Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-05
ECLI:NL:GHARL:2024:7545
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,070 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.124
(zaaknummer rechtbank Overijssel 314403)
beschikking van 5 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. van Gils-Lessy,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 september 2024;
het verweerschrift van de GI met producties;
een journaalbericht namens de moeder van 13 november 2024 met een productie.
2.2
De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
3.1
De moeder en [naam 4] (verder te noemen: de vader) zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016.
De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De vader en [de minderjarige] hebben, nadat er enige tijd onder regie van de GI begeleide omgang plaatsvond, sinds 29 december 2023 geen contact met elkaar gehad.
3.3
Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 13 juli 2023. Op 20 juni 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 juli 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 juli 2025.
4.2
De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair de bestreden beschikking te vernietigen en (het hof begrijpt:) het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen; of
subsidiair de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van drie maanden dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt.
4.3
De GI voert verweer. De GI vraagt het hof de verzoeken in hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
5.3
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat bij [de minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Dat betekent dat de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] terecht heeft verlengd. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4
Uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat bij [de minderjarige] sprake is van ernstige gedragsproblematiek. [de minderjarige] gaat inmiddels naar speciaal onderwijs, maar daarvoor is hij zeven maanden niet naar school gegaan. Hoewel het een positieve ontwikkeling is dat [de minderjarige] weer naar school gaat, gaat het nog niet goed op school. Recent heeft zich een heftig incident voor gedaan op school en [de minderjarige] is, aldus de moeder, meerdere keren gefixeerd. Ook tijdens een onverwacht huisbezoek van de jeugdbeschermer reageerde [de minderjarige] buitensporig heftig op de aanwezigheid van de jeugdbeschermer. [de minderjarige] heeft tijdens dit bezoek geprobeerd de jeugdbeschermer aan te vallen. De moeder heeft de klappen en het spugen van [de minderjarige] , bedoeld voor de jeugdbeschermer, opgevangen. Tijdens de mondelinge behandeling was iedereen het erover eens dat moet worden uitgezocht waarom [de minderjarige] in bepaalde situaties zo heftig reageert, maar de moeder meent, anders dan de GI, dat dit in een vrijwillig kader mogelijk is. Het hof volgt de moeder hierin niet. De gedragsproblematiek van [de minderjarige] is namelijk te ernstig om deze in het vrijwillig kader te onderzoeken en eventueel weg te nemen. Daarbij komt dat de moeder in het beroepschrift, dat is ingediend in de periode dat [de minderjarige] niet naar school ging, nog aanvoerde dat er niet langer sprake was van ernstige zorgen over de schoolgang en thuissituatie van [de minderjarige] . In dat licht kan niet worden aangenomen dat de moeder bestendig openstaat voor hulpverlening in het vrijwillig kader. De GI heeft sinds [de minderjarige] naar de nieuwe school gaat opnieuw vraagtekens bij ziekmeldingen van [de minderjarige] , waardoor er wederom zorgen zijn over de schoolgang. Voor de gedragsproblemen in de thuissituatie is recent ambulante spoedhulpverlening (ASH) ingezet. Daarnaast heeft aanmelding plaatsgevonden bij [naam1] van [naam2] . [naam1] biedt praktische ondersteuning en maakt gezinnen sterker. Tot slot zal de omgang tussen de vader en [de minderjarige] worden hervat en begeleid door [naam3] . De aarzelingen van de moeder over deze omgang maakt tot slot dat het hof vraagtekens heeft bij de vraag of de moeder in staat zal zijn om [de minderjarige] hiervoor emotionele toestemming te geven, dan wel dit in een vrijwillig kader zelf te regelen.
5.5
Gelet op het voorgaande is het hof dus van oordeel dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling terecht heeft verlengd. Het hof ziet in de hiervoor geschetste omstandigheden en het gegeven dat er, zowel volgens de moeder als de GI, nader onderzoek nodig is naar de problematiek van [de minderjarige] waarover nu nog veel onduidelijk is, ook geen redenen om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] slechts voor een kortere termijn te verlengen, zoals door de moeder subsidiair is verzocht.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 juli 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en E. de Boer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 1:260 BW
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.124
(zaaknummer rechtbank Overijssel 314403)
beschikking van 5 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. van Gils-Lessy,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 september 2024;
het verweerschrift van de GI met producties;
een journaalbericht namens de moeder van 13 november 2024 met een productie.
