Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-23
ECLI:NL:GHARL:2024:560
Civiel recht
Hoger beroep
6,682 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.324.172
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 401114
arrest van 23 januari 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eisende partij
hierna: [de verzekeringnemer]
advocaat: mr. E. Düşünceli
tegen
Achmea Schadeverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Apeldoorn
en bij de rechtbank optrad als gedaagde partij
hierna: Achmea
advocaat: mr. A.W. Hendriks
1
1. Het vervolg van de procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van zijn arrest van 5 september 2023 hier over.
1.2
Naar aanleiding van dat arrest heeft [de verzekeringnemer] het procesdossier bij het hof ingediend. Vervolgens heeft op 27 oktober 2023 de mondelinge behandeling bij één lid (de raadsheer-commissaris) van het hof plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben toen hun standpunten toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat het hof aan het procesdossier heeft toegevoegd. Het hof heeft toen bepaald dat het hof uitspraak zal doen met een arrest.
2De kern van de zaak
2.1
[de verzekeringnemer] heeft bij Achmea een verzekering afgesloten voor een auto (een WA-casco-verzekering). De auto is bij een brand verloren gegaan. [de verzekeringnemer] wil dat Achmea zijn schade vergoedt op grond van de verzekering. Achmea wil geen schade vergoeden. De vraag die het hof moet beantwoorden is of [de verzekeringnemer] recht heeft op schadevergoeding.
2.2
Voordat het hof die vraag beantwoordt, krijgt [de verzekeringnemer] eerst de mogelijkheid te bewijzen dat hij tijdens de brand eigenaar was van de auto. Het verweer van Achmea dat [de verzekeringnemer] geen recht heeft op schadevergoeding, omdat hij zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen doordat hij een belangrijke wijziging niet bij Achmea heeft gemeld, is niet gegrond. Het verweer van Achmea dat [de verzekeringnemer] geen recht heeft op schadevergoeding, omdat hij onjuiste informatie heeft gegeven aan Achmea met het opzet haar te misleiden, hoeft niet meer te worden beoordeeld. Het hof legt hierna uit waarom.
3De redenen voor de beslissing
De standpunten van partijen
3.1
[de verzekeringnemer] vordert van Achmea betaling van € 260.000,-, vermeerderd met (handels)rente, en van € 4.025,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten. [de verzekeringnemer] stelt, als toelichting op die vordering, dat hij recht heeft op schadevergoeding door Achmea op grond van de verzekeringsovereenkomst die hij met Achmea heeft gesloten voor de Mercedes-Benz S-Klasse met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [de verzekeringnemer] stelt dat hij als eigenaar van de auto dat recht heeft, omdat de auto is uitgebrand. Achmea heeft erkend dat die verzekeringsovereenkomst is gesloten en dat de auto is uitgebrand zoals [de verzekeringnemer] stelt. Achmea vindt echter dat [de verzekeringnemer] niet de eigenaar is van de auto en daarom geen schade heeft geleden die zij moet vergoeden. Ook heeft Achmea nog enkele andere verweren. De rechtbank heeft de vordering van [de verzekeringnemer] afgewezen. In hoger beroep wil [de verzekeringnemer] dat het hof zijn vordering alsnog toewijst. Achmea wil dat het hof het vonnis van de rechtbank in stand laat. Naar aanleiding van de stellingen en verweren van partijen overweegt het hof het volgende.
Feiten
3.2
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[de verzekeringnemer] is eigenaar/directeur van het autobedrijf [naam autobedrijf] dat is gevestigd in [vestigingsplaats] . Het autobedrijf is gespecialiseerd in de inkoop en verkoop van exclusieve auto's.
De auto is op 7 juni 2019 ingevoerd in Nederland.
Het kenteken van de auto is op 7 juni 2019 op naam van [de verzekeringnemer] gezet.
Op 7 juni 2019 (zo hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard) heeft [de verzekeringnemer] de auto bij Achmea verzekerd. Het gaat om een WA-casco-
verzekering.
