Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-28
ECLI:NL:GHARL:2025:1841
Strafrecht
Hoger beroep
2,888 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002553-24
Uitspraak d.d.: 28 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juni 2024 met parketnummer 18-204789-23 in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met dezelfde bijzondere voorwaarden als de rechtbank heeft opgelegd.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. F.H. Kappelhof, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een ambulante behandeling en het meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis met hierna te melden aanvulling van gronden bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Aanvulling van gronden
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank uitgesproken bewezenverklaringen moeten worden bevestigd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feitelijke vaststellingen zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld geen verweer gevoerd. Evenals in eerste aanleg heeft de verdediging bepleit dat de rol van de verdachte met betrekking tot de feiten moet worden geduid als medeplichtigheid in plaats van medepleger.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de feiten en omstandigheden op juiste wijze heeft vastgesteld. Op basis van het in het vonnis opgenomen bewijs, waaronder de chatgesprekken stelt het hof – evenals de rechtbank – vast dat de verdachte gedurende een langere periode de vaste chauffeur is geweest van [medeverdachte] , die in de tenlastegelegde periode op grote schaal handelde in harddrugs. De verdachte is daadwerkelijk de vervoerder geweest van de verhandelde harddrugs en daarmee verband houdende grondstoffen en heeft daarmee een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging vervuld. De rechtbank heeft de betrokkenheid van de verdachte en zijn rol als medepleger correct geduid. Het hof verenigt zich dan ook met de overwegingen van de rechtbank. Ter aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen voorts volgt dat de verdachte zijn huis ter beschikking heeft gesteld voor een ontmoeting/overleg in het drugscircuit. Ook heeft verdachte zorg gedragen voor het vervoer van een vertaler in het kader van een dergelijke ontmoeting/overleg. Daarnaast wordt het adres van verdachte genoemd als plaats waar goederen, waaronder “ice”, kunnen worden afgehaald. .Daaruit concludeert het hof dat de rol van de verdachte zich niet beperkte tot het vervoeren van drugs en daarmee verband houdende grondstoffen. Met zijn rol als vaste chauffeur van [medeverdachte] bij de drugshandel en met zijn voormelde betrokkenheid in de voorbereiding en uitvoering daarvan was de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde van zodanig gewicht dat deze rol in het geheel als medeplegen moet worden aangemerkt.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof kan zich vinden in de navolgende strafmaatoverwegingen van de rechtbank. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen overtreden van de Opiumwet door als chauffeur op verschillende momenten harddrugs te vervoeren. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA en/of (met)amfetamine. Op grond van de aangetroffen hoeveelheid chemicaliën mag worden aangenomen dat daarmee een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd had kunnen worden. Harddrugs zijn schadelijke stoffen voor de volksgezondheid. Door de verspreiding van deze verdovende middelen en het gebruik ervan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. De handel in harddrugs is regelmatig de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd.
Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Voorgaande is ook de reden dat er op het plegen van dergelijke Opiumwet-feiten met betrekking tot harddrugs strenge straffen staan.
Uit het rapport van de reclassering (het hof begrijpt: van 7 mei 2024) blijkt dat verdachte kampt met forse financiële problemen. Tevens begeeft hij zich mogelijk in een negatief sociaal netwerk en wordt er een pro-criminele houding gesignaleerd. Vorenstaande omstandigheden kunnen als risicofactoren worden aangemerkt. De reclassering constateert dat verdachte zijn huisvesting op het spel staat bij een eventuele detentie, hij geen werk of dagbesteding heeft en er als gevolg van een eetverslaving sprake is van zeer zorgelijk overgewicht. Door deze combinatie van factoren ervaart verdachte veel stress, wat mogelijk weer een negatieve invloed heeft op zijn eetverslaving. Onduidelijk is wat maakt dat verdachte zijn leven niet op orde krijgt, hierbij speelt mogelijk mee dat hij kampt met een cognitieve beperking. Dit zou van invloed kunnen zijn op het niet kunnen overzien van de gevolgen van zijn eigen handelen. Bij een veroordeling wordt het risico op recidive ingeschat als gemiddeld tot hoog. Ten aanzien van een mogelijk op te leggen gevangenisstraf geeft de reclassering aan dat alsdan een plaatsing in PI Haaglanden te Scheveningen kan worden overwogen, vanwege de fysieke beperkingen van verdachte. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling en het meewerken aan schuldhulpverlening.
Het hof heeft voorts gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 februari 2025.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de verdachte zich na uitnodiging door de reclassering meldt op de door haar aangegeven dag, tijden locatie. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Binnen het toezicht volgt de verdachte de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden, voor zover niet in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor de verdachte zich inzet deze te behalen;
dat de verdachte meewerkt aan diagnostiek en behandeling door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
dat de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. F.E.J. Goffin en mr. Z.J. Oosting, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,
en op 28 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.