Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-04-25
ECLI:NL:GHARL:2024:2906
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,594 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.338.075
(zaaknummer rechtbank Overijssel 302022)
beschikking van 25 april 2024
inzake
[verzoekster]
, en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 september 2023 en 24 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 24 januari 2024 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 februari 2024;
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordiger van de GI.
Feiten
3.1
De ouders zijn geregistreerd partners. Deze procedure gaat over hun jongste kind [de minderjarige1] , geboren [in] 2023 te [woonplaats1] . De ouders oefenen samen het gezag over [de minderjarige1] uit.
3.2
De ouders hebben ook nog twee oudere kinderen:
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013, en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2018. Deze kinderen groeien niet bij de ouders op. De GI oefent de voogdij over hen uit.
3.3
[de minderjarige1] is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 27 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 24 mei 2023 is de definitieve ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] uitgesproken voor de duur van een jaar, dus tot 24 mei 2024.
3.4
Bij de beschikking van 24 mei 2023 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 1 september 2023 en elke verdere beslissing wat betreft de uithuisplaatsing aangehouden.
Bij beschikking van 24 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 24 november 2023.
3.5
In de hiervoor al genoemde beschikking van 27 september 2023 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 24 mei 2024 gedeeltelijk toegewezen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] is verlengd met twee maanden tot 24 januari 2024 en de behandeling van het overige is aangehouden.
3.6
[de minderjarige1] is geboren in het ziekenhuis en is vanuit het ziekenhuis geplaatst in een pleeggezin. Hij verblijft daar sinds 28 februari 2023.
4De omvang van het geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg alsnog verlengd van 24 januari 2024 tot 24 mei 2024.
4.2
De ouders zijn het niet eens met deze laatste verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] tot 24 mei 2024.
De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] alsnog af te wijzen, dan wel het verzoek van de ouders tot contra-expertise ex artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te wijzen, met benoeming van het NIFP tot deskundige.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het door de ouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
uithuisplaatsing
5.1
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.2
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing tot 24 mei 2024 heeft verlengd en legt hierna uit waarom.
5.3
[de minderjarige1] is een kwetsbare baby, die volledig afhankelijk is van de zorg van zijn opvoeders. Er zijn ernstige zorgen over de mogelijkheden van de ouders om zelf goed genoeg voor [de minderjarige1] te zorgen. De GI heeft zich ingespannen om te laten onderzoeken of de ouders met de inzet van professionele begeleiding in staat zijn [de minderjarige1] in hun gezin op te voeden. Bij de twee oudere kinderen bleek dat niet mogelijk, ondanks inzet en ondersteuning van instanties en familie. Zo zijn de ouders met [de minderjarige3] , en met [de minderjarige2] in de weekenden, in 2018 tijdelijk opgenomen bij [naam1] . Daar is toen CSI (Crisis Systeem Interventie: een zeer intensieve gezinsbehandeling gericht op ouders met een licht verstandelijke beperking) ingezet met als doel dat de oudste kinderen bij de ouders thuis konden (blijven) wonen. Dat doel is toen niet gehaald.
Een opname van de ouders bij [naam1] met [de minderjarige1] behoorde niet tot de mogelijkheden. [naam1] wilde daar niet aan meewerken, omdat [naam1] op basis van hun eerdere ervaringen vond dat geen sprake is van behandelbare problematiek.
De GI vond dat de ouders toch nog een nieuwe kans verdienden en daarom is een gezinsopnametraject bij de GGZ in Beilen aangevraagd. De motivatie van de GI hiervoor was dat een belangrijk verschil ten opzichte van de eerdere opname bij [naam1] was dat de ouders zich nu alleen op [de minderjarige1] zouden kunnen richten in plaats van toen op twee kinderen. Bovendien wilde de GI de ouders een nieuwe kans geven zonder dat zij, zoals de ouders dat voelden, werden “afgerekend op het verleden”.
Na een eerste intake in april 2023 bestonden twijfels om een traject te starten vanwege de beperking van de ouders. Na een tweede intake gepland in mei 2023, waarbij ook de interactie tussen de ouders en [de minderjarige1] is beoordeeld, kwam GGZ Beilen tot de conclusie dat het gezinsopnametraject kon worden gestart. Vervolgens hebben de ouders bij [naam2] een samenwerkingsopname positief afgerond. De volgende stappen waren huisbezoeken en een gesprek over de zorgen voor veiligheid. Helaas kwam GGZ Beilen medio oktober 2023 tot de conclusie dat het traject moest worden afgebroken, omdat de zorgen uit het verleden niet goed bespreekbaar zijn met de ouders. De ouders leggen de zorgen voornamelijk buiten zichzelf en het lukt niet om doelen met hen op te stellen, aldus GGZ Beilen. Dit is wel noodzakelijk om de veiligheid van [de minderjarige1] bij de ouders gedurende het traject voldoende te kunnen borgen. Het is daarom niet tot een opname van de ouders met [de minderjarige1] samen gekomen. Volgens GGZ Beilen zet [de minderjarige1] sneller stappen dan dat de ouders die kunnen zetten en dat is verdrietig voor de ouders. Er zijn verder zorgen dat de ouders informatie anders horen dan dat het aan hen is verteld.
