Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-10-29
ECLI:NL:GHARL:2024:6641
Civiel recht
Hoger beroep
9,681 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.330.542
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 9805125)
arrest van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher
tegen
BMW Financial Services B.V.
die is gevestigd in Breda
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: BMW
advocaat: mr. E.H.J. Slager
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 september 2023 heeft op 1 december 2023 een (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.2.
Omdat in de dagvaarding in hoger beroep al de grieven waren opgenomen, heeft vervolgens BMW een memorie van antwoord ingediend. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
BMW heeft in het kader van een financial leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) van 25 augustus 2020 met Madison B.V. een Mini Cooper Countryman 1.5 (hierna: de auto) verstrekt. Tot 1 september 2020 was [appellant] bestuurder van Madison B.V. De aanschafprijs van de auto en de verschuldigde kredietvergoeding zijn onbetaald gebleven. Het is onbekend waar de auto is gebleven. Volgens BMW is (onder meer) [appellant] aansprakelijk voor de schade die BMW heeft geleden, omdat [appellant] als bestuurder namens Madison B.V. de overeenkomst is aangegaan en deze vennootschap geen enkele betaling heeft verricht. [appellant] betwist dat hij de overeenkomst (namens de vennootschap) is aangegaan.
2.2.
BMW heeft bij de kantonrechter gevorderd dat (onder meer) [appellant] wordt veroordeeld tot teruggave van de auto (onder verbeurte van een dwangsom) en tot betaling van een bedrag van € 32.000,03 aan hoofdsom, € 2.040,11 aan vervallen contractuele rente en € 5.808 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de resterende contractuele rente van 13% per jaar vanaf 10 maart 2022, onder aftrek van de taxatieprijs van de auto. BMW heeft daarnaast gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel toegewezen, met uitzondering van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot teruggave van de auto en met een beperking van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Feiten
3.1.
[appellant] is vanaf 9 juli 2018 bestuurder geweest van de vennootschap en is per 1 september 2020 in die hoedanigheid uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven. Na zijn uitschrijving hebben verschillende personen als bestuurder van de vennootschap in het Handelsregister ingeschreven gestaan.
3.2.
BMW heeft de auto verstrekt ter uitvoering van een financial leaseovereenkomst van 25 augustus 2020. De overeenkomst staat op naam van de vennootschap en achter de naam ‘ [appellant] ’ staat een handtekening. Uit de overeenkomst volgt dat een aanschafprijs van € 27.017,71 en een kredietvergoeding van € 5.143,09 is verschuldigd. De totale som van € 32.160,80 diende gedurende de looptijd van vijf jaar in maandelijkse termijnen aan BMW te worden betaald. Vervolgens is de auto bij BMW opgehaald.
3.3.
Vanaf 1 september 2020 diende maandelijks € 452,68 aan BMW te worden voldaan. Er zijn geen betalingen gedaan. BMW heeft de vennootschap bij brief van 30 oktober 2020 in gebreke gesteld en aangemaand om binnen veertien dagen tot betaling van de achterstand over te gaan, waarbij BMW tevens heeft aangezegd dat bij het uitblijven van betaling de gehele financiering ineens opeisbaar zal zijn en de auto moet worden teruggegeven.
Uitlenen identiteitsbewijs komt niet vast te staan
3.4.
De kantonrechter is in het bestreden vonnis ervan uitgegaan dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en alleen daarom al aansprakelijk is voor de door BMW geleden schade. [appellant] heeft dit oordeel in hoger beroep voldoende gemotiveerd betwist en BMW heeft vervolgens niet nader onderbouwd dat [appellant] inderdaad zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en ook niet voldoende specifiek te bewijzen aangeboden. Dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend is dus in hoger beroep niet vast komen te staan. Op die grondslag kan de veroordeling dus niet in stand blijven, in zoverre treft het bezwaar tegen het bestreden vonnis doel.
Het hof zal hierna alsnog de overige grondslagen voor de vordering van BMW beoordelen. Daarin zal ook aan de orde komen dat de vraag of er een kopie van een identiteitsbewijs is verstrekt niet relevant is.
Is [appellant] aansprakelijk voor de tekortkomingen uit de overeenkomst?
3.5.
