Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-25
ECLI:NL:GHARL:2024:656
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,002 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.795/01
CJIB-nummer
: 237026378
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Handelen in strijd met geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990, eenrichtingverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 oktober 2020 om 18:11 uur op het Kleiwegplein in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat niet kan worden gesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar die de gedraging middels live camerabeelden op de schermen heeft waargenomen, heeft direct contact met zijn collega’s op straat. Hij had daarom kunnen nagaan of een collega in de buurt van de pleeglocatie beschikbaar was en hem vervolgens kunnen vragen om de staandehouding te verrichten. Voorts voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De verklaring van de ambtenaar houdt naar het oordeel van het hof genoegzaam in dat het redelijkerwijs niet mogelijk was om tot staandehouding over te gaan, nu de ambtenaar de gedraging aan de hand van live beelden heeft vastgesteld en dus niet ter plaatse was. Dat de ambtenaar een collega die wel ter plaatse was had kunnen vragen om staandehouding te laten plaatsvinden, is meer speculatief en betreft geen reële mogelijkheid om de identiteit van de bestuurder vast te stellen. De sanctie kon dan ook met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene worden opgelegd.
5. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden, stelt het hof vast dat de inleidende beschikking op 23 oktober 2020 aan de betrokkene is toegezonden. De kantonrechter heeft op 28 april 2023 op het ingestelde beroep beslist. De redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met de aan de betrokkene toe te rekenen behandeling van een draagkrachtverweer. Het hof stelt deze verlenging van de redelijke termijn van berechting op vier maanden, nu binnen dit tijdsbestek een draagkrachtverweer moet kunnen zijn behandeld en, indien nodig, het beroep ter zitting kan worden behandeld. De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. Daarom zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
6. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. overweging 26 van voormeld arrest van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter op 17 oktober 2022 dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.
7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in € 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.795/01
CJIB-nummer
: 237026378
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Handelen in strijd met geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990, eenrichtingverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 oktober 2020 om 18:11 uur op het Kleiwegplein in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat niet kan worden gesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar die de gedraging middels live camerabeelden op de schermen heeft waargenomen, heeft direct contact met zijn collega’s op straat. Hij had daarom kunnen nagaan of een collega in de buurt van de pleeglocatie beschikbaar was en hem vervolgens kunnen vragen om de staandehouding te verrichten. Voorts voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De verklaring van de ambtenaar houdt naar het oordeel van het hof genoegzaam in dat het redelijkerwijs niet mogelijk was om tot staandehouding over te gaan, nu de ambtenaar de gedraging aan de hand van live beelden heeft vastgesteld en dus niet ter plaatse was. Dat de ambtenaar een collega die wel ter plaatse was had kunnen vragen om staandehouding te laten plaatsvinden, is meer speculatief en betreft geen reële mogelijkheid om de identiteit van de bestuurder vast te stellen. De sanctie kon dan ook met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene worden opgelegd.
5. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden, stelt het hof vast dat de inleidende beschikking op 23 oktober 2020 aan de betrokkene is toegezonden. De kantonrechter heeft op 28 april 2023 op het ingestelde beroep beslist. De redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met de aan de betrokkene toe te rekenen behandeling van een draagkrachtverweer. Het hof stelt deze verlenging van de redelijke termijn van berechting op vier maanden, nu binnen dit tijdsbestek een draagkrachtverweer moet kunnen zijn behandeld en, indien nodig, het beroep ter zitting kan worden behandeld. De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. Daarom zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
6. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. overweging 26 van voormeld arrest van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter op 17 oktober 2022 dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.
7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in € 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.