld, waardoor de module ‘Bouwen in Contact’ niet goed van de grond komt. Er is besproken dat zowel de vader als [naam3] zouden gaan nadenken over het stoppen van het traject voor [de minderjarige2] . Duidelijk komt naar voren dat er, als het traject met [de minderjarige1] doorgaat, in ieder geval in de samenwerking iets moet veranderen.
5.9.
Het hof kan zich voorstellen dat de vader, gezien zijn in de stukken beschreven eigen persoonlijke problematiek en beperking, niet of onvoldoende heeft meegekregen tijdens het gesprek op 27 februari 2024 – waarbij de vader zonder begeleider aanwezig was – dat [naam3] de hierboven omschreven serieuze twijfels had. Het hof kan zich om dezelfde reden voorstellen dat het door de GI veel later aan de vader toegestuurde verslag van dit gesprek voor vader niet begrijpelijk was. Dat doet er echter niet aan af dat de samenwerking toen al werd bestempeld als niet goed genoeg.
5.10.
Uit de stukken blijkt dat na dit gesprek van 27 februari 2024 de samenwerking niet is verbeterd.
Uit het eindrapport van [naam3] komt naar voren dat de samenwerking te wensen heeft overgelaten. Zo werden afspraken afgezegd en kwamen planningen niet tot stand. Er werd een gebrek aan initiatief aan de zijde van de vader geconstateerd om (met begeleiding van [naam1] ) nieuwe afspraken te maken. Er zijn veel vergeefse pogingen geweest en agenda's vrijgehouden, om ‘Bouwen in Contact' toch mogelijk te maken. Daarnaast verliep de samenwerking met de pleegouders moeizaam.
[naam3] bemerkte verder een groeiend wantrouwen van de vader jegens de hulpverlening, wat maakte dat [naam3] niet meer goed inhoudelijk in contact kon komen met de vader over het leren in het ouderschap. De gesprekken die er waren konden onvoldoende gaan over wat werd gezien in het contact met [de minderjarige2] of welke aandachtspunten er zijn in het ouderschap. De vader heeft zelf te kampen met een moeilijk verleden en hij heeft door een ongeluk neurologische schade opgelopen. Sinds 2024 werkt hij, waardoor hij vaak niet in staat is afspraken te maken. Hij is een alleenstaande vader en heeft te maken met een zeer verzwaarde opvoeding van [de minderjarige2] . Het lukte de vader niet goed om naar zichzelf te kijken.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. de Jong-de Goede, I.A. Vermeulen en F. Menso, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 25 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Alles met elkaar werd gezien dat het de vader niet lukte te leren in zijn rol als vader.
Hoewel op 2 mei 2024 werd afgesproken dat het ‘Bouwen in contact’ zou starten en er daarna slechts twee omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige2] hebben plaatsgevonden, blijkt uit de stukken dat er voldoende informatie was om te concluderen dat het de vader niet zou lukken voldoende te leren in zijn rol als vader.
Ondanks eerdere gesprekken waarin al was aangegeven dat er verandering nodig was in de samenwerking, heeft [naam3] uiteindelijk geen veranderingen in de samenwerking gezien en geconcludeerd dat de voorwaarden om over te gaan tot een klinische opname onvoldoende tot stand waren komen.
De vader is, mede door wat hij heeft meegemaakt en de beschadigingen die hij daarbij in emotioneel- en neurologisch opzicht heeft opgelopen, niet in staat om het ouderschap goed genoeg vorm te geven aldus [naam3] . Dit heeft geleid tot het negatieve eindadvies van juni 2024 waarna het traject voor zowel [de minderjarige2] als [de minderjarige1] definitief is stopgezet.
5.11.
Anders dan de vader stelt heeft de stopzetting van het traject bij [naam3] naar het oordeel van het hof geen directe oorzaak in de in mei 2024 aan het adres van vader geuite beschuldigingen over seksueel misbruik van [de minderjarige1] . Uit r.o. 5.7 tot en met 5.10 blijkt dat de reden voor stopzetting lag in de stagnerende samenwerking en het ontbreken van groei in het ouderschap.
Onderzoek niet in het belang van [de minderjarige1]
5.12.
Het hof kijkt bij het nemen van de beslissing over de uithuisplaatsing naar de belangen van [de minderjarige1] en de ouders. Daarbij speelt dat enkel de vader zich tegen de uithuisplaatsing verzet, met dien verstande dat hij zich kan vinden in aanhouding van de beslissing daarover (wat betreft de periode na 20 januari 2025) in verband met een plaats te vinden onderzoek naar zijn opvoedvaardigheden. De belangen van [de minderjarige1] moet het hof hierbij voorop stellen.
[de minderjarige1] heeft een onrustige jeugd gehad en op meerdere plaatsen gewoond. Zijn gedrag vereist veel tijd, structuur en begrenzing en dit wordt hem geboden in het gezinshuis waar hij nu verblijft en waar hij zich goed ontwikkelt. Hij heeft er inmiddels groot belang bij dat duidelijk is waar hij in de toekomst zal wonen.