5.4
Het hof twijfelt niet aan de deskundigheid van GGZ Beilen. Bovendien zijn de bevindingen van GGZ Beilen door de eerder ingezette instanties en ondersteuners ook al benoemd. In de stukken in deze procedure worden veel gebeurtenissen en voorvallen benoemd waaruit blijkt dat de ouders onvoldoende kunnen aansluiten bij hun kind en hierin niet leerbaar zijn. Onder andere wordt vermeld dat de ouders aanwijzingen zeer letterlijk nemen en hun handelingen onvoldoende kunnen afstemmen op wisselende situaties. Als bijvoorbeeld de ouders verteld werd dat het goed is om een kind een compliment te geven, doen zij dit vervolgens de hele dag. In het voortraject is gezien dat het ingewikkeld is voor de ouders de zorgen te horen van nu en het verleden. Ouders, en daarin neemt dan voornamelijk de moeder het woord, weerleggen de zorgen, geven anderen de schuld van deze zorgen en herkennen hun eigen aandeel hierin niet of nauwelijks. Dat de ouders de zorgen onvoldoende beseffen, blijkt ook uit het feit dat zij de zwangerschap van de moeder (in verwachting van [de minderjarige1] ) hebben verzwegen en vinden dat “hun plan” bijna is gelukt, omdat zij bijna met [de minderjarige1] het ziekenhuis uit waren gegaan. Dat de ouders de gevolgen van een zwangerschap en hun mogelijkheden tot het zijn van ouder niet goed overzien, blijkt ook het feit dat hun kinderwens onveranderd groot is en het risico op opnieuw een uithuisplaatsing niet bespreekbaar bleek. De moeder vindt anticonceptie niet nodig en de vader geeft aan net zo lang door te gaan met het krijgen van kinderen tot hij een elftal heeft. Bij [naam2] bleven de ouders benoemen dat zij het niet willen hebben over de zorgen van toen en ook de GI heeft de ervaring dat het bespreken van zorgen niet lukt.
De stelling van de ouders dat er geen omgangsmomenten met [de minderjarige1] zijn geobserveerd en hun capaciteiten daarom niet goed konden worden beoordeeld, passeert het hof. In de intakefase is de interactie tussen de ouders en [de minderjarige1] wel bekeken, maar het traject is daarna vastgelopen vanwege ontbrekende vaardigheden bij de ouders. Daarmee wordt bedoeld dat de zorgen die er zijn niet met de ouders kunnen worden besproken. De ouders zijn daarom niet goed te begeleiden.
De GI heeft er heel veel aan gedaan om de wens van de ouders dat [de minderjarige1] bij hen kan opgroeien een kans te geven. De GI heeft ook een nieuwe jeugdbeschermer ingezet voor [de minderjarige1] vanwege het feit dat de verstandhouding tussen de ouders en de jeugdbeschermer van hun twee oudere kinderen niet heel erg goed is.
Het is begrijpelijk dat de ouders heel verdrietig en boos zijn dat zij hun kind niet zelf mogen verzorgen en opvoeden, omdat zij vanuit hun beperkingen niet goed begrijpen waarom zij tekortschieten als ouder. Het hof heeft echter geen twijfels over de inspanningen die door diverse deskundigen in het traject zijn verricht en die helaas voor de ouders tot een negatieve uitkomst hebben geleid. Voor het hof is er daarom ook geen aanleiding te bezien of het traject nog weer opnieuw kan worden opgepakt.
5.5
[de minderjarige1] woont nu meer dan een jaar in het pleeggezin en heeft zich daar gehecht. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat zij als vervolgstap (vooralsnog) niet willen inzetten op het uitzetten van een verzoek bij de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders. De GI hoopt dat de plaatsing van [de minderjarige1] in het pleeggezin straks alsnog in een vrijwillig kader kan worden uitgevoerd, ook al is de samenwerking met de ouders op dit moment moeizaam.
Het hof gaat niet in op de stellingen van de ouders over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] , omdat dat in het kader van deze procedure niet nodig is. Op grond van de bevindingen van de professionals is duidelijk is dat de ouders op dit moment niet op een veilige manier zelf voor [de minderjarige1] kunnen zorgen en dat de machtiging uithuisplaatsing tot 24 mei 2024 in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] noodzakelijk is.
