Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-16
ECLI:NL:GHARL:2024:3383
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,542 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.331.796/01
CJIB-nummer
: 234368499
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juni 2020 om 01:40 uur op de Raam in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten het sanctiebedrag te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daartoe bestaat ook aanleiding als de betrokkene een vennootschap is, aldus de gemachtigde.
3. De kantonrechter heeft onderkend dat de redelijke termijn van berechting is overschreden maar het sanctiebedrag niet gematigd omdat de betrokkene een handelsnaam is. Bij een handelsnaam kan geen sprake zijn van gevoelens van frustratie door een te late uitspraak, aldus de kantonrechter.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter terecht heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Compensatie hiervoor dient plaats te vinden door matiging van het sanctiebedrag met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het hof ziet -anders dan de kantonrechter- in de omstandigheid dat de betrokkene een handelsnaam is, geen aanleiding om van deze vorm van compensatie af te zien. Het hof zoekt in dit verband aansluiting bij de hoogste bestuursrechtelijke instanties, die, in navolging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de vaste jurisprudentie hebben ontwikkeld dat ook voor niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen of andere entiteiten, geldt dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting tot immateriële schade kan leiden die voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. onder meer het arrest van het EHRM van 6 april 2000 inzake Comingersoll S.A. tegen Portugal, zaaknr. 35382/97, NJ 2000/612).
5. Een en ander brengt mee dat het hof in deze zaak het bedrag van de sanctie zal matigen met 25 procent.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op€ 292,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.331.796/01
CJIB-nummer
: 234368499
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juni 2020 om 01:40 uur op de Raam in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten het sanctiebedrag te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daartoe bestaat ook aanleiding als de betrokkene een vennootschap is, aldus de gemachtigde.
3. De kantonrechter heeft onderkend dat de redelijke termijn van berechting is overschreden maar het sanctiebedrag niet gematigd omdat de betrokkene een handelsnaam is. Bij een handelsnaam kan geen sprake zijn van gevoelens van frustratie door een te late uitspraak, aldus de kantonrechter.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter terecht heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Compensatie hiervoor dient plaats te vinden door matiging van het sanctiebedrag met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het hof ziet -anders dan de kantonrechter- in de omstandigheid dat de betrokkene een handelsnaam is, geen aanleiding om van deze vorm van compensatie af te zien. Het hof zoekt in dit verband aansluiting bij de hoogste bestuursrechtelijke instanties, die, in navolging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de vaste jurisprudentie hebben ontwikkeld dat ook voor niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen of andere entiteiten, geldt dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting tot immateriële schade kan leiden die voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. onder meer het arrest van het EHRM van 6 april 2000 inzake Comingersoll S.A. tegen Portugal, zaaknr. 35382/97, NJ 2000/612).
5. Een en ander brengt mee dat het hof in deze zaak het bedrag van de sanctie zal matigen met 25 procent.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op€ 292,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.