Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-10-30
ECLI:NL:GHARL:2024:6709
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
10,002 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005167-21
Uitspraak d.d.: 30 oktober 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2021 met parketnummer 18-243076-20 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
thans uit andere hoofde verblijvende in de P.I. [verblijfplaats]
Dictum
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 18 november 2021, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 18 november 2021 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 18-243076-20, het door de betrokkene door middel van en/of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 34.714,96 en hem de verplichting opgelegd ditzelfde bedrag aan de Staat te betalen.
Gebruik van het rechtsmiddel
De betrokkene is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde beslissing in hoger beroep gekomen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman,
mr. B. Hartman, naar voren is gebracht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof vaststelt dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, dat het hof dit voordeel schat op een bedrag van € 34.714,96 en dat het hof het door de betrokkene aan de Staat te betalen bedrag vaststelt op € 34.714,96.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter zitting van het hof betoogd dat dit voordeel € 17.707,48 bedraagt. Volgens de verdediging is de helft van het geld dat de slachtoffers afhandig is gemaakt door de betrokkene aan de ‘strijkstok’ blijven hangen door:
betaling van de gebruikte moneymules en
het verlies aan nominale waarde bij de verkoop van de met het voordeel aangeschafte paysafecards door de betrokkene.
Door de betrokkene zelf is daarnaast naar voren gebracht dat hij de feiten met (een niet nader genoemd aantal) medeplegers heeft begaan en dat het voordeel niet alleen bij hem terecht is gekomen.
Dictum
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep, omdat de rechtbank haar beslissing niet heeft onderbouwd met bewijsmiddelen, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Feiten
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2021 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf ter zake van:
feit 1: oplichting, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020;
feit 2: computervredebreuk, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020;
feit 3: diefstal met valse sleutels, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
De vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat
Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene door middel van of uit de baten van de hiervoor genoemde strafbare feiten ter zake waarvan de betrokkene is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel verkregen.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 34.714,96.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt uit het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel onderzoek Lehau/ NN1R020066, opgemaakt op 8 juli 2021 door hoofdagent S. Wagtendonk.
De betrokkene heeft door middel van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld bij totaal 48 slachtoffers geld van bankrekeningen weg weten te sluizen en dat vervolgens opgenomen. Hij heeft daarvoor € 700,00 kosten gemaakt voor de aanschaf van lijsten met telefoonnummers met potentiële slachtoffers.
De berekening is als volgt:
aangever
weggenomen bedrag
1
[aangever]
€ 4.021,00
2
[aangever]
€ 198,00
3
[aangever]
€ 200,00
4
[aangever]
€ 1.967,88
5
[aangever]
€ 380,00
6
[aangever]
€ 100,00
7
[aangever]
€ 264,00
8
[aangever]
€ 87,80
9
[aangever]
€ 404,00
10
[aangever]
€ 152,38
11
[aangever]
€ 204,95
12
[aangever]
€ 100,00
13
[aangever]
€ 100,00
14
[aangever]
€ 1.339,02
15
[aangever]
€ 739,96
16
[aangever]
€ 200,00
17
[aangever]
€ 210,17
18
[aangever]
€ 210,00
19
[aangever]
€ 1.874,70
20
[aangever]
€ 672,55
21
[aangever]
€ 650,00
22
[aangever]
€ 133,00
23
[aangever]
€ 184,00
24
[aangever]
€ 2.205,00
25
[aangever]
€ 1.975,72
26
[aangever]
€ 75,00
27
[aangever]
€ 53,00
28
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 34.714,96 (vierendertigduizend zevenhonderdveertien euro en zesennegentig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 31.243,46 (eenendertigduizend tweehonderddrieënveertig euro en zesenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 624 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 30 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005167-21
Uitspraak d.d.: 30 oktober 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2021 met parketnummer 18-243076-20 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
thans uit andere hoofde verblijvende in de P.I. [verblijfplaats]
Dictum
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 18 november 2021, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 18 november 2021 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 18-243076-20, het door de betrokkene door middel van en/of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 34.714,96 en hem de verplichting opgelegd ditzelfde bedrag aan de Staat te betalen.
