Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-13
ECLI:NL:GHARL:2024:5167
Civiel recht
Hoger beroep
4,386 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.341.940
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 418253
arrest in het incident van 13 augustus 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
die verweerder is in het incident
hierna: [appellant]
advocaat: mr. D.F. Linnartz
tegen
Smart Comfort Home Project Ontwikkeling B.V.
die is gevestigd in Rouveen
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie
die eiseres is in het incident
hierna: SCH
advocaat: mr. D. Warnink
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 21 februari 2024, tussen partijen heeft uitgesproken. Dit vonnis is verbeterd bij herstelvonnis van 2 april 2024. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van [appellant]
de conclusie in incident van SCH met producties
de antwoordconclusie in het incident van [appellant]
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
SCH heeft als verkoper een koop-/aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met [appellant] en de broer van [appellant] (hierna: [naam1] ) als kopers (hierna samen: [appellant] c.s.). Deze overeenkomst zag op de aankoop van een bedrijfsunit in een nog door SCH te bouwen bedrijfsverzamelgebouw. Tussen partijen is discussie ontstaan over de uitvoering van het werk en de betaling van facturen.
2.2.
SCH heeft in conventie bij de rechtbank primair – kort gezegd – betaling van de openstaande facturen gevorderd, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de contractueel afgesproken rente. [appellant] c.s. hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd en reconventionele vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft de standpunten van [appellant] c.s. gezamenlijk behandeld. [appellant] vorderde bij de rechtbank primair – kort gezegd – herstel van gebreken (onder meer het alsnog aanbrengen van brandwerende bekleding). [naam1] vorderde primair – kort gezegd - een verklaring voor recht dat SCH toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en herstel van gebreken.
2.3.
De rechtbank heeft [appellant] c.s. in conventie hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 42.319,75, vermeerderd met de contractueel afgesproken rente en de proceskosten. SCH is in reconventie veroordeeld tot het aanbrengen van brandwerende bekleding op de binnenwanden van de door [appellant] c.s. gekochte bedrijfsunit. [appellant] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. [naam1] heeft, afzonderlijk van [appellant] , ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. SCH heeft een incidentele vordering ingesteld tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in hoger beroep met een beroep op de processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit arrest betreft uitsluitend de beslissing op deze incidentele vordering.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal oordelen dat er geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en wijst de incidentele vordering van SCH af. Het hof licht zijn beslissing hieronder toe.
3.2.
SCH stelt dat [appellant] niet in zijn vordering in hoger beroep kan worden ontvangen, omdat hij en [naam1] afzonderlijke appelprocedures aanhangig hebben gemaakt terwijl sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In artikel 14 lid 2 van de overeenkomst is bepaald dat [appellant] c.s. slechts gezamenlijk de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten kunnen uitoefenen (waarbij zij elkaar onherroepelijk gevolmachtigd hebben om mee te werken aan de overdracht van het registergoed). Het gezamenlijk kunnen uitoefenen van rechten voortvloeiende uit de overeenkomst staat er volgens SCH aan in de weg dat [appellant] c.s. hun rechten separaat uitoefenen. Daarbij komt verder dat sprake is van – inhoudelijk gezien – één en dezelfde rechtsverhouding. SCH heeft er bovendien belang bij niet twee keer griffierecht te moeten betalen. [appellant] voert gemotiveerd verweer.
3.3.
In een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding dienen alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure te worden betrokken. Als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en een partij in de procedure ontbreekt, leidt dat niet (zoals SCH bepleit) tot niet-ontvankelijkheid, maar moet de rechter gelegenheid geven om de niet-opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Er is sprake van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is. Dit mag slechts worden aangenomen als de aard en de inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen. De processuele ondeelbaarheid kan voortvloeien uit de wet of besloten liggen in de aard van de rechtsverhouding zelf.
3.4.
Het hof oordeelt dat het in dit geval niet rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak van het hof voor alle bij de rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is. Er is dus geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.5.
Het gegeven dat er in dit geval sprake is van een meerpartijenovereenkomst, op basis waarvan [appellant] c.s. gezamenlijk een onroerende zaak hebben gekocht, opdracht hebben gegeven voor aannemingswerkzaamheden en hoofdelijk zijn verbonden voor de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar behoeft niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist. Ook het feit dat in de overeenkomst is bepaald dat [appellant] c.s. slechts gezamenlijk de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten kunnen uitoefenen, leidt niet tot dat oordeel. Ook dit brengt namelijk niet mee dat de uitspraak ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend moet zijn. Het belang van SCH om geen twee keer griffierecht te hoeven betalen, is, hoewel begrijpelijk, ook geen grond voor het aannemen van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Proceskosten
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af en zal SCH als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident veroordelen.