Op 2 september 2019 is het kenteken van de auto op naam van de broer van [de verzekeringnemer] , [de broer] (hierna: zijn broer), gezet.
[de verzekeringnemer] heeft niet aan Achmea doorgegeven dat het kenteken van de auto op naam van zijn broer is gezet.
[de verzekeringnemer] heeft de auto niet als laatste gebruikt. Zijn neef heeft de auto naar de garagebox van [naam1] in [plaats1] gebracht en daar geparkeerd.
Op 1 januari 2020 is de auto volledig uitgebrand terwijl deze geparkeerd stond in die garagebox. Er was brand uitgebroken in het bedrijfspand ernaast en deze brand is vervolgens doorgeslagen naar het pand van [naam1] .
Het kenteken van de auto stond ten tijde van de brand op naam van de broer van [de verzekeringnemer] .
[de verzekeringnemer] heeft de schade bij Achmea gemeld en een beroep gedaan op de casco- dekking van de verzekeringsovereenkomst.
Op 3 maart 2020 heeft de heer [naam2] van Achmea Expertise & Risicodeskundigheid een interview gehouden met [de verzekeringnemer] . Van het interview is een (niet getekend) verslag gemaakt. Op 22 april 2020 heeft een tweede interview plaatsgevonden met [de verzekeringnemer] . Daarvan is een verslag gemaakt dat [de verzekeringnemer] heeft ondertekend.
[de verzekeringnemer] heeft de twee sleutels van de auto aan Achmea gegeven.
[de verzekeringnemer] heeft de verzekeringspremie ook na de brand steeds betaald.
De dagwaarde van de auto per 1 januari 2020 (de dag van de brand) is vastgesteld op € 260.000,-.
Achmea heeft uitkering onder de polis geweigerd.
Is [de verzekeringnemer] eigenaar van de auto?
3.3
[de verzekeringnemer] stelt dat hij als eigenaar (in privé) van de auto recht heeft op schadevergoeding door Achmea. Achmea betwist gemotiveerd dat [de verzekeringnemer] eigenaar is van de auto. Volgens Achmea is er veel onduidelijk over de aanschaf van de auto en lijkt het er meer op dat zijn broer ten tijde van de brand eigenaar van de auto was. Volgens Achmea heeft [de verzekeringnemer] niet aannemelijk gemaakt dat hij (als eigenaar) vermogensschade heeft geleden. Hij heeft volgens haar daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij een door de verzekeringsovereenkomst gedekt (financieel) belang heeft.
3.4
Bij de beoordeling van de vraag of [de verzekeringnemer] een door de verzekeringsovereenkomst gedekt (financieel) belang heeft, moet het hof rekening houden met de volgende regels.
Een schadeverzekering, zoals de verzekering die [de verzekeringnemer] met Achmea heeft afgesloten, dekt alleen de belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen (op grond van artikel 7:946 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Dat tussen [de verzekeringnemer] en Achmea anders is overeengekomen, is niet gesteld of gebleken. [de verzekeringnemer] heeft alleen een verzekerd belang als hij een financieel nadeel lijdt doordat de auto volledig is uitgebrand. [de verzekeringnemer] zal daarvoor aannemelijk moeten maken dat hij (zoals hij stelt) eigenaar was van de auto tijdens de brand (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
3.5
Als onderbouwing van zijn stelling dat hij toen eigenaar was van de auto (en bezitter, houder en hoofdbestuurder), stelt [de verzekeringnemer] het volgende. Hij heeft de auto gekocht bij [naam3] in [plaats2] (hierna: [naam3] ) voor € 225.000,-, wat aan hem is gefactureerd. Hij heeft de auto betaald en bij [naam3] opgehaald. Volgens [de verzekeringnemer] heeft hij de koopprijs van de auto (€ 225.000,-) betaald met een geldlening van zijn broer (van € 150.000,-) en met de verrekening van de verkoopwaarde (€ 75.000,-) van een auto die [de verzekeringnemer] aan [naam3] in consignatie had gegeven (een andere Mercedes). De € 150.000,- heeft [de verzekeringnemer] in delen contant aan [naam3] betaald, aldus [de verzekeringnemer] . Volgens [de verzekeringnemer] is het kenteken van de auto bij aflevering aanvankelijk op zijn naam gezet, omdat zijn broer niet in Nederland was (deze werkte als [beroep] in het buitenland) en is het kenteken bij wijze van zekerheid voor de verstrekte financiering vervolgens op naam van zijn broer gezet. Zodra de door zijn broer verstrekte financiering door [de verzekeringnemer] zou zijn afbetaald, zou het kenteken weer op naam van [de verzekeringnemer] worden gezet, aldus [de verzekeringnemer] . Zonder medewerking van zijn broer kon [de verzekeringnemer] dan niet zomaar de auto verkopen. Dit is volgens [de verzekeringnemer] een vorm van ‘zekerheid’ die niet onbekend is bij gefinancierde auto's: ook leasemaatschappijen doen dit soms zo om te voorkomen dat de gebruiker de mogelijkheid heeft om de auto al vóór de volledige afbetaling ervan over te dragen aan een koper en daarbij de kentekenregistratie over te schrijven op naam van die koper.