Daarbij verdient opmerking dat het hof al op 4 april 2023 heeft geoordeeld (zaaknummer 200.321.657/01) dat de periode waarin [de minderjarige1] in onzekerheid kan blijven over zijn perspectief toen al was verstreken en dat er duidelijkheid moest komen ten aanzien van zijn toekomstperspectief.
Hiervoor onder r.o. 5.6 tot en met 5.10 is aangegeven dat er een traject is geweest om het ouderschap van de vader te onderzoeken, welk onderzoek niet tot een positief resultaat heeft geleid.
Alles met elkaar ligt naar het oordeel van het hof een onderzoek naar de mogelijkheden van de vader om [de minderjarige1] geheel of gedeeltelijk op te voeden niet in de rede, hoe begrijpelijk de wens van de vader ook is om een dergelijke betekenisvolle rol in het leven van [de minderjarige1] te vervullen. Nu er nog sprake is van een niet afgerond zedenonderzoek is er evenmin ruimte voor een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de vader met het oog op (verruiming van de) omgang met [de minderjarige1] .
Het door de vader verlangde onderzoek zal bovendien een enorme druk op [de minderjarige1] leggen en gepaard gaan met onduidelijkheid voor [de minderjarige1] over zijn opvoedingsomgeving. Dit is naar het oordeel van het hof te belastend voor hem en niet in zijn belang.
5.13.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de uithuisplaatsing de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] niet is gewaarborgd en dat verlenging van de uithuisplaatsing dan ook noodzakelijk is. Voor een verkorting van de termijn van de machtiging en/of voor het verzochte onderzoek bestaat geen aanleiding.
5.14.
In dat kader merkt het hof op dat een machtiging tot uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is, waarbij het doel is om ervoor te zorgen dat de moeder of de vader de verzorging en opvoeding voor een kind op termijn weer zelf kan dragen. Met andere woorden, het doel is thuisplaatsing.
In deze zaak heeft de GI reeds bij brief van 9 augustus 2024 haar perspectiefbesluit aan de ouders meegedeeld, inhoudende dat het perspectief van [de minderjarige1] niet bij de ouders ligt maar in het gezinshuis, zodat wat de GI betreft thuisplaatsing niet meer aan de orde is. Niettemin heeft de GI de raad nog niet verzocht om een onderzoek in te stellen naar een verderstrekkende maatregel. Het verzoek tot een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is tegenstrijdig met het standpunt van de GI dat het perspectief van [de minderjarige1] niet meer bij de ouders ligt. Als de GI vindt dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] definitief niet meer bij de ouders ligt, ligt het op de weg van de GI om stappen te zetten richting een gezagsbeëindiging (of plaatsing in het vrijwillig kader, maar daarvan heeft de GI ter zitting aangegeven dat dat niet aan de orde is). Het is ook uit een oogpunt van rechtsbescherming van de ouders wenselijk dat de GI die maatregelen verzoekt die passen bij de interne besluiten die de GI neemt en aan de ouders meedeelt. Het is aan de GI nu de nodige stappen te zetten. Het hof geeft tevens de raad in overweging op korte termijn een onderzoek naar een eventuele verderstrekkende maatregel te starten.
De zorgregeling
5.15.
Het hof heeft enkel te oordelen over de beperking van de zorgregeling in de periode van 4 oktober 2024 tot 1 maart 2025. Partijen hebben het hof kenbaar gemaakt dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige1] door de kinderrechter inmiddels opnieuw op de zitting van 13 maart 2025 met alle betrokkenen is besproken en dat er op korte termijn een uitspraak zal volgen.
5.16.
Het hof vindt dat de rechtbank ook op dit punt een goede beslissing heeft genomen. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat, mede gelet op het lopende zedenonderzoek naar de omgang tussen de vader en [de minderjarige1] en het zeer zorgelijke gedrag dat [de minderjarige1] tijdens de omgang met de vader heeft laten zien, de omgang in oktober 2024 door de rechtbank terecht is beperkt tot een begeleide omgang van één keer in de week twee uur.
5.17.
Het hof kan zich voorstellen dat het voor de vader frustrerend is dat de – naar zijn mening tot die tijd heel goed lopende – omgangsmomenten zijn ingeperkt, mede naar aanleiding van de zorgen over seksueel grensoverschrijdend gedrag van [de minderjarige1] en de aan het adres van de vader geuite beschuldigingen, terwijl de vader nog altijd niet weet waarvan hij wordt beschuldigd en zonder dat er enig zicht is op het verloop en de duur van het (heropende) zedenonderzoek. Het belang van [de minderjarige1] staat echter voorop. In de te beoordelen periode, tot 1 maart 2025, was het zedenonderzoek nog gaande, waardoor er onvoldoende zicht was op de veiligheid van [de minderjarige1] . Er was in die periode daarom voldoende grond om de omgang slechts onder begeleiding te laten plaatsvinden.
5.18.
Het hof vindt het heel schrijnend dat het strafrechtelijk onderzoek nu stil lijkt te liggen. Dit zorgt voor de nodige onduidelijkheid en onzekerheid bij alle betrokkenen. Zolang het zedenonderzoek niet is afgerond is er ook vrijwel geen mogelijkheid om te onderzoeken of er ruimte is voor uitbouw van het contact tussen de vader en [de minderjarige1] . Dit heeft grote impact op de betrokkenen.