Conclusie
5.9
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 januari 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, K.A.M. van Os-ten Have en I.J. Pieters, bijgestaan door de griffier, en is op 25 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.338.075
(zaaknummer rechtbank Overijssel 302022)
beschikking van 25 april 2024
inzake
[verzoekster]
, en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 september 2023 en 24 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 24 januari 2024 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 februari 2024;
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordiger van de GI.
Feiten
3.1
De ouders zijn geregistreerd partners. Deze procedure gaat over hun jongste kind [de minderjarige1] , geboren [in] 2023 te [woonplaats1] . De ouders oefenen samen het gezag over [de minderjarige1] uit.
3.2
De ouders hebben ook nog twee oudere kinderen:
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013, en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2018. Deze kinderen groeien niet bij de ouders op. De GI oefent de voogdij over hen uit.
3.3
[de minderjarige1] is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 27 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 24 mei 2023 is de definitieve ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] uitgesproken voor de duur van een jaar, dus tot 24 mei 2024.
3.4
Bij de beschikking van 24 mei 2023 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 1 september 2023 en elke verdere beslissing wat betreft de uithuisplaatsing aangehouden.
Bij beschikking van 24 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 24 november 2023.
3.5
In de hiervoor al genoemde beschikking van 27 september 2023 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 24 mei 2024 gedeeltelijk toegewezen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] is verlengd met twee maanden tot 24 januari 2024 en de behandeling van het overige is aangehouden.
3.6
[de minderjarige1] is geboren in het ziekenhuis en is vanuit het ziekenhuis geplaatst in een pleeggezin. Hij verblijft daar sinds 28 februari 2023.
4De omvang van het geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg alsnog verlengd van 24 januari 2024 tot 24 mei 2024.
4.2
De ouders zijn het niet eens met deze laatste verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] tot 24 mei 2024.
De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] alsnog af te wijzen, dan wel het verzoek van de ouders tot contra-expertise ex artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te wijzen, met benoeming van het NIFP tot deskundige.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het door de ouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
uithuisplaatsing
5.1
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.2
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing tot 24 mei 2024 heeft verlengd en legt hierna uit waarom.
5.3
[de minderjarige1] is een kwetsbare baby, die volledig afhankelijk is van de zorg van zijn opvoeders. Er zijn ernstige zorgen over de mogelijkheden van de ouders om zelf goed genoeg voor [de minderjarige1] te zorgen. De GI heeft zich ingespannen om te laten onderzoeken of de ouders met de inzet van professionele begeleiding in staat zijn [de minderjarige1] in hun gezin op te voeden. Bij de twee oudere kinderen bleek dat niet mogelijk, ondanks inzet en ondersteuning van instanties en familie. Zo zijn de ouders met [de minderjarige3] , en met [de minderjarige2] in de weekenden, in 2018 tijdelijk opgenomen bij [naam1] . Daar is toen CSI (Crisis Systeem Interventie: een zeer intensieve gezinsbehandeling gericht op ouders met een licht verstandelijke beperking) ingezet met als doel dat de oudste kinderen bij de ouders thuis konden (blijven) wonen. Dat doel is toen niet gehaald.
Een opname van de ouders bij [naam1] met [de minderjarige1] behoorde niet tot de mogelijkheden. [naam1] wilde daar niet aan meewerken, omdat [naam1] op basis van hun eerdere ervaringen vond dat geen sprake is van behandelbare problematiek.
De GI vond dat de ouders toch nog een nieuwe kans verdienden en daarom is een gezinsopnametraject bij de GGZ in Beilen aangevraagd. De motivatie van de GI hiervoor was dat een belangrijk verschil ten opzichte van de eerdere opname bij [naam1] was dat de ouders zich nu alleen op [de minderjarige1] zouden kunnen richten in plaats van toen op twee kinderen. Bovendien wilde de GI de ouders een nieuwe kans geven zonder dat zij, zoals de ouders dat voelden, werden “afgerekend op het verleden”.
Na een eerste intake in april 2023 bestonden twijfels om een traject te starten vanwege de beperking van de ouders. Na een tweede intake gepland in mei 2023, waarbij ook de interactie tussen de ouders en [de minderjarige1] is beoordeeld, kwam GGZ Beilen tot de conclusie dat het gezinsopnametraject kon worden gestart. Vervolgens hebben de ouders bij [naam2] een samenwerkingsopname positief afgerond. De volgende stappen waren huisbezoeken en een gesprek over de zorgen voor veiligheid. Helaas kwam GGZ Beilen medio oktober 2023 tot de conclusie dat het traject moest worden afgebroken, omdat de zorgen uit het verleden niet goed bespreekbaar zijn met de ouders. De ouders leggen de zorgen voornamelijk buiten zichzelf en het lukt niet om doelen met hen op te stellen, aldus GGZ Beilen. Dit is wel noodzakelijk om de veiligheid van [de minderjarige1] bij de ouders gedurende het traject voldoende te kunnen borgen. Het is daarom niet tot een opname van de ouders met [de minderjarige1] samen gekomen. Volgens GGZ Beilen zet [de minderjarige1] sneller stappen dan dat de ouders die kunnen zetten en dat is verdrietig voor de ouders. Er zijn verder zorgen dat de ouders informatie anders horen dan dat het aan hen is verteld.
