Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-05
ECLI:NL:GHARL:2024:99
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,887 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.461/01
CJIB-nummer
: 246713538
Uitspraak d.d.
: 5 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Op 6 oktober 2023 is nog een e-mailbericht van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 december 2021 om 18.30 uur op de Akerstraat rotonde voor Alert in Heerlen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de kantonrechter heeft miskend dat het voertuig van de betrokkene zodanig stond dat er geen gevaar of hinder kon worden veroorzaakt. Uit de foto’s van de gedraging blijkt dat fietsers voldoende ruimte hadden om te passeren. Bovendien mogen zij ook van de rijbaan gebruik maken. De gemachtigde wijst er daarbij op dat artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 slechts ziet op evidente vormen van gevaar of hinder. De ambtenaren hadden wellicht een sanctie kunnen opleggen voor parkeren op het trottoir of de fietsstrook. Dat hebben zij echter niet gedaan. In deze fase van de procedure en in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal dit standpunt niet inneemt, is er geen aanleiding meer voor wijziging van de feitcode maar moet de inleidende beschikking worden vernietigd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig half op de stoep en half op het fietspad stond geparkeerd in de bocht op een rotonde.”
4. Verder bevinden zich foto’s van de gedraging in het dossier. Uit die foto’s blijkt dat het voertuig van de betrokkene in een bocht op de rotonde staat, met twee wielen op de fietsstrook en met twee wielen op het naast de fietsstrook gelegen trottoir.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat het voertuig zodanig geparkeerd stond dat fietsers moesten uitwijken en daardoor op de rijbaan terecht konden komen. Daarmee is een situatie gecreëerd waarmee gevaar of hinder voor andere weggebruikers kon worden veroorzaakt.
6. Het hof stelt vast dat het voertuig van de betrokkene op een rotonde stond. De op een rotonde aanwezige ruimte dient er niet alleen toe om de doorstroming van de weggebruikers die uit verschillende richtingen komen te bevorderen en de diverse weggebruikers de gelegenheid te geven de rotonde op te rijden en te verlaten, maar ook om de diverse weggebruikers overzicht en gelegenheid te bieden om te anticiperen op andere weggebruikers en te reageren op onverwachte situaties. Deze ruimte was niet alleen aanzienlijk beperkt door het voertuig van de betrokkene maar ook stond het voertuig van de betrokkene zodanig dat fietsers, als zij in onverwachte situaties moesten uitwijken, op de rijbaan terecht konden komen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat het voertuig van de betrokkene zodanig stond dat daardoor gevaar of hinder kon worden veroorzaakt.
7. Deze grond treft geen doel.
8. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich verder op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de bestuurder tevens de kentekenhouder van het voertuig is. De ambtenaar heeft de kentekenhouder van het voertuig ten onrechte als bestuurder van het voertuig aangemerkt.
9. Het zaakoverzicht bevat hieromtrent de volgende gegevens:
“Ik zag niemand in en of bij het voertuig aanwezig. (…)
De reden dat niet is staande gehouden is: niemand aanwezig bij het voertuig. (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik heb geen verklaring.”
10. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal d.d. 2 oktober 2023 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Toen ik het voertuig aan het bekeuren was en het proces-verbaal al af had, maar nog niet had afgedrukt kwam de bestuurder van het voertuig naar mij toe. Toen had ik al in het proces-verbaal gezet: ‘Geen staandehouding mogelijk, omdat er geen bestuurder aanwezig was’. Dit ben ik toen de bestuurder er uiteindelijk nog bijkwam vergeten weg te halen. Het proces-verbaal is dus op de bestuurder van het voertuig uitgeschreven, omdat ik hem uiteindelijk nog heb staande gehouden.”
11. Verder heeft de advocaat-generaal een uitdraai d.d. 16 december 2021 overgelegd waaruit blijkt dat de betrokkene de kentekenhouder van het voertuig met het onderhavige kenteken is.
12. Niet is betwist dat de betrokkene met de ambtenaar gesproken heeft. Uit het dossier zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de ambtenaar degene met wie hij heeft gesproken, de betrokkene, heeft kunnen aanmerken als de bestuurder van het voertuig. Dit betekent dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als bestuurder is opgelegd. De sanctie had aan de betrokkene als kentekenhouder moeten worden opgelegd. Echter is aannemelijk dat de betrokkene hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Daarom ziet het hof hierin geen aanleiding om de inleidende beschikking te vernietigen. Wel behoeft de motivering van de beslissing van de kantonrechter, die heeft overwogen dat de bestuurder tevens de kentekenhouder van het voertuig is, verbetering.
13. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
14. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.