Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-25
ECLI:NL:GHARL:2025:1181
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,689 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.183/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132540)
beschikking van 25 februari 2025
in de zaak van
[verzoeker]
(de vader),die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Blokzijl te [woonplaats1] ,
en
[verweerster]
(de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure tot 14 mei 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van het NIFP van 21 november 2024 met een voordracht voor twee gedragsdeskundigen en een offerte;
- een brief van de raad van 10 december 2024, waarin de raad mededeelt niet op de zitting op 11 februari 2025 te zullen verschijnen;
- een journaalbericht namens de moeder van 28 januari 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 28 januari 2025.
1.3
Op 11 februari 2025 heeft een aanvullende mondelinge behandeling plaatsgevonden, ten overstaan van een deels andere samenstelling dan de samenstelling die de beschikking van 14 mei 2024 heeft gegeven. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Motivering
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 14 mei 2024 voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Het hof heeft een aanvullende mondelinge behandeling bepaald op 11 februari 2025 om, alvorens over te gaan tot het benoemen van de deskundigen, met partijen te spreken over de actuele stand van zaken en over de persoon van de deskundigen, de vraagstelling aan de deskundigen en de hoogte van het voorschot.
2.3
De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige1] problemen heeft op lichamelijk vlak, waarvoor hij de afgelopen 2,5 jaar hulp heeft gehad van onder andere een bekkenbodemtherapeut, een fysiotherapeut en de poep- en plaspoli van [naam1 ] . Als gevolg van deze problemen gaat [de minderjarige1] niet naar een reguliere bassischool, maar naar een medische school, op dit moment drie dagen per week. Uitbreiding naar vier dagen per week is volgens de bij [de minderjarige1] betrokken hulpverleners nog niet mogelijk. De hulpverleners van [de minderjarige1] hebben vanwege de medische problematiek van [de minderjarige1] , en de pijn en stress die daarmee gepaard gaat, ook geadviseerd om hem op dit moment nog geen statusvoorlichting te geven. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] dat er nu een deskundigenonderzoek gaat plaatsvinden. Het gaat om een heel intensief onderzoek, terwijl er op dit moment al veel hulpverlening bij [de minderjarige1] betrokken is vanuit [naam2] en [naam3] . Het onderzoek zal volgens de moeder bovendien een te grote weerslag hebben op het hele gezin, terwijl het juist weer wat beter lijkt te gaan met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
2.4
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij nog steeds volledig achter het voorgenomen onderzoek staat. Hij vindt het belangrijk dat het onderzoek op korte termijn zal worden opgestart.
2.5
Het hof ziet in hetgeen de moeder ter zitting naar voren heeft gebracht geen aanleiding om af te zien van het gelasten van het voorgenomen deskundigenonderzoek. Het hof staat nog altijd achter wat is overwogen in rechtsoverweging 5.5 van de beschikking van 14 mei 2024 en ziet het onderzoek juist gelet op de zorgen die er over [de minderjarige1] zijn ook als een mogelijkheid om goed zicht te krijgen op de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige1] en wat hij nodig heeft.
2.6
Het NIFP heeft in de brief van 21 november 2024 als deskundigen voorgedragen [naam4] (psycholoog) en [naam5] (orthopedagoog-generalist). Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij instemmen met de persoon van deze deskundigen. Het hof volgt daarom de voordracht van het NIFP en zal [naam4] en [naam5] tot deskundigen benoemen.
2.7
Het hof ziet aanleiding om de vraagstelling zoals voorgesteld in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 aan te vullen zoals door het NIFP is voorgesteld. Partijen zijn daarmee ter zitting akkoord gegaan. De onderzoeksvragen luiden dan als volgt:1. Hoe kunnen de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de vader als de moeder
worden beschreven?
2. Zijn er redenen om op grond daarvan contact en omgang tussen [de minderjarige1] en de vader af te wijzen?
3. Wat is er nodig om eventuele belemmeringen in de contacten tussen de vader en [de minderjarige1] weg te nemen en welke hulpverlening zou hiervoor passend kunnen zijn?
4. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de eventueel te nemen beslissingen?
5. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige1] worden omschreven? Wat zijn eventuele aandachtspunten? Indien sprake is van een verstoorde ontwikkeling op een of meer gebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn?