3.6
Achmea heeft een en ander betwist, omdat volgens haar nergens uit blijkt:
- dat de auto door [naam3] is ingevoerd in Nederland en tot haar handelsvoorraad heeft behoord, dat [naam3] de auto in eigendom heeft gehad en de eigendom van de auto aan [de verzekeringnemer] heeft overgedragen;
- dat [de verzekeringnemer] de koopprijs voor de auto heeft betaald;
- dat [de verzekeringnemer] de auto privé in gebruik heeft gehad en hoofdbestuurder was; en
- dat [de verzekeringnemer] onderhoud en wegenbelasting voor de auto heeft betaald.
Daarbij wijst Achmea erop dat er geen kwitanties of bewijzen zijn van de contante betaling in delen en geen bewijzen van de verrekening van de verkoopwaarde van de auto die [naam3] voor [de verzekeringnemer] in consignatie had en zou verkopen. Volgens Achmea is de factuur van [naam3] voor de auto vals, omdat deze niet vermeldt 1) dat de auto in delen contant is betaald en dat er een auto is ingeruild en 2) wat de btw-gegevens en KvK-gegevens van [naam3] zijn, terwijl vermelding van deze informatie op facturen verplicht is. Ook wijst Achmea erop dat [de verzekeringnemer] in [vestigingsplaats] een autobedrijf heeft met een ruimte waar auto’s binnen kunnen staan, zodat niet aannemelijk is dat [de verzekeringnemer] de auto regelmatig in [plaats1] in een garagebox zou zetten als hij daadwerkelijk de eigenaar, bezitter en regelmatig bestuurder van de auto zou zijn. De overgelegde stukken over de wegenbelasting kunnen volgens Achmea ook betrekking hebben op een andere auto en het overgelegde appgesprek van [de verzekeringnemer] en zijn broer over de betaling van de wegenbelasting voor de auto is volgens Achmea vals.
3.7
Achmea heeft daarnaast aangevoerd dat niet geloofwaardig is dat [de verzekeringnemer] de auto bij [naam3] heeft aangeschaft voor een bedrag van € 225.000,-, terwijl dat bedrag € 35.000,- lager ligt dan de dagwaarde van € 260.000,-.
Dictum
4.1
Het hof laat [de verzekeringnemer] toe te bewijzen dat hij tijdens de brand eigenaar was van de Mercedes-Benz S-Klasse met kenteken [kenteken] .
4.2
Als er getuigen moeten worden verhoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.P.M. Hennekens de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3
[de verzekeringnemer] moet op dinsdag 20 februari 2024 (dat is een zogenoemde roldatum) aan het hof laten weten hoeveel getuigen hij wil laten verhoren, met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4
[de verzekeringnemer] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan Achmea en het hof opgeven.
4.5
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van het getuigenverhoor een kopie sturen.