Volgens BMW is [appellant] de overeenkomst namens de vennootschap aangegaan. [appellant] heeft daartoe de overeenkomst ondertekend en gegevens over (de financiële positie van) de vennootschap verstrekt op basis waarvan de overeenkomst door BMW is geaccepteerd. Zo heeft [appellant] de jaarstukken (van 2019) van de vennootschap verstrekt en heeft hij een verklaring ondertekend waarin staat dat hij de zogenaamde uiteindelijk belanghebbende (Ultimate Beneficial Owner, hierna: UBO) van de vennootschap is; op deze UBO-verklaring staan ook nog enige handgeschreven bewoordingen. [appellant] heeft de auto in persoon opgehaald, waarbij een medewerker van BMW op grond van het geldende beleid een face-to-face identificatie heeft uitgevoerd, aldus nog steeds BMW. De op grond van de overeenkomst maandelijks verschuldigde termijnen zijn onbetaald gebleven en de locatie van de auto is BMW onbekend. Volgens BMW is [appellant] , als bestuurder van de vennootschap ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, aansprakelijk voor de tekortkomingen van de vennootschap in de nakoming van de overeenkomst. Hij heeft de eigendomsrechten van BMW geschonden en heeft ervoor gezorgd dat de vennootschap de verplichtingen uit de overeenkomst in zijn geheel niet is nagekomen. Daarmee heeft hij volgens BMW onrechtmatig gehandeld.
3.6.
[appellant] betwist dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. Volgens [appellant] nam hij pas kennis van de overeenkomst toen hij een brief van BMW van 13 september 2021 op zijn privéadres ontving waarin BMW [appellant] voor de schade aansprakelijk stelt. Hij heeft geen aanvraag gedaan voor de overeenkomst en hij heeft de overeenkomst of de UBO-verklaring nooit ondertekend. [appellant] is bovendien nooit aandeelhouder (of UBO) van de vennootschap geweest. Volgens [appellant] heeft een ander identiteitsfraude gepleegd door op naam van [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst en de UBO-verklaring te ondertekenen. [appellant] betwist ook dat hij de auto heeft opgehaald.
3.7.
Het hof overweegt dat in hoger beroep eerst moet worden vastgesteld of [appellant] is betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst met BMW. Niet duidelijk is geworden of de handtekening onder de overeenkomst en de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, nu [appellant] ook dat gemotiveerd heeft betwist. De vraag of het de handtekeningen van [appellant] zijn die onder de documenten staan is van belang voor de beoordeling van het geschil, zodat het hof voornemens is om een (handschrift)deskundige te benoemen. Het hof zal dat hierna toelichten.
3.8.
Als de handtekening onder de overeenkomst wel van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands voldoende vast dat [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst is aangegaan. De overeenkomst is immers een onderhandse akte en levert op grond van artikel 157 lid 2 Rv ten aanzien van de verklaring van BMW dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Door [appellant] wordt de inhoud van de overeenkomst niet betwist (hij betwist alleen dat zijn handtekening eronder staat), zodat [appellant] niet in de gelegenheid zal worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen het dwingende bewijs van de inhoud van de overeenkomst.
3.9.
Als de handtekening onder de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands ook voldoende vast dat [appellant] als bestuurder van de vennootschap betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. In de UBO-verklaring is opgenomen: ‘De personen die deze verklaring ondertekenen, zijn onze bestuurders die bevoegd zijn tegenover BMW Financial Services B.V. te handelen’. Daaruit volgt dat [appellant] bij ondertekening daarvan de overeenkomst kende en namens de vennootschap rechtshandelingen wilde verrichten in het kader van die overeenkomst. [appellant] heeft immers geen andere verklaring gegeven voor zijn handtekening onder de UBO-verklaring, zodat het niet duidelijk is om welke andere reden de handtekening onder de UBO-verklaring staat dan voor het aangaan van de overeenkomst.
3.10.
Volgens BMW heeft de afgifte van de auto via face-to-face identificatie plaatsgevonden en is het legitimatiebewijs van [appellant] daarom gecontroleerd bij de afgifte van de auto. [appellant] betwist dat hij de auto heeft opgehaald en heeft ter onderbouwing daarvan zijn urenrooster overgelegd, waaruit volgens [appellant] volgt dat hij op het moment van de afgifte van de auto op zijn werk was. Hoewel [appellant] erkent dat er in de administratie van de vennootschap, die is overgedragen aan de opvolgend bestuurder, een kopie van zijn legitimatiebewijs zat, betwist hij dat hij zijn (originele) legitimatiebewijs heeft uitgeleend. Omdat BMW betoogt de auto niet te hebben verstrekt op basis van alleen een kopie van het legitimatiebewijs, maar pas nadat een medewerker van BMW het originele legitimatiebewijs van de persoon die de auto heeft opgehaald heeft gecontroleerd, kan in het midden blijven of [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld door het verstrekken van een kopie van zijn legitimatiebewijs via de administratie van de vennootschap. Het ligt, vanwege de gemotiveerde betwisting door [appellant] , op de weg van BMW om te bewijzen dat het [appellant] was die de auto in ontvangst heeft genomen op vertoning van een origineel legitimatiebewijs (artikel 150 Rv).