6. Wat zijn de specifieke pedagogische en affectieve behoeften van [de minderjarige1] ?
7. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de ouder(s) of verzorger(s) in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige1] ?
2.8
Het hof verzoekt de deskundigen binnen vier maanden na heden te rapporteren. Indien mocht blijken dat meer tijd nodig is kunnen de deskundigen de raadsheer-commissaris – via de griffie – om uitstel vragen.
2.9
Het hof laat de inrichting van het onderzoek aan de deskundigen over, met dien verstande dat zij daarbij de "Leidraad deskundige in civiele zaken", waaronder de paragraaf over het inzage- en blokkeringsrecht, in acht dienen te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
2.10
Indien de deskundigen in de uitvoering van het onderzoek op problemen stuiten, bijvoorbeeld als zou blijken dat het onderzoek zoals de moeder stelt op dit moment toch te belastend is voor [de minderjarige1] en/of een te grote weerslag heeft op het hele gezin, dan verzoekt het hof de deskundigen daarover – via de griffie – contact op te nemen met de raadsheer-commissaris. Het hof verzoekt de deskundigen bovendien om te bezien of tegemoet kan worden gekomen aan de wens van de moeder om eerst de onderzoeken ten aanzien van de vader en haar te verrichten en pas daarna de onderzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] .
2.11
Dit onderzoek is niet vrijblijvend. Het hof verwacht dat de moeder en de vader hieraan hun medewerking zullen verlenen. Indien dat onvoldoende het geval is, kan het hof daaraan de gevolgen verbinden die het hof geraden voorkomen. Het hof verzoekt de deskundigen daarover te rapporteren indien die situatie zich mocht voordoen.
2.12
In de tussenbeschikking van 14 mei 2024 heeft het hof geoordeeld dat het belang van [de minderjarige1] onder de gegeven omstandigheden met zich brengt dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komen van ’s Rijks kas. Om die reden is het hof voornemens aan partijen geen voorschot als bedoeld in artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te leggen. De deskundigen hebben de kosten van het onderzoek begroot op een bedrag van € 12.600,- exclusief btw en exclusief reiskosten. Het hof zal het voorschot van de deskundigen vaststellen op dat bedrag en bepalen dat dit voorschot ten laste van ’s Rijks kas in debet wordt gesteld. Het hof merkt hierbij op dat de kosten van het onderzoek zonder toestemming van de raadsheer-commissaris het bedrag van de offerte niet mogen overstijgen.
2.13
Het hof zal in afwachting van de deskundigenberichten iedere verdere beslissing aanhouden.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
beveelt een deskundigenonderzoek om aan het hof bericht uit te brengen ter beantwoording van de hiervoor onder 2.7 vermelde vragen en in dat kader aan het hof advies uit te brengen;
benoemt tot deskundigen:
- [naam4] (psycholoog); en
- [naam5] (orthopedagoog-generalist);
verzoekt de deskundigen het onderzoek zo spoedig mogelijk aan te vangen en het ondertekende deskundigenbericht zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vier maanden na heden aan de griffie van het hof te sturen (Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden);
bepaalt dat de deskundigen bij de uitvoering van het onderzoek de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl;
bepaalt dat als door betrokkenen geen gebruik wordt gemaakt van het blokkeringsrecht, de deskundigen eerst het deskundigenbericht in concept aan partijen toesturen en partijen in de gelegenheid stellen daarop te reageren, voordat zij definitief bericht aan het hof uitbrengen, in welk definitief bericht op de eventuele reacties van partijen gemotiveerd dient te zijn ingegaan;
bepaalt dat de deskundigen zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen kunnen wenden tot mr. L. van Dijk, die hierbij in plaats van mr. I.A. Vermeulen wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
beveelt partijen om aan de deskundigen alle door hun gewenste inlichtingen te verstrekken;
stelt het voorschot van de deskundigen vast op € 12.600,- (120 uren x € 105,-) exclusief btw en exclusief reiskosten en bepaalt dat dit voorschot ten laste van ’s Rijks kas in debet wordt gesteld;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan het NIFP verzendt;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, L. van Dijk en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 25 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.