Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-06
ECLI:NL:GHARL:2024:5081
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,082 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.254
(zaaknummer rechtbank Gelderland 431058)
beschikking van 6 augustus 2024
inzake
[verzoekster]
,
verder te noemen: de moeder,
en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Doetinchem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna ook: de kinderrechter), van 4 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 juni 2024, en
het verweerschrift van de raad.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 juli 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de ouders en hun advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad, en
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2022. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de ouders.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de raad [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 maart 2024 tot 4 maart 2025.
4.2
De ouders zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair het verzoek van de raad af te wijzen en subsidiair het verzoek van de raad in duur te bekorten.
4.3
Uit het verweerschrift van de raad blijkt dat de raad zich niet verzet tegen het beroep van de ouders.
4.4
De GI heeft op de mondelinge behandeling haar standpunt kenbaar gemaakt.
Motivering
5.1
In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op het moment van de bestreden beschikking noodzakelijk was omdat [de minderjarige] op dat moment in haar ontwikkeling werd bedreigd en de zorg die nodig was om deze bedreiging weg te nemen door de ouders onvoldoende werd geaccepteerd.
Op 12 oktober 2023 werd de halfzus van [de minderjarige] , [de halfzus] , met een spoedmachtiging uithuisgeplaatst. De GI heeft de ouders toen geïnformeerd dat de raad een onderzoek zou gaan instellen naar de situatie van [de minderjarige] . De ouders waren door de hele situatie rondom [de halfzus] heel erg boos op de hulpverlening en zij uitten wantrouwen en beschuldigingen richting de hulpverlening. Doordat de ouders de hulpverlening niet meer bij hen in huis lieten komen, had niemand zicht op [de minderjarige] en kon haar veiligheid onvoldoende worden ingeschat, terwijl er zorgen waren over hoe de ouders omgingen met hun belaste verleden. Alles wat door de ouders in een eerder onderzoek over hun (misbruik)verleden was gezegd, werd in deze periode door hen ontkend en daarover mocht van hen niet meer worden gesproken. Om te voorkomen dat dit toch gebeurde nam vooral de vader een dreigende en intimiderende houding aan en werd de hulpverlening van smaad en laster beschuldigd. Dit hebben zowel de GI als de raad in het contact met de vader ervaren. Bovendien waren er zorgen over de dreigende taal van de vader naar de opa van [de minderjarige] (moederszijde). Door deze strijd van de ouders tegen alle betrokken jeugdzorgwerkers ontstond het beeld van ouders die niet beschikbaar waren voor [de minderjarige] en waren er zorgen over hun belastbaarheid en geestelijke gezondheid. Doordat de ouders niet wilden samenwerken met de hulpverlening en de hulpverlening bij hen niet welkom was, konden deze zorgen ook niet worden ontkracht. Dit alles betekent dat hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend was en dat op het moment van de bestreden beschikking een ondertoezichtstelling noodzakelijk was om de belangen van [de minderjarige] te beschermen.
5.3
Het is het hof gebleken dat de zorgen die bij het nemen van de bestreden beschikking door de rechtbank bestonden, inmiddels niet meer aanwezig zijn. De GI mag nu wel bij de ouders thuis komen en de GI heeft samen met de ouders een plan van aanpak gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat ambulante gezinsbegeleiding van het Leger des Heils is ingezet, te weten 10 voor Toekomst. Deze hulpverlening in de thuissituatie bij de ouders verloopt goed. De GI heeft geen zorgen (meer) over [de minderjarige] en het blijkt dat de ouders goed bij [de minderjarige] aansluiten.
Uit het verweerschrift en de verklaring op de mondelinge behandeling blijkt dat de raad op dit moment voldoende vertrouwen heeft dat de ouders [de minderjarige] een opvoeding kunnen bieden die tegemoetkomt aan haar belangen. Een ondertoezichtstelling is daarom volgens de raad niet langer nodig.
Ook de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat gezien de positieve ontwikkelingen in de afgelopen tijd een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige] wat haar betreft niet meer nodig is.
Het hof is, net als de raad en de GI, van oordeel dat er op dit moment geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Daarmee is er dus geen grond meer voor (het voortduren van) de ondertoezichtstelling.