Dictum
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 10 december 2024 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen nemen met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.14;
4.2.
bepaalt dat uiterlijk twee weken voorafgaande aan de hiervoor in 4.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, de advocaten elkaar de akten toezenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen;
4.3.
laat daarnaast BMW toe te bewijzen dat [appellant] de auto in persoon bij BMW heeft opgehaald, onder vertoning van het originele identiteitsbewijs;
4.4.
bepaalt dat als BMW getuigen wil laten horen, raadsheer-commissaris mr. M.B. Beekhoven van den Boezem de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.5.
bepaalt dat BMW op dinsdag 19 november 2024 moet laten weten hoeveel getuigen deze wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten, waarna het hof de dag en het tijdstip van het verhoor zal vaststellen;
4.6.
bepaalt dat BMW de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof moet opgeven;
4.7.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.B. Beekhoven van den Boezem en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.330.542
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 9805125)
arrest van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher
tegen
BMW Financial Services B.V.
die is gevestigd in Breda
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: BMW
advocaat: mr. E.H.J. Slager
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 september 2023 heeft op 1 december 2023 een (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.2.
Omdat in de dagvaarding in hoger beroep al de grieven waren opgenomen, heeft vervolgens BMW een memorie van antwoord ingediend. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
BMW heeft in het kader van een financial leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) van 25 augustus 2020 met Madison B.V. een Mini Cooper Countryman 1.5 (hierna: de auto) verstrekt. Tot 1 september 2020 was [appellant] bestuurder van Madison B.V. De aanschafprijs van de auto en de verschuldigde kredietvergoeding zijn onbetaald gebleven. Het is onbekend waar de auto is gebleven. Volgens BMW is (onder meer) [appellant] aansprakelijk voor de schade die BMW heeft geleden, omdat [appellant] als bestuurder namens Madison B.V. de overeenkomst is aangegaan en deze vennootschap geen enkele betaling heeft verricht. [appellant] betwist dat hij de overeenkomst (namens de vennootschap) is aangegaan.
2.2.
BMW heeft bij de kantonrechter gevorderd dat (onder meer) [appellant] wordt veroordeeld tot teruggave van de auto (onder verbeurte van een dwangsom) en tot betaling van een bedrag van € 32.000,03 aan hoofdsom, € 2.040,11 aan vervallen contractuele rente en € 5.808 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de resterende contractuele rente van 13% per jaar vanaf 10 maart 2022, onder aftrek van de taxatieprijs van de auto. BMW heeft daarnaast gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel toegewezen, met uitzondering van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot teruggave van de auto en met een beperking van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Feiten
3.1.
[appellant] is vanaf 9 juli 2018 bestuurder geweest van de vennootschap en is per 1 september 2020 in die hoedanigheid uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven. Na zijn uitschrijving hebben verschillende personen als bestuurder van de vennootschap in het Handelsregister ingeschreven gestaan.
3.2.
BMW heeft de auto verstrekt ter uitvoering van een financial leaseovereenkomst van 25 augustus 2020. De overeenkomst staat op naam van de vennootschap en achter de naam ‘ [appellant] ’ staat een handtekening. Uit de overeenkomst volgt dat een aanschafprijs van € 27.017,71 en een kredietvergoeding van € 5.143,09 is verschuldigd. De totale som van € 32.160,80 diende gedurende de looptijd van vijf jaar in maandelijkse termijnen aan BMW te worden betaald. Vervolgens is de auto bij BMW opgehaald.
3.3.
Vanaf 1 september 2020 diende maandelijks € 452,68 aan BMW te worden voldaan. Er zijn geen betalingen gedaan. BMW heeft de vennootschap bij brief van 30 oktober 2020 in gebreke gesteld en aangemaand om binnen veertien dagen tot betaling van de achterstand over te gaan, waarbij BMW tevens heeft aangezegd dat bij het uitblijven van betaling de gehele financiering ineens opeisbaar zal zijn en de auto moet worden teruggegeven.
