Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-28
ECLI:NL:GHARL:2024:3587
Civiel recht
Hoger beroep
5,154 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.336.079
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 402232
arrest in het incident van 28 mei 2024
in het incident in de zaak van
Coöperatie Samen Zorgzaam U.A.
die is gevestigd in Nijeveen, gemeente Meppel
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie
die verweerster is in het incident
hierna: CSZ
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe
tegen
1 [geïntimeerde1]
die woont in [plaats1]
2. [geïntimeerde2] B.V.
die is gevestigd in [plaats1]
die bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie
die eiseressen zijn in het incident
hierna: samen [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
CSZ heeft hoger beroep ingesteld tegen het (eind)vonnis dat de rechtbank Gelderland op 22 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van CSZ
het anticipatie-exploot van [geïntimeerden]
het herstelexploot van CSZ
de memorie van grieven tevens akte wijziging en vermeerdering van eis van CSZ
de conclusie van eis in het incident van [geïntimeerden]
de conclusie van antwoord in het incident van CSZ.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
CSZ bestaat uit zelfstandige zorgverleners, die via de coöperatie intensieve terminale zorg bieden aan mensen die in hun eigen omgeving willen sterven.
2.2.
[geïntimeerde1] was vanaf de oprichting van CSZ in 2016 tot haar ontslag in 2022 direct bestuurder van CSZ. [geïntimeerde2] is de vennootschap van [geïntimeerde1] . Deze vennootschap is opgericht op 29 juni 2018.
2.3.
CSZ heeft bij de rechtbank - onder meer - gevorderd:
[geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan CSZ van een bedrag van € 784.062,28, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling aan CSZ van een bedrag van € 89.722,70, te vermeerderen met de wettelijke rente;
2.4.
De rechtbank heeft CSZ bij tussenvonnis opgedragen de schade die zij als gevolg van het onbehoorlijk bestuur van [geïntimeerde1] heeft geleden nader te specificeren en daarbij expliciet aan te geven in hoeverre de schade is toe te rekenen aan [geïntimeerde1] en in hoeverre aan [geïntimeerde2] . De rechtbank heeft bij eindvonnis [geïntimeerden] gezamenlijk (niet hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 545.000 aan CSZ, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de afwijzing van de vordering tot hoofdelijke veroordeling gemotiveerd door te overwegen dat CSZ onvoldoende expliciet heeft aangegeven in hoeverre haar schade kan worden toegerekend aan [geïntimeerde1] en in hoeverre aan [geïntimeerde2] . De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen wie welk deel van het schadebedrag voor haar rekening moet nemen.
2.5.
CSZ is het deels niet eens met de vonnissen van de rechtbank en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het (eind)vonnis (op grond van artikel 438 lid 2 Rv, wat het hof heeft opgevat als een beroep op artikel 351 Rv). Dit arrest betreft uitsluitend de incidentele vordering.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de vordering van [geïntimeerden] tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis afwijzen. Anders dan [geïntimeerden] aanvoeren, berust het vonnis van de rechtbank niet op een kennelijke misslag. Het hof zal zijn beslissing hieronder toelichten.
Juridisch kader
3.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Wanneer een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan deze uitgevoerd worden, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
3.3.
[geïntimeerden] stellen dat het vonnis van de rechtbank berust op een kennelijke misslag, omdat CSZ onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat zij van wie op welke grondslag vorderde en de rechtbank de vordering van CSZ daarom had moeten afwijzen. Volgens [geïntimeerden] kunnen zij niet gezamenlijk veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 545.000, omdat niet kan worden vastgesteld welke schade aan [geïntimeerde1] en welke schade aan [geïntimeerde2] toe te rekenen is. Ook het oordeel dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen welke schade zij voor hun rekening nemen levert een kennelijke misslag op. Bij gebreke van hoofdelijke aansprakelijkheid rest slechts de wettelijke mogelijkheid schuldenaars tot betaling van de schade in gelijke of ongelijke delen te veroordelen voor het deel van de schuld dat elk van hen aangaat, aldus [geïntimeerden] De veroordeling roept ook de vraag op in welke mate het vonnis een executoriale titel oplevert ten aanzien van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Ten slotte wijzen [geïntimeerden] erop dat voor de schade geen hoofdelijke of medeaansprakelijkheid kán bestaan, omdat CSZ mede vergoeding van schade vordert die zij zou hebben geleden voordat [geïntimeerde2] was opgericht en zij van [geïntimeerde1] terugbetaling van bedragen vordert die beweerdelijk onrechtmatig aan [geïntimeerde2] zouden zijn voldaan.