De hoofdzaak
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt SCH tot betaling van de proceskosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (1 procespunt x appeltarief II);
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.M.E Lagarde en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911; Hoge Raad 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.341.940
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 418253
arrest in het incident van 13 augustus 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
die verweerder is in het incident
hierna: [appellant]
advocaat: mr. D.F. Linnartz
tegen
Smart Comfort Home Project Ontwikkeling B.V.
die is gevestigd in Rouveen
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie
die eiseres is in het incident
hierna: SCH
advocaat: mr. D. Warnink
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 21 februari 2024, tussen partijen heeft uitgesproken. Dit vonnis is verbeterd bij herstelvonnis van 2 april 2024. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van [appellant]
de conclusie in incident van SCH met producties
de antwoordconclusie in het incident van [appellant]
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
SCH heeft als verkoper een koop-/aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met [appellant] en de broer van [appellant] (hierna: [naam1] ) als kopers (hierna samen: [appellant] c.s.). Deze overeenkomst zag op de aankoop van een bedrijfsunit in een nog door SCH te bouwen bedrijfsverzamelgebouw. Tussen partijen is discussie ontstaan over de uitvoering van het werk en de betaling van facturen.
2.2.
SCH heeft in conventie bij de rechtbank primair – kort gezegd – betaling van de openstaande facturen gevorderd, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de contractueel afgesproken rente. [appellant] c.s. hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd en reconventionele vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft de standpunten van [appellant] c.s. gezamenlijk behandeld. [appellant] vorderde bij de rechtbank primair – kort gezegd – herstel van gebreken (onder meer het alsnog aanbrengen van brandwerende bekleding). [naam1] vorderde primair – kort gezegd - een verklaring voor recht dat SCH toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en herstel van gebreken.
2.3.
De rechtbank heeft [appellant] c.s. in conventie hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 42.319,75, vermeerderd met de contractueel afgesproken rente en de proceskosten. SCH is in reconventie veroordeeld tot het aanbrengen van brandwerende bekleding op de binnenwanden van de door [appellant] c.s. gekochte bedrijfsunit. [appellant] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. [naam1] heeft, afzonderlijk van [appellant] , ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. SCH heeft een incidentele vordering ingesteld tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in hoger beroep met een beroep op de processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit arrest betreft uitsluitend de beslissing op deze incidentele vordering.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal oordelen dat er geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en wijst de incidentele vordering van SCH af. Het hof licht zijn beslissing hieronder toe.
3.2.
SCH stelt dat [appellant] niet in zijn vordering in hoger beroep kan worden ontvangen, omdat hij en [naam1] afzonderlijke appelprocedures aanhangig hebben gemaakt terwijl sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In artikel 14 lid 2 van de overeenkomst is bepaald dat [appellant] c.s. slechts gezamenlijk de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten kunnen uitoefenen (waarbij zij elkaar onherroepelijk gevolmachtigd hebben om mee te werken aan de overdracht van het registergoed). Het gezamenlijk kunnen uitoefenen van rechten voortvloeiende uit de overeenkomst staat er volgens SCH aan in de weg dat [appellant] c.s. hun rechten separaat uitoefenen. Daarbij komt verder dat sprake is van – inhoudelijk gezien – één en dezelfde rechtsverhouding. SCH heeft er bovendien belang bij niet twee keer griffierecht te moeten betalen. [appellant] voert gemotiveerd verweer.
3.3.
In een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding dienen alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure te worden betrokken. Als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en een partij in de procedure ontbreekt, leidt dat niet (zoals SCH bepleit) tot niet-ontvankelijkheid, maar moet de rechter gelegenheid geven om de niet-opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Er is sprake van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is. Dit mag slechts worden aangenomen als de aard en de inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen. De processuele ondeelbaarheid kan voortvloeien uit de wet of besloten liggen in de aard van de rechtsverhouding zelf.
3.4.
Het hof oordeelt dat het in dit geval niet rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak van het hof voor alle bij de rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is. Er is dus geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.5.
Het gegeven dat er in dit geval sprake is van een meerpartijenovereenkomst, op basis waarvan [appellant] c.s. gezamenlijk een onroerende zaak hebben gekocht, opdracht hebben gegeven voor aannemingswerkzaamheden en hoofdelijk zijn verbonden voor de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar behoeft niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist. Ook het feit dat in de overeenkomst is bepaald dat [appellant] c.s. slechts gezamenlijk de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten kunnen uitoefenen, leidt niet tot dat oordeel. Ook dit brengt namelijk niet mee dat de uitspraak ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend moet zijn. Het belang van SCH om geen twee keer griffierecht te hoeven betalen, is, hoewel begrijpelijk, ook geen grond voor het aannemen van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Proceskosten
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af en zal SCH als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident veroordelen.
De hoofdzaak
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt SCH tot betaling van de proceskosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (1 procespunt x appeltarief II);
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.M.E Lagarde en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911; Hoge Raad 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.