Uitlenen identiteitsbewijs komt niet vast te staan
3.4.
De kantonrechter is in het bestreden vonnis ervan uitgegaan dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en alleen daarom al aansprakelijk is voor de door BMW geleden schade. [appellant] heeft dit oordeel in hoger beroep voldoende gemotiveerd betwist en BMW heeft vervolgens niet nader onderbouwd dat [appellant] inderdaad zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en ook niet voldoende specifiek te bewijzen aangeboden. Dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend is dus in hoger beroep niet vast komen te staan. Op die grondslag kan de veroordeling dus niet in stand blijven, in zoverre treft het bezwaar tegen het bestreden vonnis doel.
Het hof zal hierna alsnog de overige grondslagen voor de vordering van BMW beoordelen. Daarin zal ook aan de orde komen dat de vraag of er een kopie van een identiteitsbewijs is verstrekt niet relevant is.
Is [appellant] aansprakelijk voor de tekortkomingen uit de overeenkomst?
3.5.
Volgens BMW is [appellant] de overeenkomst namens de vennootschap aangegaan. [appellant] heeft daartoe de overeenkomst ondertekend en gegevens over (de financiële positie van) de vennootschap verstrekt op basis waarvan de overeenkomst door BMW is geaccepteerd. Zo heeft [appellant] de jaarstukken (van 2019) van de vennootschap verstrekt en heeft hij een verklaring ondertekend waarin staat dat hij de zogenaamde uiteindelijk belanghebbende (Ultimate Beneficial Owner, hierna: UBO) van de vennootschap is; op deze UBO-verklaring staan ook nog enige handgeschreven bewoordingen. [appellant] heeft de auto in persoon opgehaald, waarbij een medewerker van BMW op grond van het geldende beleid een face-to-face identificatie heeft uitgevoerd, aldus nog steeds BMW. De op grond van de overeenkomst maandelijks verschuldigde termijnen zijn onbetaald gebleven en de locatie van de auto is BMW onbekend. Volgens BMW is [appellant] , als bestuurder van de vennootschap ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, aansprakelijk voor de tekortkomingen van de vennootschap in de nakoming van de overeenkomst. Hij heeft de eigendomsrechten van BMW geschonden en heeft ervoor gezorgd dat de vennootschap de verplichtingen uit de overeenkomst in zijn geheel niet is nagekomen. Daarmee heeft hij volgens BMW onrechtmatig gehandeld.
3.6.
[appellant] betwist dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. Volgens [appellant] nam hij pas kennis van de overeenkomst toen hij een brief van BMW van 13 september 2021 op zijn privéadres ontving waarin BMW [appellant] voor de schade aansprakelijk stelt. Hij heeft geen aanvraag gedaan voor de overeenkomst en hij heeft de overeenkomst of de UBO-verklaring nooit ondertekend. [appellant] is bovendien nooit aandeelhouder (of UBO) van de vennootschap geweest. Volgens [appellant] heeft een ander identiteitsfraude gepleegd door op naam van [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst en de UBO-verklaring te ondertekenen. [appellant] betwist ook dat hij de auto heeft opgehaald.
3.7.
Het hof overweegt dat in hoger beroep eerst moet worden vastgesteld of [appellant] is betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst met BMW. Niet duidelijk is geworden of de handtekening onder de overeenkomst en de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, nu [appellant] ook dat gemotiveerd heeft betwist. De vraag of het de handtekeningen van [appellant] zijn die onder de documenten staan is van belang voor de beoordeling van het geschil, zodat het hof voornemens is om een (handschrift)deskundige te benoemen. Het hof zal dat hierna toelichten.
3.8.
Als de handtekening onder de overeenkomst wel van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands voldoende vast dat [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst is aangegaan. De overeenkomst is immers een onderhandse akte en levert op grond van artikel 157 lid 2 Rv ten aanzien van de verklaring van BMW dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Door [appellant] wordt de inhoud van de overeenkomst niet betwist (hij betwist alleen dat zijn handtekening eronder staat), zodat [appellant] niet in de gelegenheid zal worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen het dwingende bewijs van de inhoud van de overeenkomst.
3.9.
