Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-09-17
ECLI:NL:GHARL:2024:5843
Civiel recht
Hoger beroep
2,342 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.340.003/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10603408
arrest van 17 september 2024
in de zaak van
Visser Beheer B.V.,
die kantoor houdt in Visvliet,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna: Visser,
advocaat: mr. A.J. ter Wee uit Meppel, die zich heeft onttrokken,
tegen
Countus Groep B.V.,
die is gevestigd in Zwolle,
en bij de kantonrechter optrad als eiseres,
hierna: Countus,
advocaat: mr. A. Kroondijk uit Wolvega.
1Het verloop van de procedure
1.1
Visser heeft bij exploot van 13 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op
13 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. De zaak is aangebracht op de rolzitting van 16 april 2024.
1.2
Vervolgens is de zaak aangehouden tot 14 mei 2024 voor afwachten griffierecht partijen/memorie van grieven. Partijen hebben het griffierecht betaald, waarna Visser een termijn heeft gekregen tot 28 mei 2024 voor het nemen van de memorie van grieven.
1.3
Op 28 mei 2024 heeft Visser geen memorie van grieven genomen waarna een laatste aanhouding is verleend tot 25 juni 2024.
1.4
Op de rolzitting van 25 juni 2024 is geen memorie van grieven ingediend en heeft mr. Ter Wee zich aan de zaak onttrokken. Hij heeft zijn cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. Voor het opnieuw stellen van een advocaat en het alsnog nemen van de memorie van grieven is aan Visser twee weken uitstel verleend tot 9 juli 2024.
1.5
Op de rol van 9 juli 2024 heeft zich voor Visser geen nieuwe advocaat gesteld en is evenmin de memorie van grieven genomen. De zaak is verwezen naar de rol van 23 juli 2024 voor uitlating Countus over het instellen van incidenteel hoger beroep of voor het vragen van arrest.
1.6
Op de rol van 23 juli 2024 heeft Countus het hof verzocht arrest te wijzen en Visser te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Countus heeft daartoe het procesdossier overgelegd.
Beoordeling
2.1
In artikel 133 lid 4 Rv is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van art. 353 Rv is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In art. 1.12, eerste volzin, van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr; zestiende versie, juli 2024) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
2.2
Aangezien zich namens Visser op 9 juli 2024 geen nieuwe advocaat heeft gesteld en de memorie van grieven niet is genomen, brengt toepassing van deze bepalingen mee dat het recht van Visser om alsnog een memorie van grieven in te dienen, is komen te vervallen.
2.3
Omdat Visser geen grieven heeft geformuleerd tegen het bestreden vonnis en in aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal Visser niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
2.4
Visser moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal Visser dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren.
Dictum
Het hof:
verklaart Visser niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt Visser tot betaling van de volgende proceskosten van Countus:
€ 798,- aan griffierecht
€ 591,50 aan salaris van de advocaat van Countus (½ procespunt x appeltarief II).
wijst af wat anders of meer is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.340.003/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10603408
arrest van 17 september 2024
in de zaak van
Visser Beheer B.V.,
die kantoor houdt in Visvliet,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna: Visser,
advocaat: mr. A.J. ter Wee uit Meppel, die zich heeft onttrokken,
tegen
Countus Groep B.V.,
die is gevestigd in Zwolle,
en bij de kantonrechter optrad als eiseres,
hierna: Countus,
advocaat: mr. A. Kroondijk uit Wolvega.
1Het verloop van de procedure
1.1
Visser heeft bij exploot van 13 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op
13 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. De zaak is aangebracht op de rolzitting van 16 april 2024.
1.2
Vervolgens is de zaak aangehouden tot 14 mei 2024 voor afwachten griffierecht partijen/memorie van grieven. Partijen hebben het griffierecht betaald, waarna Visser een termijn heeft gekregen tot 28 mei 2024 voor het nemen van de memorie van grieven.
1.3
Op 28 mei 2024 heeft Visser geen memorie van grieven genomen waarna een laatste aanhouding is verleend tot 25 juni 2024.
1.4
Op de rolzitting van 25 juni 2024 is geen memorie van grieven ingediend en heeft mr. Ter Wee zich aan de zaak onttrokken. Hij heeft zijn cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. Voor het opnieuw stellen van een advocaat en het alsnog nemen van de memorie van grieven is aan Visser twee weken uitstel verleend tot 9 juli 2024.
1.5
Op de rol van 9 juli 2024 heeft zich voor Visser geen nieuwe advocaat gesteld en is evenmin de memorie van grieven genomen. De zaak is verwezen naar de rol van 23 juli 2024 voor uitlating Countus over het instellen van incidenteel hoger beroep of voor het vragen van arrest.
1.6
Op de rol van 23 juli 2024 heeft Countus het hof verzocht arrest te wijzen en Visser te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Countus heeft daartoe het procesdossier overgelegd.
Beoordeling
2.1
In artikel 133 lid 4 Rv is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van art. 353 Rv is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In art. 1.12, eerste volzin, van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr; zestiende versie, juli 2024) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
2.2
Aangezien zich namens Visser op 9 juli 2024 geen nieuwe advocaat heeft gesteld en de memorie van grieven niet is genomen, brengt toepassing van deze bepalingen mee dat het recht van Visser om alsnog een memorie van grieven in te dienen, is komen te vervallen.
2.3
Omdat Visser geen grieven heeft geformuleerd tegen het bestreden vonnis en in aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal Visser niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
2.4
Visser moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal Visser dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren.
Dictum
Het hof:
verklaart Visser niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt Visser tot betaling van de volgende proceskosten van Countus:
€ 798,- aan griffierecht
€ 591,50 aan salaris van de advocaat van Countus (½ procespunt x appeltarief II).
wijst af wat anders of meer is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.