Gebruik van het rechtsmiddel
De betrokkene is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde beslissing in hoger beroep gekomen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman,
mr. B. Hartman, naar voren is gebracht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof vaststelt dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, dat het hof dit voordeel schat op een bedrag van € 34.714,96 en dat het hof het door de betrokkene aan de Staat te betalen bedrag vaststelt op € 34.714,96.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter zitting van het hof betoogd dat dit voordeel € 17.707,48 bedraagt. Volgens de verdediging is de helft van het geld dat de slachtoffers afhandig is gemaakt door de betrokkene aan de ‘strijkstok’ blijven hangen door:
betaling van de gebruikte moneymules en
het verlies aan nominale waarde bij de verkoop van de met het voordeel aangeschafte paysafecards door de betrokkene.
Door de betrokkene zelf is daarnaast naar voren gebracht dat hij de feiten met (een niet nader genoemd aantal) medeplegers heeft begaan en dat het voordeel niet alleen bij hem terecht is gekomen.
Dictum
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep, omdat de rechtbank haar beslissing niet heeft onderbouwd met bewijsmiddelen, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Feiten
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2021 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf ter zake van:
feit 1: oplichting, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020;
feit 2: computervredebreuk, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020;
feit 3: diefstal met valse sleutels, meermalen gepleegd, in de periode 25 maart 2019 tot en met 28 september 2020.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
De vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat
Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene door middel van of uit de baten van de hiervoor genoemde strafbare feiten ter zake waarvan de betrokkene is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel verkregen.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 34.714,96.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt uit het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel onderzoek Lehau/ NN1R020066, opgemaakt op 8 juli 2021 door hoofdagent S. Wagtendonk.
De betrokkene heeft door middel van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld bij totaal 48 slachtoffers geld van bankrekeningen weg weten te sluizen en dat vervolgens opgenomen. Hij heeft daarvoor € 700,00 kosten gemaakt voor de aanschaf van lijsten met telefoonnummers met potentiële slachtoffers.
De berekening is als volgt:
aangever
weggenomen bedrag
1
[aangever]
€ 4.021,00
2
[aangever]
€ 198,00
3
[aangever]
€ 200,00
4
[aangever]
€ 1.967,88
5
[aangever]
€ 380,00
6
[aangever]
€ 100,00
7
[aangever]
€ 264,00
8
[aangever]
€ 87,80
9
[aangever]
€ 404,00
10
[aangever]
€ 152,38
11
[aangever]
€ 204,95
12
[aangever]
€ 100,00
13
[aangever]
€ 100,00
14
[aangever]
€ 1.339,02
15
[aangever]
€ 739,96
16
[aangever]
€ 200,00
17
[aangever]
€ 210,17
18
[aangever]
€ 210,00
19
[aangever]
€ 1.874,70
20
[aangever]
€ 672,55
21
[aangever]
€ 650,00
22
[aangever]
€ 133,00
23
[aangever]
€ 184,00
24
[aangever]
€ 2.205,00
25
[aangever]
€ 1.975,72
26
[aangever]
€ 75,00
27
[aangever]
€ 53,00
28
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 34.714,96 (vierendertigduizend zevenhonderdveertien euro en zesennegentig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 31.243,46 (eenendertigduizend tweehonderddrieënveertig euro en zesenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 624 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 30 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Feiten
[aangever]
€ 459,00
29
[aangever]
€ 208,00
30
[aangever]
€ 208,00
31
[aangever]
€ 203,50
32
[aangever]
€ 208,00
33
[aangever]
€ 134,00
34
[aangever]
€ 126,36
35
[aangever]
€ 208,00
36
[aangever]
€ 81,00
37
[aangever]
€ 513,44
38
[aangever]
€ 2.914,00
39
[aangever]
€ 100,00
40
[aangever]
€ 3.120,00
41
[aangever]
€ 374,00
42
[aangever]
€ 624,90
43
[aangever]
€ 279,85
44
[aangever]
€ 200,00
45
[aangever]
€ 259,65
46
[aangever]
€ 2.285,92
47
[aangever]
€ 2.143,26
48
[aangever]
€ 2.061,95
Opbrengst
€ 35.414,96
Minus kosten
€ 700,00
Totaal
€ 34.714,96
Het hof heeft onvoldoende aanwijzingen dat er meer kosten zijn gemaakt door de betrokkene dan in de berekening is meegenomen.