4.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, P.J. van der Korst en A.W. Steeg, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.324.172
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 401114
arrest van 23 januari 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eisende partij
hierna: [de verzekeringnemer]
advocaat: mr. E. Düşünceli
tegen
Achmea Schadeverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Apeldoorn
en bij de rechtbank optrad als gedaagde partij
hierna: Achmea
advocaat: mr. A.W. Hendriks
1
1. Het vervolg van de procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van zijn arrest van 5 september 2023 hier over.
1.2
Naar aanleiding van dat arrest heeft [de verzekeringnemer] het procesdossier bij het hof ingediend. Vervolgens heeft op 27 oktober 2023 de mondelinge behandeling bij één lid (de raadsheer-commissaris) van het hof plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben toen hun standpunten toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat het hof aan het procesdossier heeft toegevoegd. Het hof heeft toen bepaald dat het hof uitspraak zal doen met een arrest.
2De kern van de zaak
2.1
[de verzekeringnemer] heeft bij Achmea een verzekering afgesloten voor een auto (een WA-casco-verzekering). De auto is bij een brand verloren gegaan. [de verzekeringnemer] wil dat Achmea zijn schade vergoedt op grond van de verzekering. Achmea wil geen schade vergoeden. De vraag die het hof moet beantwoorden is of [de verzekeringnemer] recht heeft op schadevergoeding.
2.2
Voordat het hof die vraag beantwoordt, krijgt [de verzekeringnemer] eerst de mogelijkheid te bewijzen dat hij tijdens de brand eigenaar was van de auto. Het verweer van Achmea dat [de verzekeringnemer] geen recht heeft op schadevergoeding, omdat hij zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen doordat hij een belangrijke wijziging niet bij Achmea heeft gemeld, is niet gegrond. Het verweer van Achmea dat [de verzekeringnemer] geen recht heeft op schadevergoeding, omdat hij onjuiste informatie heeft gegeven aan Achmea met het opzet haar te misleiden, hoeft niet meer te worden beoordeeld. Het hof legt hierna uit waarom.
3De redenen voor de beslissing
De standpunten van partijen
3.1
[de verzekeringnemer] vordert van Achmea betaling van € 260.000,-, vermeerderd met (handels)rente, en van € 4.025,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten. [de verzekeringnemer] stelt, als toelichting op die vordering, dat hij recht heeft op schadevergoeding door Achmea op grond van de verzekeringsovereenkomst die hij met Achmea heeft gesloten voor de Mercedes-Benz S-Klasse met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [de verzekeringnemer] stelt dat hij als eigenaar van de auto dat recht heeft, omdat de auto is uitgebrand. Achmea heeft erkend dat die verzekeringsovereenkomst is gesloten en dat de auto is uitgebrand zoals [de verzekeringnemer] stelt. Achmea vindt echter dat [de verzekeringnemer] niet de eigenaar is van de auto en daarom geen schade heeft geleden die zij moet vergoeden. Ook heeft Achmea nog enkele andere verweren. De rechtbank heeft de vordering van [de verzekeringnemer] afgewezen. In hoger beroep wil [de verzekeringnemer] dat het hof zijn vordering alsnog toewijst. Achmea wil dat het hof het vonnis van de rechtbank in stand laat. Naar aanleiding van de stellingen en verweren van partijen overweegt het hof het volgende.
Feiten
3.2
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[de verzekeringnemer] is eigenaar/directeur van het autobedrijf [naam autobedrijf] dat is gevestigd in [vestigingsplaats] . Het autobedrijf is gespecialiseerd in de inkoop en verkoop van exclusieve auto's.
De auto is op 7 juni 2019 ingevoerd in Nederland.
Het kenteken van de auto is op 7 juni 2019 op naam van [de verzekeringnemer] gezet.
Op 7 juni 2019 (zo hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard) heeft [de verzekeringnemer] de auto bij Achmea verzekerd. Het gaat om een WA-casco-
verzekering.
