Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-30
ECLI:NL:GHARL:2024:761
Civiel recht
Hoger beroep
6,252 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.323.877
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 10046155
arrest van 30 januari 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, gedaagde in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. I.P.M. Boelens
tegen
[geïntimeerde]
in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster]
die woont in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. G. de Gelder
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 11 april 2023 heeft op 9 mei 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de memorie van grieven van [appellant] , met productie
de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met productie
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
De vader van [appellant] huurde tot 2004 een woning aan de [adres] in [woonplaats1]
(hierna: de woning) van de moeder van [geïntimeerde] en sinds 2004 van [geïntimeerde] zelf. De
vader van [appellant] is op 4 februari 2022 overleden. [appellant] heeft tot 1987 bij zijn ouders in de
woning gewoond (tot zijn 25e jaar), en is daar in 1991 (hij was toen 29 jaar oud) weer
teruggekeerd. Zijn vader woonde toen alleen in de woning. Sindsdien staat [appellant] daar ingeschreven in de Basisregistratie Personen. [appellant] betaalt na het overlijden van zijn vader €82,- per maand aan [geïntimeerde] . De woning betreft een vrijstaand huis met een perceel van 780 m2.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning zal voortzetten, op grond van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [geïntimeerde] heeft in reconventie onder meer ontruiming van de woning gevorderd.
2.3.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering van [appellant] alsnog wordt toegewezen en dat de door de kantonrechter toegewezen vordering van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning wordt afgewezen.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal oordelen dat de grieven van [appellant] geen doel treffen en dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat [appellant] de woning moet ontruimen. Het hof zal zijn beslissing hieronder toelichten.
Voortzetten huur na overlijden huurder
3.2.
Zoals de kantonrechter heeft vooropgesteld, regelt de wet in artikel 7:268 onder lid 2 en 3 BW de vereisten voor het voortzetten van de huur door een medebewoner van het gehuurde na overlijden van de huurder. De medebewoner moet zijn hoofdverblijf hebben in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad met de overleden huurder. De rechter wijst een vordering tot voortzetten van de huur in ieder geval af als onvoldoende waarborg wordt geboden voor betaling van de huurprijs of als er, indien de Huisvestingswet 2014 op de woning van toepassing is, geen huisvestingsvergunning wordt overgelegd.
Geen huisvestingsvergunning
3.3.
De woning is gelegen in de regio Utrecht. Sinds 1 juli 2023 geldt voor die regio de Huisvestingsverordening Gemeente Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening) als uitwerking van de Huisvestingswet 2014. In deze verordening staat dat een huisvestingsvergunning verplicht is voor sociale huurwoningen (artikel 2 lid 1 van de Huisvestingsverordening). Gelet op de huurprijs van de woning (€ 82 per maand) is de woning aan te merken als een sociale huurwoning in de zin van de Huisvestingsverordening (artikel 1 van de Huisvestingsverordening). Er is dus een huisvestingsvergunning nodig voor deze woning.
3.4.
[appellant] heeft op 10 januari 2023 een huisvestingsvergunning aangevraagd bij de Gemeente Utrechtse Heuvelrug. Op 2 maart 2023 heeft de Gemeente Utrechtse Heuvelrug de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege ontbrekende gegevens. [appellant] heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de bezwaarschriftencommissie van de Gemeente Utrechtse Heuvelrug zal binnenkort advies uitbrengen aan het college van B&W over een door dit college te nemen beslissing op het bezwaar.
3.5.
Zolang het besluit van de Gemeente Utrechtse Heuvelrug tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van [appellant] niet is vernietigd, moet het hof echter uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit, zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als de inhoud ervan. Het betreft hier namelijk een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in het bestuursrechtelijke traject, zodat de civiele rechter zich moet richten naar de beslissing die in dat traject genomen is. Dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van de Gemeente maakt dit niet anders. [appellant] heeft op dit moment geen huisvestingsvergunning. Dit betekent dat zijn vordering tot verklaring voor recht dat hij de huur van de woning mag voortzetten moet worden afgewezen.
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding
3.6.
