Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-12
ECLI:NL:GHARL:2025:1668
Strafrecht
Hoger beroep
868 tokens
Inleiding
pkn: 21-000540-25 – 11 (s)
Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek in raadkamer van heden gedaan, namens de verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
verblijvende in het huis van bewaring te [plaats] ,
tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gehoord in de raadkamer van heden de advocaat-generaal en telefonisch
mr. D.M. Rupert, advocate te Amsterdam. Verdachte is via een videoverbinding gehoord.
Overwegingen
De raadsvrouw heeft een mondeling onderbouwd verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan.
De advocaat-generaal heeft zich gemotiveerd verzet tegen schorsing.
Het hof is van oordeel dat na afweging van alle betrokken belangen, het maatschappelijk en strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing daarvan, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de aard van de gronden enerzijds en de gestelde persoonlijke omstandigheden (voorbereiden van zijn verdediging, zijn gezin en zijn werk) anderzijds. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende meegewogen. De voorlopige hechtenis van verdachte is in eerste aanleg voorafgaand aan zijn berechting door de rechtbank enige tijd geschorst geweest. Deze schorsing is bevolen op basis van een belangenafweging waarbij de persoonlijke belangen zwaarder wogen dan het strafvorderlijk belang bij voortduren van de voorlopige hechtenis. Op het moment van deze afweging door de rechtbank was een drietal strafvorderlijke punten nog onzeker: de vraag wanneer de rechtbank vonnis zou wijzen, de vraag of de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring en tenslotte de vraag welke straf alsdan aan de orde zou zijn. Deze onzekerheden maakten het genoemde strafvorderlijk belang relatief minder zwaar en daarmee de persoonlijke belangen van de verdachte relatief zwaarder. Thans zijn de drie genoemde voorheen onzekere punten ingekaderd. De rechtbank heeft op 27 januari 2025 vonnis gewezen, de feiten bewezenverklaard en een straf passend en geboden gevonden die uitgaat boven de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft voorts expliciet overwogen geen ruimte meer te zien voor voortduring van de schorsing.
Met het inkaderen van de genoemde punten en het feit dat na een veroordeling in eerste aanleg het Europeesrechtelijk kader van artikel 5, lid 1 sub c EVRM niet meer van toepassing is, dienen de persoonlijke belangen van verdachte zwaarwegender te zijn willen deze een schorsing kunnen rechtvaardigen. Hiervan is het hof thans niet gebleken.
De door verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden beoordeelt het hof niet als dergelijke bijzondere, zwaarwegende persoonlijke omstandigheden.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
Dictum
Het hof wijst het verzoek af.
Aldus gegeven op 12 maart 2025 door mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren, in tegenwoordigheid van
A. van de Wardt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.