Op 2 september 2019 is het kenteken van de auto op naam van de broer van [de verzekeringnemer] , [de broer] (hierna: zijn broer), gezet.
[de verzekeringnemer] heeft niet aan Achmea doorgegeven dat het kenteken van de auto op naam van zijn broer is gezet.
[de verzekeringnemer] heeft de auto niet als laatste gebruikt. Zijn neef heeft de auto naar de garagebox van [naam1] in [plaats1] gebracht en daar geparkeerd.
Op 1 januari 2020 is de auto volledig uitgebrand terwijl deze geparkeerd stond in die garagebox. Er was brand uitgebroken in het bedrijfspand ernaast en deze brand is vervolgens doorgeslagen naar het pand van [naam1] .
Het kenteken van de auto stond ten tijde van de brand op naam van de broer van [de verzekeringnemer] .
[de verzekeringnemer] heeft de schade bij Achmea gemeld en een beroep gedaan op de casco- dekking van de verzekeringsovereenkomst.
Op 3 maart 2020 heeft de heer [naam2] van Achmea Expertise & Risicodeskundigheid een interview gehouden met [de verzekeringnemer] . Van het interview is een (niet getekend) verslag gemaakt. Op 22 april 2020 heeft een tweede interview plaatsgevonden met [de verzekeringnemer] . Daarvan is een verslag gemaakt dat [de verzekeringnemer] heeft ondertekend.
[de verzekeringnemer] heeft de twee sleutels van de auto aan Achmea gegeven.
[de verzekeringnemer] heeft de verzekeringspremie ook na de brand steeds betaald.
De dagwaarde van de auto per 1 januari 2020 (de dag van de brand) is vastgesteld op € 260.000,-.
Achmea heeft uitkering onder de polis geweigerd.
Is [de verzekeringnemer] eigenaar van de auto?
3.3
[de verzekeringnemer] stelt dat hij als eigenaar (in privé) van de auto recht heeft op schadevergoeding door Achmea. Achmea betwist gemotiveerd dat [de verzekeringnemer] eigenaar is van de auto. Volgens Achmea is er veel onduidelijk over de aanschaf van de auto en lijkt het er meer op dat zijn broer ten tijde van de brand eigenaar van de auto was. Volgens Achmea heeft [de verzekeringnemer] niet aannemelijk gemaakt dat hij (als eigenaar) vermogensschade heeft geleden. Hij heeft volgens haar daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij een door de verzekeringsovereenkomst gedekt (financieel) belang heeft.
3.4
Bij de beoordeling van de vraag of [de verzekeringnemer] een door de verzekeringsovereenkomst gedekt (financieel) belang heeft, moet het hof rekening houden met de volgende regels.
Een schadeverzekering, zoals de verzekering die [de verzekeringnemer] met Achmea heeft afgesloten, dekt alleen de belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen (op grond van artikel 7:946 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Dat tussen [de verzekeringnemer] en Achmea anders is overeengekomen, is niet gesteld of gebleken. [de verzekeringnemer] heeft alleen een verzekerd belang als hij een financieel nadeel lijdt doordat de auto volledig is uitgebrand. [de verzekeringnemer] zal daarvoor aannemelijk moeten maken dat hij (zoals hij stelt) eigenaar was van de auto tijdens de brand (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
3.5
Als onderbouwing van zijn stelling dat hij toen eigenaar was van de auto (en bezitter, houder en hoofdbestuurder), stelt [de verzekeringnemer] het volgende. Hij heeft de auto gekocht bij [naam3] in [plaats2] (hierna: [naam3] ) voor € 225.000,-, wat aan hem is gefactureerd. Hij heeft de auto betaald en bij [naam3] opgehaald. Volgens [de verzekeringnemer] heeft hij de koopprijs van de auto (€ 225.000,-) betaald met een geldlening van zijn broer (van € 150.000,-) en met de verrekening van de verkoopwaarde (€ 75.000,-) van een auto die [de verzekeringnemer] aan [naam3] in consignatie had gegeven (een andere Mercedes). De € 150.000,- heeft [de verzekeringnemer] in delen contant aan [naam3] betaald, aldus [de verzekeringnemer] . Volgens [de verzekeringnemer] is het kenteken van de auto bij aflevering aanvankelijk op zijn naam gezet, omdat zijn broer niet in Nederland was (deze werkte als [beroep] in het buitenland) en is het kenteken bij wijze van zekerheid voor de verstrekte financiering vervolgens op naam van zijn broer gezet. Zodra de door zijn broer verstrekte financiering door [de verzekeringnemer] zou zijn afbetaald, zou het kenteken weer op naam van [de verzekeringnemer] worden gezet, aldus [de verzekeringnemer] . Zonder medewerking van zijn broer kon [de verzekeringnemer] dan niet zomaar de auto verkopen. Dit is volgens [de verzekeringnemer] een vorm van ‘zekerheid’ die niet onbekend is bij gefinancierde auto's: ook leasemaatschappijen doen dit soms zo om te voorkomen dat de gebruiker de mogelijkheid heeft om de auto al vóór de volledige afbetaling ervan over te dragen aan een koper en daarbij de kentekenregistratie over te schrijven op naam van die koper.