5.4
Het hof twijfelt niet aan de deskundigheid van GGZ Beilen. Bovendien zijn de bevindingen van GGZ Beilen door de eerder ingezette instanties en ondersteuners ook al benoemd. In de stukken in deze procedure worden veel gebeurtenissen en voorvallen benoemd waaruit blijkt dat de ouders onvoldoende kunnen aansluiten bij hun kind en hierin niet leerbaar zijn. Onder andere wordt vermeld dat de ouders aanwijzingen zeer letterlijk nemen en hun handelingen onvoldoende kunnen afstemmen op wisselende situaties. Als bijvoorbeeld de ouders verteld werd dat het goed is om een kind een compliment te geven, doen zij dit vervolgens de hele dag. In het voortraject is gezien dat het ingewikkeld is voor de ouders de zorgen te horen van nu en het verleden. Ouders, en daarin neemt dan voornamelijk de moeder het woord, weerleggen de zorgen, geven anderen de schuld van deze zorgen en herkennen hun eigen aandeel hierin niet of nauwelijks. Dat de ouders de zorgen onvoldoende beseffen, blijkt ook uit het feit dat zij de zwangerschap van de moeder (in verwachting van [de minderjarige1] ) hebben verzwegen en vinden dat “hun plan” bijna is gelukt, omdat zij bijna met [de minderjarige1] het ziekenhuis uit waren gegaan. Dat de ouders de gevolgen van een zwangerschap en hun mogelijkheden tot het zijn van ouder niet goed overzien, blijkt ook het feit dat hun kinderwens onveranderd groot is en het risico op opnieuw een uithuisplaatsing niet bespreekbaar bleek. De moeder vindt anticonceptie niet nodig en de vader geeft aan net zo lang door te gaan met het krijgen van kinderen tot hij een elftal heeft. Bij [naam2] bleven de ouders benoemen dat zij het niet willen hebben over de zorgen van toen en ook de GI heeft de ervaring dat het bespreken van zorgen niet lukt.
De stelling van de ouders dat er geen omgangsmomenten met [de minderjarige1] zijn geobserveerd en hun capaciteiten daarom niet goed konden worden beoordeeld, passeert het hof. In de intakefase is de interactie tussen de ouders en [de minderjarige1] wel bekeken, maar het traject is daarna vastgelopen vanwege ontbrekende vaardigheden bij de ouders. Daarmee wordt bedoeld dat de zorgen die er zijn niet met de ouders kunnen worden besproken. De ouders zijn daarom niet goed te begeleiden.
De GI heeft er heel veel aan gedaan om de wens van de ouders dat [de minderjarige1] bij hen kan opgroeien een kans te geven. De GI heeft ook een nieuwe jeugdbeschermer ingezet voor [de minderjarige1] vanwege het feit dat de verstandhouding tussen de ouders en de jeugdbeschermer van hun twee oudere kinderen niet heel erg goed is.
Het is begrijpelijk dat de ouders heel verdrietig en boos zijn dat zij hun kind niet zelf mogen verzorgen en opvoeden, omdat zij vanuit hun beperkingen niet goed begrijpen waarom zij tekortschieten als ouder. Het hof heeft echter geen twijfels over de inspanningen die door diverse deskundigen in het traject zijn verricht en die helaas voor de ouders tot een negatieve uitkomst hebben geleid. Voor het hof is er daarom ook geen aanleiding te bezien of het traject nog weer opnieuw kan worden opgepakt.
5.5
[de minderjarige1] woont nu meer dan een jaar in het pleeggezin en heeft zich daar gehecht. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat zij als vervolgstap (vooralsnog) niet willen inzetten op het uitzetten van een verzoek bij de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders. De GI hoopt dat de plaatsing van [de minderjarige1] in het pleeggezin straks alsnog in een vrijwillig kader kan worden uitgevoerd, ook al is de samenwerking met de ouders op dit moment moeizaam.
Het hof gaat niet in op de stellingen van de ouders over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] , omdat dat in het kader van deze procedure niet nodig is. Op grond van de bevindingen van de professionals is duidelijk is dat de ouders op dit moment niet op een veilige manier zelf voor [de minderjarige1] kunnen zorgen en dat de machtiging uithuisplaatsing tot 24 mei 2024 in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] noodzakelijk is.
Conclusie
5.9
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 januari 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, K.A.M. van Os-ten Have en I.J. Pieters, bijgestaan door de griffier, en is op 25 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.