Hoewel de vordering van [appellant] reeds moet worden afgewezen omdat een huisvestingsvergunning ontbreekt, ziet het hof aanleiding om ten overvloede nog het volgende te overwegen. Als [appellant] wel een huisvestingsvergunning zou kunnen overleggen, dan zou de vordering nog niet kunnen worden toegewezen, omdat het hof van oordeel is dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevormd. De reden daarvan legt het hof hieronder uit.
3.7.
De vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval in hun onderling verband. De duurzaamheid wordt bepaald door objectieve factoren zoals de duur van de samenwoning en door subjectieve factoren zoals de bedoeling van betrokkenen. In het onderhavige geval gaat het om het samenwonen van een meerderjarige zoon met zijn vader. Zoals de kantonrechter terecht vooropstelt, is er bij de samenleving tussen ouder en kind in principe sprake van een aflopende samenlevingssituatie. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding.
3.8.
Bij een vordering als die van [appellant] , die is gebaseerd op artikel 7:268 lid 2 BW, ligt het op de weg van de huurder om, bij betwisting door de verhuurder, voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren. De verzwaarde stelplicht van de huurder betreft het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding als zodanig, maar niet de duurzaamheid ervan. Deze heersende rechtspraak is niet in strijd met de bedoeling van de wetgever, zoals [appellant] in grief 1 aanvoert, maar een nadere invulling daarvan.
3.9.
[appellant] stelt dat hij en zijn vader duidelijke afspraken hadden over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding: zijn vader betaalde de huur, hij betaalde alle andere vaste lasten, zoals energie, tv, internet, water en gemeentelijke belastingen. [appellant] stelt deze lasten al een lange tijd te dragen. Hij onderbouwt deze kosten echter slechts met een bankafschrift van 2020 waarop te zien is dat de betreffende kosten middels automatische incasso maandelijks worden afgeschreven van zijn rekening. Hieruit kan echter niet afgeleid worden dat [appellant] de afgelopen 31 jaar daadwerkelijk die kosten heeft betaald. Onduidelijk is immers wanneer de automatische incasso is ingegaan en eventueel is beëindigd. De (betaling van de) verdere kosten van de huishouding word(t)en, tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , ook onvoldoende gemotiveerd (met stukken) onderbouwd. Een door [appellant] overlegd bankafschrift waarop een afschrijving is vermeld van 21 euro voor boodschappen in 2020, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [appellant] structureel heeft bijgedragen in de kosten voor de huishouding, laat staan dat daaruit de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat het hier een uitgave voor een gemeenschappelijke huishouding betreft. Het had op de weg van [appellant] gelegen zijn aandeel in die kosten, zoals de uitgaven voor de boodschappen, meubels of onderhoud van de woning nader te onderbouwen met bankafschriften, pintransacties of andere bewijsmiddelen. [appellant] verwijst naar de korting op zijn bijstandsuitkering en hij stelt dat hij 300 euro per maand minder aan bijstand ontving omdat hij en zijn vader de kosten voor de huishouding deelden. Deze korting is echter slechts toegepast omdat [appellant] een woning deelde, maar daaruit kan niet afgeleid worden dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met zijn vader.
3.10.
[appellant] stelt verder dat hij gezamenlijke activiteiten met zijn vader ondernam, zoals het doen van de boodschappen en de was en dat ze samen aten. Ze deelden de keuken en de voorkamer, maar hadden ieder een eigen slaapkamer. Stofzuigen en opruimen deed [appellant] vaak; het schoonmaken werd gezamenlijk gedaan. Ook gingen [appellant] en zijn vader geregeld naar België, waar zijn vader een stuk land met een caravan had. Hij stelt verder dat zijn vader en hij in geval van ziekte elkaar naar medische afspraken reden. Deze, weinig concrete, verklaringen onderbouwen de stelling van [appellant] dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ook onvoldoende. [appellant] stelt dat hij in bewijsnood verkeert doordat zijn vader is overleden en dat hij daarom zijn stellingen niet meer kan onderbouwen. Het is echter aan [appellant] , gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , om voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 7 december 2022;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 343,- aan griffierecht
€ 2366,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief II (€1183))
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, D. Stoutjesdijk en J.C.J. Luijten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024.
HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347 (Heesch/Van den Akker).