3.6
Achmea heeft een en ander betwist, omdat volgens haar nergens uit blijkt:
- dat de auto door [naam3] is ingevoerd in Nederland en tot haar handelsvoorraad heeft behoord, dat [naam3] de auto in eigendom heeft gehad en de eigendom van de auto aan [de verzekeringnemer] heeft overgedragen;
- dat [de verzekeringnemer] de koopprijs voor de auto heeft betaald;
- dat [de verzekeringnemer] de auto privé in gebruik heeft gehad en hoofdbestuurder was; en
- dat [de verzekeringnemer] onderhoud en wegenbelasting voor de auto heeft betaald.
Daarbij wijst Achmea erop dat er geen kwitanties of bewijzen zijn van de contante betaling in delen en geen bewijzen van de verrekening van de verkoopwaarde van de auto die [naam3] voor [de verzekeringnemer] in consignatie had en zou verkopen. Volgens Achmea is de factuur van [naam3] voor de auto vals, omdat deze niet vermeldt 1) dat de auto in delen contant is betaald en dat er een auto is ingeruild en 2) wat de btw-gegevens en KvK-gegevens van [naam3] zijn, terwijl vermelding van deze informatie op facturen verplicht is. Ook wijst Achmea erop dat [de verzekeringnemer] in [vestigingsplaats] een autobedrijf heeft met een ruimte waar auto’s binnen kunnen staan, zodat niet aannemelijk is dat [de verzekeringnemer] de auto regelmatig in [plaats1] in een garagebox zou zetten als hij daadwerkelijk de eigenaar, bezitter en regelmatig bestuurder van de auto zou zijn. De overgelegde stukken over de wegenbelasting kunnen volgens Achmea ook betrekking hebben op een andere auto en het overgelegde appgesprek van [de verzekeringnemer] en zijn broer over de betaling van de wegenbelasting voor de auto is volgens Achmea vals.
3.7
Achmea heeft daarnaast aangevoerd dat niet geloofwaardig is dat [de verzekeringnemer] de auto bij [naam3] heeft aangeschaft voor een bedrag van € 225.000,-, terwijl dat bedrag € 35.000,- lager ligt dan de dagwaarde van € 260.000,-.
Dictum
4.1
Het hof laat [de verzekeringnemer] toe te bewijzen dat hij tijdens de brand eigenaar was van de Mercedes-Benz S-Klasse met kenteken [kenteken] .
4.2
Als er getuigen moeten worden verhoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.P.M. Hennekens de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3
[de verzekeringnemer] moet op dinsdag 20 februari 2024 (dat is een zogenoemde roldatum) aan het hof laten weten hoeveel getuigen hij wil laten verhoren, met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4
[de verzekeringnemer] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan Achmea en het hof opgeven.
4.5
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van het getuigenverhoor een kopie sturen.
4.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, P.J. van der Korst en A.W. Steeg, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024.