Als de handtekening onder de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands ook voldoende vast dat [appellant] als bestuurder van de vennootschap betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. In de UBO-verklaring is opgenomen: ‘De personen die deze verklaring ondertekenen, zijn onze bestuurders die bevoegd zijn tegenover BMW Financial Services B.V. te handelen’. Daaruit volgt dat [appellant] bij ondertekening daarvan de overeenkomst kende en namens de vennootschap rechtshandelingen wilde verrichten in het kader van die overeenkomst. [appellant] heeft immers geen andere verklaring gegeven voor zijn handtekening onder de UBO-verklaring, zodat het niet duidelijk is om welke andere reden de handtekening onder de UBO-verklaring staat dan voor het aangaan van de overeenkomst.
3.10.
Volgens BMW heeft de afgifte van de auto via face-to-face identificatie plaatsgevonden en is het legitimatiebewijs van [appellant] daarom gecontroleerd bij de afgifte van de auto. [appellant] betwist dat hij de auto heeft opgehaald en heeft ter onderbouwing daarvan zijn urenrooster overgelegd, waaruit volgens [appellant] volgt dat hij op het moment van de afgifte van de auto op zijn werk was. Hoewel [appellant] erkent dat er in de administratie van de vennootschap, die is overgedragen aan de opvolgend bestuurder, een kopie van zijn legitimatiebewijs zat, betwist hij dat hij zijn (originele) legitimatiebewijs heeft uitgeleend. Omdat BMW betoogt de auto niet te hebben verstrekt op basis van alleen een kopie van het legitimatiebewijs, maar pas nadat een medewerker van BMW het originele legitimatiebewijs van de persoon die de auto heeft opgehaald heeft gecontroleerd, kan in het midden blijven of [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld door het verstrekken van een kopie van zijn legitimatiebewijs via de administratie van de vennootschap. Het ligt, vanwege de gemotiveerde betwisting door [appellant] , op de weg van BMW om te bewijzen dat het [appellant] was die de auto in ontvangst heeft genomen op vertoning van een origineel legitimatiebewijs (artikel 150 Rv).
Dictum
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 10 december 2024 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen nemen met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.14;
4.2.
bepaalt dat uiterlijk twee weken voorafgaande aan de hiervoor in 4.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, de advocaten elkaar de akten toezenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen;
4.3.
laat daarnaast BMW toe te bewijzen dat [appellant] de auto in persoon bij BMW heeft opgehaald, onder vertoning van het originele identiteitsbewijs;
4.4.
bepaalt dat als BMW getuigen wil laten horen, raadsheer-commissaris mr. M.B. Beekhoven van den Boezem de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.5.
bepaalt dat BMW op dinsdag 19 november 2024 moet laten weten hoeveel getuigen deze wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten, waarna het hof de dag en het tijdstip van het verhoor zal vaststellen;
4.6.
bepaalt dat BMW de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof moet opgeven;
4.7.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.B. Beekhoven van den Boezem en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.330.542
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 9805125)
arrest van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher
tegen
BMW Financial Services B.V.
die is gevestigd in Breda
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: BMW
advocaat: mr. E.H.J. Slager
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 september 2023 heeft op 1 december 2023 een (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.2.
Omdat in de dagvaarding in hoger beroep al de grieven waren opgenomen, heeft vervolgens BMW een memorie van antwoord ingediend. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
BMW heeft in het kader van een financial leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) van 25 augustus 2020 met Madison B.V. een Mini Cooper Countryman 1.5 (hierna: de auto) verstrekt. Tot 1 september 2020 was [appellant] bestuurder van Madison B.V. De aanschafprijs van de auto en de verschuldigde kredietvergoeding zijn onbetaald gebleven. Het is onbekend waar de auto is gebleven. Volgens BMW is (onder meer) [appellant] aansprakelijk voor de schade die BMW heeft geleden, omdat [appellant] als bestuurder namens Madison B.V. de overeenkomst is aangegaan en deze vennootschap geen enkele betaling heeft verricht. [appellant] betwist dat hij de overeenkomst (namens de vennootschap) is aangegaan.
2.2.
BMW heeft bij de kantonrechter gevorderd dat (onder meer) [appellant] wordt veroordeeld tot teruggave van de auto (onder verbeurte van een dwangsom) en tot betaling van een bedrag van € 32.000,03 aan hoofdsom, € 2.040,11 aan vervallen contractuele rente en € 5.808 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de resterende contractuele rente van 13% per jaar vanaf 10 maart 2022, onder aftrek van de taxatieprijs van de auto. BMW heeft daarnaast gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel toegewezen, met uitzondering van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot teruggave van de auto en met een beperking van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Feiten
3.1.