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93.
HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93.
HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901.
HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.323.877
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 10046155
arrest van 30 januari 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, gedaagde in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. I.P.M. Boelens
tegen
[geïntimeerde]
in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster]
die woont in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. G. de Gelder
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 11 april 2023 heeft op 9 mei 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de memorie van grieven van [appellant] , met productie
de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met productie
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
De vader van [appellant] huurde tot 2004 een woning aan de [adres] in [woonplaats1]
(hierna: de woning) van de moeder van [geïntimeerde] en sinds 2004 van [geïntimeerde] zelf. De
vader van [appellant] is op 4 februari 2022 overleden. [appellant] heeft tot 1987 bij zijn ouders in de
woning gewoond (tot zijn 25e jaar), en is daar in 1991 (hij was toen 29 jaar oud) weer
teruggekeerd. Zijn vader woonde toen alleen in de woning. Sindsdien staat [appellant] daar ingeschreven in de Basisregistratie Personen. [appellant] betaalt na het overlijden van zijn vader €82,- per maand aan [geïntimeerde] . De woning betreft een vrijstaand huis met een perceel van 780 m2.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning zal voortzetten, op grond van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [geïntimeerde] heeft in reconventie onder meer ontruiming van de woning gevorderd.
2.3.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering van [appellant] alsnog wordt toegewezen en dat de door de kantonrechter toegewezen vordering van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning wordt afgewezen.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal oordelen dat de grieven van [appellant] geen doel treffen en dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat [appellant] de woning moet ontruimen. Het hof zal zijn beslissing hieronder toelichten.
Voortzetten huur na overlijden huurder
3.2.
Zoals de kantonrechter heeft vooropgesteld, regelt de wet in artikel 7:268 onder lid 2 en 3 BW de vereisten voor het voortzetten van de huur door een medebewoner van het gehuurde na overlijden van de huurder. De medebewoner moet zijn hoofdverblijf hebben in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad met de overleden huurder. De rechter wijst een vordering tot voortzetten van de huur in ieder geval af als onvoldoende waarborg wordt geboden voor betaling van de huurprijs of als er, indien de Huisvestingswet 2014 op de woning van toepassing is, geen huisvestingsvergunning wordt overgelegd.
Geen huisvestingsvergunning
3.3.
De woning is gelegen in de regio Utrecht. Sinds 1 juli 2023 geldt voor die regio de Huisvestingsverordening Gemeente Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening) als uitwerking van de Huisvestingswet 2014. In deze verordening staat dat een huisvestingsvergunning verplicht is voor sociale huurwoningen (artikel 2 lid 1 van de Huisvestingsverordening). Gelet op de huurprijs van de woning (€ 82 per maand) is de woning aan te merken als een sociale huurwoning in de zin van de Huisvestingsverordening (artikel 1 van de Huisvestingsverordening). Er is dus een huisvestingsvergunning nodig voor deze woning.
3.4.
[appellant] heeft op 10 januari 2023 een huisvestingsvergunning aangevraagd bij de Gemeente Utrechtse Heuvelrug. Op 2 maart 2023 heeft de Gemeente Utrechtse Heuvelrug de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege ontbrekende gegevens. [appellant] heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de bezwaarschriftencommissie van de Gemeente Utrechtse Heuvelrug zal binnenkort advies uitbrengen aan het college van B&W over een door dit college te nemen beslissing op het bezwaar.
3.5.
Zolang het besluit van de Gemeente Utrechtse Heuvelrug tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van [appellant] niet is vernietigd, moet het hof echter uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit, zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als de inhoud ervan. Het betreft hier namelijk een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in het bestuursrechtelijke traject, zodat de civiele rechter zich moet richten naar de beslissing die in dat traject genomen is. Dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van de Gemeente maakt dit niet anders. [appellant] heeft op dit moment geen huisvestingsvergunning. Dit betekent dat zijn vordering tot verklaring voor recht dat hij de huur van de woning mag voortzetten moet worden afgewezen.
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding
3.6.