3.4.
Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun standpunt dat de gezamenlijke veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding van schade aan CSZ berust op een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag kan namelijk pas sprake zijn wanneer de beslissing van de rechtbank onmiskenbaar onjuist is en niet wanneer ook nog een andere beslissing mogelijk zou zijn geweest. Of het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toerekening van de schade aan [geïntimeerden] juist is of niet, zal te zijner tijd worden beoordeeld door het hof in de hoofdzaak en leent zich niet voor beoordeling in dit incident. De rechtbank heeft in het dictum van het vonnis van 22 november 2023 (onder 4.3) “[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ” veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 545.000 aan CSZ, zonder daarbij te bepalen wie welk deel van dat bedrag moet voldoen. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW van toepassing is, wat betekent dat [geïntimeerden] op grond van deze veroordeling voor gelijke delen verbonden zijn, en het vonnis CSZ een executoriale titel oplevert ten aanzien van [geïntimeerden] om de helft (gelijke delen) van het toegekende bedrag van elk van hen te kunnen opeisen. De overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen welke schade zij voor hun rekening nemen doet hieraan niet af en levert dus evenmin een kennelijke misslag op.
Belangenafweging
3.5.
Voor zover [geïntimeerden] nog bedoeld hebben te stellen dat hun belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis zwaarder weegt dat het belang van CSZ bij uitvoering van het vonnis, gaat het hof daaraan voorbij, nu [geïntimeerden] deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd.
De conclusie
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [geïntimeerden] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten in het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten van het incident van CSZ ter hoogte van: € 1.214,- aan salaris van de advocaat van CSZ (1 procespunt x appeltarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.336.079
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 402232
arrest in het incident van 28 mei 2024
in het incident in de zaak van
Coöperatie Samen Zorgzaam U.A.
die is gevestigd in Nijeveen, gemeente Meppel
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie
die verweerster is in het incident
hierna: CSZ
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe
tegen
1 [geïntimeerde1]
die woont in [plaats1]
2. [geïntimeerde2] B.V.
die is gevestigd in [plaats1]
die bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie
die eiseressen zijn in het incident
hierna: samen [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
CSZ heeft hoger beroep ingesteld tegen het (eind)vonnis dat de rechtbank Gelderland op 22 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van CSZ
het anticipatie-exploot van [geïntimeerden]
het herstelexploot van CSZ
de memorie van grieven tevens akte wijziging en vermeerdering van eis van CSZ
de conclusie van eis in het incident van [geïntimeerden]
de conclusie van antwoord in het incident van CSZ.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
CSZ bestaat uit zelfstandige zorgverleners, die via de coöperatie intensieve terminale zorg bieden aan mensen die in hun eigen omgeving willen sterven.
2.2.
[geïntimeerde1] was vanaf de oprichting van CSZ in 2016 tot haar ontslag in 2022 direct bestuurder van CSZ. [geïntimeerde2] is de vennootschap van [geïntimeerde1] . Deze vennootschap is opgericht op 29 juni 2018.
2.3.
CSZ heeft bij de rechtbank - onder meer - gevorderd:
[geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan CSZ van een bedrag van € 784.062,28, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling aan CSZ van een bedrag van € 89.722,70, te vermeerderen met de wettelijke rente;
2.4.