5.4
Het hof zal daarom het volgende beslissen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 maart 2024 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode tot heden;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 maart 2024 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode vanaf heden en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en I.G.M.T. Weijers - van der Marck en is op 6 augustus 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.254
(zaaknummer rechtbank Gelderland 431058)
beschikking van 6 augustus 2024
inzake
[verzoekster]
,
verder te noemen: de moeder,
en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Doetinchem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna ook: de kinderrechter), van 4 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 juni 2024, en
het verweerschrift van de raad.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 juli 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de ouders en hun advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad, en
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2022. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de ouders.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de raad [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 maart 2024 tot 4 maart 2025.
4.2
De ouders zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair het verzoek van de raad af te wijzen en subsidiair het verzoek van de raad in duur te bekorten.
4.3
Uit het verweerschrift van de raad blijkt dat de raad zich niet verzet tegen het beroep van de ouders.
4.4
De GI heeft op de mondelinge behandeling haar standpunt kenbaar gemaakt.
Motivering
5.1
In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op het moment van de bestreden beschikking noodzakelijk was omdat [de minderjarige] op dat moment in haar ontwikkeling werd bedreigd en de zorg die nodig was om deze bedreiging weg te nemen door de ouders onvoldoende werd geaccepteerd.
Op 12 oktober 2023 werd de halfzus van [de minderjarige] , [de halfzus] , met een spoedmachtiging uithuisgeplaatst. De GI heeft de ouders toen geïnformeerd dat de raad een onderzoek zou gaan instellen naar de situatie van [de minderjarige] . De ouders waren door de hele situatie rondom [de halfzus] heel erg boos op de hulpverlening en zij uitten wantrouwen en beschuldigingen richting de hulpverlening. Doordat de ouders de hulpverlening niet meer bij hen in huis lieten komen, had niemand zicht op [de minderjarige] en kon haar veiligheid onvoldoende worden ingeschat, terwijl er zorgen waren over hoe de ouders omgingen met hun belaste verleden. Alles wat door de ouders in een eerder onderzoek over hun (misbruik)verleden was gezegd, werd in deze periode door hen ontkend en daarover mocht van hen niet meer worden gesproken. Om te voorkomen dat dit toch gebeurde nam vooral de vader een dreigende en intimiderende houding aan en werd de hulpverlening van smaad en laster beschuldigd. Dit hebben zowel de GI als de raad in het contact met de vader ervaren. Bovendien waren er zorgen over de dreigende taal van de vader naar de opa van [de minderjarige] (moederszijde). Door deze strijd van de ouders tegen alle betrokken jeugdzorgwerkers ontstond het beeld van ouders die niet beschikbaar waren voor [de minderjarige] en waren er zorgen over hun belastbaarheid en geestelijke gezondheid. Doordat de ouders niet wilden samenwerken met de hulpverlening en de hulpverlening bij hen niet welkom was, konden deze zorgen ook niet worden ontkracht. Dit alles betekent dat hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend was en dat op het moment van de bestreden beschikking een ondertoezichtstelling noodzakelijk was om de belangen van [de minderjarige] te beschermen.
5.3
Het is het hof gebleken dat de zorgen die bij het nemen van de bestreden beschikking door de rechtbank bestonden, inmiddels niet meer aanwezig zijn. De GI mag nu wel bij de ouders thuis komen en de GI heeft samen met de ouders een plan van aanpak gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat ambulante gezinsbegeleiding van het Leger des Heils is ingezet, te weten 10 voor Toekomst. Deze hulpverlening in de thuissituatie bij de ouders verloopt goed. De GI heeft geen zorgen (meer) over [de minderjarige] en het blijkt dat de ouders goed bij [de minderjarige] aansluiten.
Uit het verweerschrift en de verklaring op de mondelinge behandeling blijkt dat de raad op dit moment voldoende vertrouwen heeft dat de ouders [de minderjarige] een opvoeding kunnen bieden die tegemoetkomt aan haar belangen. Een ondertoezichtstelling is daarom volgens de raad niet langer nodig.
Ook de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat gezien de positieve ontwikkelingen in de afgelopen tijd een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige] wat haar betreft niet meer nodig is.
Het hof is, net als de raad en de GI, van oordeel dat er op dit moment geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Daarmee is er dus geen grond meer voor (het voortduren van) de ondertoezichtstelling.
5.4
Het hof zal daarom het volgende beslissen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 maart 2024 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode tot heden;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 maart 2024 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode vanaf heden en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en I.G.M.T. Weijers - van der Marck en is op 6 augustus 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.