2.2
De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
3.1
De moeder en [naam 4] (verder te noemen: de vader) zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016.
De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De vader en [de minderjarige] hebben, nadat er enige tijd onder regie van de GI begeleide omgang plaatsvond, sinds 29 december 2023 geen contact met elkaar gehad.
3.3
Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 13 juli 2023. Op 20 juni 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 juli 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 juli 2025.
4.2
De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair de bestreden beschikking te vernietigen en (het hof begrijpt:) het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen; of
subsidiair de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van drie maanden dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt.
4.3
De GI voert verweer. De GI vraagt het hof de verzoeken in hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
5.3
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat bij [de minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Dat betekent dat de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] terecht heeft verlengd. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4
Uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat bij [de minderjarige] sprake is van ernstige gedragsproblematiek. [de minderjarige] gaat inmiddels naar speciaal onderwijs, maar daarvoor is hij zeven maanden niet naar school gegaan. Hoewel het een positieve ontwikkeling is dat [de minderjarige] weer naar school gaat, gaat het nog niet goed op school. Recent heeft zich een heftig incident voor gedaan op school en [de minderjarige] is, aldus de moeder, meerdere keren gefixeerd. Ook tijdens een onverwacht huisbezoek van de jeugdbeschermer reageerde [de minderjarige] buitensporig heftig op de aanwezigheid van de jeugdbeschermer. [de minderjarige] heeft tijdens dit bezoek geprobeerd de jeugdbeschermer aan te vallen. De moeder heeft de klappen en het spugen van [de minderjarige] , bedoeld voor de jeugdbeschermer, opgevangen. Tijdens de mondelinge behandeling was iedereen het erover eens dat moet worden uitgezocht waarom [de minderjarige] in bepaalde situaties zo heftig reageert, maar de moeder meent, anders dan de GI, dat dit in een vrijwillig kader mogelijk is. Het hof volgt de moeder hierin niet. De gedragsproblematiek van [de minderjarige] is namelijk te ernstig om deze in het vrijwillig kader te onderzoeken en eventueel weg te nemen. Daarbij komt dat de moeder in het beroepschrift, dat is ingediend in de periode dat [de minderjarige] niet naar school ging, nog aanvoerde dat er niet langer sprake was van ernstige zorgen over de schoolgang en thuissituatie van [de minderjarige] . In dat licht kan niet worden aangenomen dat de moeder bestendig openstaat voor hulpverlening in het vrijwillig kader. De GI heeft sinds [de minderjarige] naar de nieuwe school gaat opnieuw vraagtekens bij ziekmeldingen van [de minderjarige] , waardoor er wederom zorgen zijn over de schoolgang. Voor de gedragsproblemen in de thuissituatie is recent ambulante spoedhulpverlening (ASH) ingezet. Daarnaast heeft aanmelding plaatsgevonden bij [naam1] van [naam2] . [naam1] biedt praktische ondersteuning en maakt gezinnen sterker. Tot slot zal de omgang tussen de vader en [de minderjarige] worden hervat en begeleid door [naam3] . De aarzelingen van de moeder over deze omgang maakt tot slot dat het hof vraagtekens heeft bij de vraag of de moeder in staat zal zijn om [de minderjarige] hiervoor emotionele toestemming te geven, dan wel dit in een vrijwillig kader zelf te regelen.
5.5
Gelet op het voorgaande is het hof dus van oordeel dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling terecht heeft verlengd. Het hof ziet in de hiervoor geschetste omstandigheden en het gegeven dat er, zowel volgens de moeder als de GI, nader onderzoek nodig is naar de problematiek van [de minderjarige] waarover nu nog veel onduidelijk is, ook geen redenen om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] slechts voor een kortere termijn te verlengen, zoals door de moeder subsidiair is verzocht.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 juli 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en E. de Boer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 1:260 BW