Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-04
ECLI:NL:GHARL:2025:1208
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,592 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.824/01
CJIB-nummer
: 252938434
Uitspraak d.d.
: 4 maart 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden zijn ingediend en dit verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn is hersteld.
2. De kantonrechter heeft het door de gemachtigde ingestelde beroep inhoudelijk beoordeeld en het beroep ongegrond verklaard. Het hof leidt hieruit af dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie onjuist heeft geacht. Gelet op de inhoud van de beslissing van de kantonrechter, zal het hof het dictum van de beslissing verbeterd lezen in die zin dat het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is verklaard, de beslissing van de officier van justitie is vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond verklaard.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 oktober 2022 om 13:38 uur op de Capelseweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene geen mobiele telefoon heeft vastgehouden. Niet is gecontroleerd of het daadwerkelijk om een mobiel elektronisch apparaat zou gaan. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de agent zag dat de betrokkene een mobiele telefoon vasthield, maar er wordt niet omschreven dat het gaat om een mobiel elektronisch apparaat, zodat de beschikking niet in stand kan blijven. De betrokkene heeft tijdens het rijden zijn hand op de schakelpook gehad en af en toe het LED-scherm in zijn auto bediend. Waarschijnlijk heeft de agent dit aangezien voor een smartphone. De agent heeft de verklaring van de betrokkene bij staandehouding niet genoteerd. De betrokkene heeft van begin af aan aangevoerd dat het om een LED scherm ging, zodat een nadere toelichting gevraagd had moeten worden door middel van een aanvullend proces-verbaal. Nu dit niet is gebeurd, dient het beroep gegrond verklaard te worden, aldus de gemachtigde. Bij het hoger beroepschrift bevindt zich een foto waarop een (in de auto ingebouwd) scherm te zien is.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn rechterhand hield tijdens het rijden. (…)
Verdachte/betrokkene gaf geen verklaring.”
7. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar dat hij zag dat de betrokkene als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn rechterhand hield. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt ingevolge artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in elk geval verstaan een mobiele telefoon. Op grond van de gegevens in het zaakoverzicht kan worden vastgesteld dat de onderhavige gedraging is verricht. De enkele stelling dat de betrokkene zijn hand op de pook had en af en toe het LED-scherm in zijn auto heeft bediend, maakt niet dat moet worden getwijfeld aan de verklaring van de ambtenaar. De overgelegde foto van dat scherm maakt dit niet anders. Hieruit blijkt immers dat dit een in de auto ingebouwd scherm betreft, dat niet in de hand kan worden gehouden, zoals de ambtenaar blijkens zijn verklaring heeft gezien. Voor het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal door de ambtenaar bestaat dan ook geen aanleiding. Deze grond van de gemachtigde wordt door het hof verworpen.
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.