De rechtbank heeft CSZ bij tussenvonnis opgedragen de schade die zij als gevolg van het onbehoorlijk bestuur van [geïntimeerde1] heeft geleden nader te specificeren en daarbij expliciet aan te geven in hoeverre de schade is toe te rekenen aan [geïntimeerde1] en in hoeverre aan [geïntimeerde2] . De rechtbank heeft bij eindvonnis [geïntimeerden] gezamenlijk (niet hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 545.000 aan CSZ, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de afwijzing van de vordering tot hoofdelijke veroordeling gemotiveerd door te overwegen dat CSZ onvoldoende expliciet heeft aangegeven in hoeverre haar schade kan worden toegerekend aan [geïntimeerde1] en in hoeverre aan [geïntimeerde2] . De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen wie welk deel van het schadebedrag voor haar rekening moet nemen.
2.5.
CSZ is het deels niet eens met de vonnissen van de rechtbank en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het (eind)vonnis (op grond van artikel 438 lid 2 Rv, wat het hof heeft opgevat als een beroep op artikel 351 Rv). Dit arrest betreft uitsluitend de incidentele vordering.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de vordering van [geïntimeerden] tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis afwijzen. Anders dan [geïntimeerden] aanvoeren, berust het vonnis van de rechtbank niet op een kennelijke misslag. Het hof zal zijn beslissing hieronder toelichten.
Juridisch kader
3.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Wanneer een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan deze uitgevoerd worden, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
3.3.
[geïntimeerden] stellen dat het vonnis van de rechtbank berust op een kennelijke misslag, omdat CSZ onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat zij van wie op welke grondslag vorderde en de rechtbank de vordering van CSZ daarom had moeten afwijzen. Volgens [geïntimeerden] kunnen zij niet gezamenlijk veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 545.000, omdat niet kan worden vastgesteld welke schade aan [geïntimeerde1] en welke schade aan [geïntimeerde2] toe te rekenen is. Ook het oordeel dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen welke schade zij voor hun rekening nemen levert een kennelijke misslag op. Bij gebreke van hoofdelijke aansprakelijkheid rest slechts de wettelijke mogelijkheid schuldenaars tot betaling van de schade in gelijke of ongelijke delen te veroordelen voor het deel van de schuld dat elk van hen aangaat, aldus [geïntimeerden] De veroordeling roept ook de vraag op in welke mate het vonnis een executoriale titel oplevert ten aanzien van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Ten slotte wijzen [geïntimeerden] erop dat voor de schade geen hoofdelijke of medeaansprakelijkheid kán bestaan, omdat CSZ mede vergoeding van schade vordert die zij zou hebben geleden voordat [geïntimeerde2] was opgericht en zij van [geïntimeerde1] terugbetaling van bedragen vordert die beweerdelijk onrechtmatig aan [geïntimeerde2] zouden zijn voldaan.
3.4.
Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun standpunt dat de gezamenlijke veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding van schade aan CSZ berust op een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag kan namelijk pas sprake zijn wanneer de beslissing van de rechtbank onmiskenbaar onjuist is en niet wanneer ook nog een andere beslissing mogelijk zou zijn geweest. Of het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toerekening van de schade aan [geïntimeerden] juist is of niet, zal te zijner tijd worden beoordeeld door het hof in de hoofdzaak en leent zich niet voor beoordeling in dit incident. De rechtbank heeft in het dictum van het vonnis van 22 november 2023 (onder 4.3) “[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ” veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 545.000 aan CSZ, zonder daarbij te bepalen wie welk deel van dat bedrag moet voldoen. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW van toepassing is, wat betekent dat [geïntimeerden] op grond van deze veroordeling voor gelijke delen verbonden zijn, en het vonnis CSZ een executoriale titel oplevert ten aanzien van [geïntimeerden] om de helft (gelijke delen) van het toegekende bedrag van elk van hen te kunnen opeisen. De overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderling moeten bepalen welke schade zij voor hun rekening nemen doet hieraan niet af en levert dus evenmin een kennelijke misslag op.
Belangenafweging
3.5.
Voor zover [geïntimeerden] nog bedoeld hebben te stellen dat hun belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis zwaarder weegt dat het belang van CSZ bij uitvoering van het vonnis, gaat het hof daaraan voorbij, nu [geïntimeerden] deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd.
De conclusie
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [geïntimeerden] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten in het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten van het incident van CSZ ter hoogte van: € 1.214,- aan salaris van de advocaat van CSZ (1 procespunt x appeltarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.