[appellant] is vanaf 9 juli 2018 bestuurder geweest van de vennootschap en is per 1 september 2020 in die hoedanigheid uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven. Na zijn uitschrijving hebben verschillende personen als bestuurder van de vennootschap in het Handelsregister ingeschreven gestaan.
3.2.
BMW heeft de auto verstrekt ter uitvoering van een financial leaseovereenkomst van 25 augustus 2020. De overeenkomst staat op naam van de vennootschap en achter de naam ‘ [appellant] ’ staat een handtekening. Uit de overeenkomst volgt dat een aanschafprijs van € 27.017,71 en een kredietvergoeding van € 5.143,09 is verschuldigd. De totale som van € 32.160,80 diende gedurende de looptijd van vijf jaar in maandelijkse termijnen aan BMW te worden betaald. Vervolgens is de auto bij BMW opgehaald.
3.3.
Vanaf 1 september 2020 diende maandelijks € 452,68 aan BMW te worden voldaan. Er zijn geen betalingen gedaan. BMW heeft de vennootschap bij brief van 30 oktober 2020 in gebreke gesteld en aangemaand om binnen veertien dagen tot betaling van de achterstand over te gaan, waarbij BMW tevens heeft aangezegd dat bij het uitblijven van betaling de gehele financiering ineens opeisbaar zal zijn en de auto moet worden teruggegeven.
Uitlenen identiteitsbewijs komt niet vast te staan
3.4.
De kantonrechter is in het bestreden vonnis ervan uitgegaan dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en alleen daarom al aansprakelijk is voor de door BMW geleden schade. [appellant] heeft dit oordeel in hoger beroep voldoende gemotiveerd betwist en BMW heeft vervolgens niet nader onderbouwd dat [appellant] inderdaad zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend en ook niet voldoende specifiek te bewijzen aangeboden. Dat [appellant] zijn identiteitsbewijs heeft uitgeleend is dus in hoger beroep niet vast komen te staan. Op die grondslag kan de veroordeling dus niet in stand blijven, in zoverre treft het bezwaar tegen het bestreden vonnis doel.
Het hof zal hierna alsnog de overige grondslagen voor de vordering van BMW beoordelen. Daarin zal ook aan de orde komen dat de vraag of er een kopie van een identiteitsbewijs is verstrekt niet relevant is.
Is [appellant] aansprakelijk voor de tekortkomingen uit de overeenkomst?
3.5.
Volgens BMW is [appellant] de overeenkomst namens de vennootschap aangegaan. [appellant] heeft daartoe de overeenkomst ondertekend en gegevens over (de financiële positie van) de vennootschap verstrekt op basis waarvan de overeenkomst door BMW is geaccepteerd. Zo heeft [appellant] de jaarstukken (van 2019) van de vennootschap verstrekt en heeft hij een verklaring ondertekend waarin staat dat hij de zogenaamde uiteindelijk belanghebbende (Ultimate Beneficial Owner, hierna: UBO) van de vennootschap is; op deze UBO-verklaring staan ook nog enige handgeschreven bewoordingen. [appellant] heeft de auto in persoon opgehaald, waarbij een medewerker van BMW op grond van het geldende beleid een face-to-face identificatie heeft uitgevoerd, aldus nog steeds BMW. De op grond van de overeenkomst maandelijks verschuldigde termijnen zijn onbetaald gebleven en de locatie van de auto is BMW onbekend. Volgens BMW is [appellant] , als bestuurder van de vennootschap ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, aansprakelijk voor de tekortkomingen van de vennootschap in de nakoming van de overeenkomst. Hij heeft de eigendomsrechten van BMW geschonden en heeft ervoor gezorgd dat de vennootschap de verplichtingen uit de overeenkomst in zijn geheel niet is nagekomen. Daarmee heeft hij volgens BMW onrechtmatig gehandeld.
3.6.
[appellant] betwist dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. Volgens [appellant] nam hij pas kennis van de overeenkomst toen hij een brief van BMW van 13 september 2021 op zijn privéadres ontving waarin BMW [appellant] voor de schade aansprakelijk stelt. Hij heeft geen aanvraag gedaan voor de overeenkomst en hij heeft de overeenkomst of de UBO-verklaring nooit ondertekend. [appellant] is bovendien nooit aandeelhouder (of UBO) van de vennootschap geweest. Volgens [appellant] heeft een ander identiteitsfraude gepleegd door op naam van [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst en de UBO-verklaring te ondertekenen. [appellant] betwist ook dat hij de auto heeft opgehaald.