De door de verdediging gestelde kosten van het gebruik van moneymules zijn niet onderbouwd en zijn niet aannemelijk geworden.
Ter zake het gestelde verlies bij de verkoop van de aangeschafte paysafekaarten, omdat hij niet de nominale waarde kon vragen, merkt het hof op dat de betrokkene er zelf voor heeft gekozen om het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel te besteden aan de aankoop van paysafekaarten. Zo dit gestelde verlies bij de verkoop van de paysafekaarten al is geleden, dan betreft dit geen kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezen verklaarde feiten waarop de ontneming is gebaseerd. Dit verlies komt voor eigen rekening en risico van de betrokkene nu hij het wederrechtelijk verkregen geld op deze wijze zegt te hebben besteed. Hier wordt dan ook geen rekening mee gehouden bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft voorts gesteld dat hij het verkregen voordeel heeft moeten delen met medeplegers. Hij is echter bij onherroepelijk geworden vonnis vrijgesproken van medeplegen en veroordeeld voor het alleen plegen van de feiten. Van medeplegers is derhalve geen sprake. Bovendien heeft betrokkene ook niet onderbouwd met wie en voor welk bedrag hij het verkregen voordeel zou hebben moeten delen.
Het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door het hof aldus geschat op € 34.714,96.
De verplichting tot betaling aan de Staat
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is in hoger beroep overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 26 november 2021 en dit arrest wordt gewezen op 30 oktober 2024, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding de betalingsverplichting met 10 procent te verminderen en legt de betrokkene daarom de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 31.243,46.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Feiten
[aangever]
€ 459,00
29
[aangever]
€ 208,00
30
[aangever]
€ 208,00
31
[aangever]
€ 203,50
32
[aangever]
€ 208,00
33
[aangever]
€ 134,00
34
[aangever]
€ 126,36
35
[aangever]
€ 208,00
36
[aangever]
€ 81,00
37
[aangever]
€ 513,44
38
[aangever]
€ 2.914,00
39
[aangever]
€ 100,00
40
[aangever]
€ 3.120,00
41
[aangever]
€ 374,00
42
[aangever]
€ 624,90
43
[aangever]
€ 279,85
44
[aangever]
€ 200,00
45
[aangever]
€ 259,65
46
[aangever]
€ 2.285,92
47
[aangever]
€ 2.143,26
48
[aangever]
€ 2.061,95
Opbrengst
€ 35.414,96
Minus kosten
€ 700,00
Totaal
€ 34.714,96
Het hof heeft onvoldoende aanwijzingen dat er meer kosten zijn gemaakt door de betrokkene dan in de berekening is meegenomen.
De door de verdediging gestelde kosten van het gebruik van moneymules zijn niet onderbouwd en zijn niet aannemelijk geworden.
Ter zake het gestelde verlies bij de verkoop van de aangeschafte paysafekaarten, omdat hij niet de nominale waarde kon vragen, merkt het hof op dat de betrokkene er zelf voor heeft gekozen om het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel te besteden aan de aankoop van paysafekaarten. Zo dit gestelde verlies bij de verkoop van de paysafekaarten al is geleden, dan betreft dit geen kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezen verklaarde feiten waarop de ontneming is gebaseerd. Dit verlies komt voor eigen rekening en risico van de betrokkene nu hij het wederrechtelijk verkregen geld op deze wijze zegt te hebben besteed. Hier wordt dan ook geen rekening mee gehouden bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft voorts gesteld dat hij het verkregen voordeel heeft moeten delen met medeplegers. Hij is echter bij onherroepelijk geworden vonnis vrijgesproken van medeplegen en veroordeeld voor het alleen plegen van de feiten. Van medeplegers is derhalve geen sprake. Bovendien heeft betrokkene ook niet onderbouwd met wie en voor welk bedrag hij het verkregen voordeel zou hebben moeten delen.
Het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door het hof aldus geschat op € 34.714,96.
De verplichting tot betaling aan de Staat
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is in hoger beroep overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 26 november 2021 en dit arrest wordt gewezen op 30 oktober 2024, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding de betalingsverplichting met 10 procent te verminderen en legt de betrokkene daarom de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 31.243,46.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.