Hoewel de vordering van [appellant] reeds moet worden afgewezen omdat een huisvestingsvergunning ontbreekt, ziet het hof aanleiding om ten overvloede nog het volgende te overwegen. Als [appellant] wel een huisvestingsvergunning zou kunnen overleggen, dan zou de vordering nog niet kunnen worden toegewezen, omdat het hof van oordeel is dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevormd. De reden daarvan legt het hof hieronder uit.
3.7.
De vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval in hun onderling verband. De duurzaamheid wordt bepaald door objectieve factoren zoals de duur van de samenwoning en door subjectieve factoren zoals de bedoeling van betrokkenen. In het onderhavige geval gaat het om het samenwonen van een meerderjarige zoon met zijn vader. Zoals de kantonrechter terecht vooropstelt, is er bij de samenleving tussen ouder en kind in principe sprake van een aflopende samenlevingssituatie. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding.
3.8.
Bij een vordering als die van [appellant] , die is gebaseerd op artikel 7:268 lid 2 BW, ligt het op de weg van de huurder om, bij betwisting door de verhuurder, voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren. De verzwaarde stelplicht van de huurder betreft het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding als zodanig, maar niet de duurzaamheid ervan. Deze heersende rechtspraak is niet in strijd met de bedoeling van de wetgever, zoals [appellant] in grief 1 aanvoert, maar een nadere invulling daarvan.
3.9.
[appellant] stelt dat hij en zijn vader duidelijke afspraken hadden over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding: zijn vader betaalde de huur, hij betaalde alle andere vaste lasten, zoals energie, tv, internet, water en gemeentelijke belastingen. [appellant] stelt deze lasten al een lange tijd te dragen. Hij onderbouwt deze kosten echter slechts met een bankafschrift van 2020 waarop te zien is dat de betreffende kosten middels automatische incasso maandelijks worden afgeschreven van zijn rekening. Hieruit kan echter niet afgeleid worden dat [appellant] de afgelopen 31 jaar daadwerkelijk die kosten heeft betaald. Onduidelijk is immers wanneer de automatische incasso is ingegaan en eventueel is beëindigd. De (betaling van de) verdere kosten van de huishouding word(t)en, tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , ook onvoldoende gemotiveerd (met stukken) onderbouwd. Een door [appellant] overlegd bankafschrift waarop een afschrijving is vermeld van 21 euro voor boodschappen in 2020, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [appellant] structureel heeft bijgedragen in de kosten voor de huishouding, laat staan dat daaruit de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat het hier een uitgave voor een gemeenschappelijke huishouding betreft. Het had op de weg van [appellant] gelegen zijn aandeel in die kosten, zoals de uitgaven voor de boodschappen, meubels of onderhoud van de woning nader te onderbouwen met bankafschriften, pintransacties of andere bewijsmiddelen. [appellant] verwijst naar de korting op zijn bijstandsuitkering en hij stelt dat hij 300 euro per maand minder aan bijstand ontving omdat hij en zijn vader de kosten voor de huishouding deelden. Deze korting is echter slechts toegepast omdat [appellant] een woning deelde, maar daaruit kan niet afgeleid worden dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met zijn vader.
3.10.
[appellant] stelt verder dat hij gezamenlijke activiteiten met zijn vader ondernam, zoals het doen van de boodschappen en de was en dat ze samen aten. Ze deelden de keuken en de voorkamer, maar hadden ieder een eigen slaapkamer. Stofzuigen en opruimen deed [appellant] vaak; het schoonmaken werd gezamenlijk gedaan. Ook gingen [appellant] en zijn vader geregeld naar België, waar zijn vader een stuk land met een caravan had. Hij stelt verder dat zijn vader en hij in geval van ziekte elkaar naar medische afspraken reden. Deze, weinig concrete, verklaringen onderbouwen de stelling van [appellant] dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ook onvoldoende. [appellant] stelt dat hij in bewijsnood verkeert doordat zijn vader is overleden en dat hij daarom zijn stellingen niet meer kan onderbouwen. Het is echter aan [appellant] , gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , om voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 7 december 2022;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 343,- aan griffierecht
€ 2366,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief II (€1183))
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, D. Stoutjesdijk en J.C.J. Luijten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024.
HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347 (Heesch/Van den Akker).
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93.
HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93.
HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901.
HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.