3.7.
Het hof overweegt dat in hoger beroep eerst moet worden vastgesteld of [appellant] is betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst met BMW. Niet duidelijk is geworden of de handtekening onder de overeenkomst en de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, nu [appellant] ook dat gemotiveerd heeft betwist. De vraag of het de handtekeningen van [appellant] zijn die onder de documenten staan is van belang voor de beoordeling van het geschil, zodat het hof voornemens is om een (handschrift)deskundige te benoemen. Het hof zal dat hierna toelichten.
3.8.
Als de handtekening onder de overeenkomst wel van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands voldoende vast dat [appellant] namens de vennootschap de overeenkomst is aangegaan. De overeenkomst is immers een onderhandse akte en levert op grond van artikel 157 lid 2 Rv ten aanzien van de verklaring van BMW dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Door [appellant] wordt de inhoud van de overeenkomst niet betwist (hij betwist alleen dat zijn handtekening eronder staat), zodat [appellant] niet in de gelegenheid zal worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen het dwingende bewijs van de inhoud van de overeenkomst.
3.9.
Als de handtekening onder de UBO-verklaring van [appellant] afkomstig is, dan staat voorshands ook voldoende vast dat [appellant] als bestuurder van de vennootschap betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. In de UBO-verklaring is opgenomen: ‘De personen die deze verklaring ondertekenen, zijn onze bestuurders die bevoegd zijn tegenover BMW Financial Services B.V. te handelen’. Daaruit volgt dat [appellant] bij ondertekening daarvan de overeenkomst kende en namens de vennootschap rechtshandelingen wilde verrichten in het kader van die overeenkomst. [appellant] heeft immers geen andere verklaring gegeven voor zijn handtekening onder de UBO-verklaring, zodat het niet duidelijk is om welke andere reden de handtekening onder de UBO-verklaring staat dan voor het aangaan van de overeenkomst.
3.10.
Volgens BMW heeft de afgifte van de auto via face-to-face identificatie plaatsgevonden en is het legitimatiebewijs van [appellant] daarom gecontroleerd bij de afgifte van de auto. [appellant] betwist dat hij de auto heeft opgehaald en heeft ter onderbouwing daarvan zijn urenrooster overgelegd, waaruit volgens [appellant] volgt dat hij op het moment van de afgifte van de auto op zijn werk was. Hoewel [appellant] erkent dat er in de administratie van de vennootschap, die is overgedragen aan de opvolgend bestuurder, een kopie van zijn legitimatiebewijs zat, betwist hij dat hij zijn (originele) legitimatiebewijs heeft uitgeleend. Omdat BMW betoogt de auto niet te hebben verstrekt op basis van alleen een kopie van het legitimatiebewijs, maar pas nadat een medewerker van BMW het originele legitimatiebewijs van de persoon die de auto heeft opgehaald heeft gecontroleerd, kan in het midden blijven of [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld door het verstrekken van een kopie van zijn legitimatiebewijs via de administratie van de vennootschap. Het ligt, vanwege de gemotiveerde betwisting door [appellant] , op de weg van BMW om te bewijzen dat het [appellant] was die de auto in ontvangst heeft genomen op vertoning van een origineel legitimatiebewijs (artikel 150 Rv).
Dictum
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 10 december 2024 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen nemen met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.14;
4.2.
bepaalt dat uiterlijk twee weken voorafgaande aan de hiervoor in 4.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, de advocaten elkaar de akten toezenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen;
4.3.
laat daarnaast BMW toe te bewijzen dat [appellant] de auto in persoon bij BMW heeft opgehaald, onder vertoning van het originele identiteitsbewijs;
4.4.
bepaalt dat als BMW getuigen wil laten horen, raadsheer-commissaris mr. M.B. Beekhoven van den Boezem de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.5.
bepaalt dat BMW op dinsdag 19 november 2024 moet laten weten hoeveel getuigen deze wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten, waarna het hof de dag en het tijdstip van het verhoor zal vaststellen;
4.6.
bepaalt dat BMW de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof moet opgeven;
4.7.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M.B. Beekhoven van den Boezem en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.