Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-04-23
ECLI:NL:GHARL:2024:2818
Civiel recht
Hoger beroep
3,528 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.337.122
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 295156
arrest in het incident van 23 april 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als eiser in het incident
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.A. Schuring
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
die optreedt als verweerder in het incident
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.S. van Knippenberg
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 20 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 351 Rv
de incidentele antwoordmemorie (artikel 351 Rv) van [geïntimeerde]
de memorie van grieven.
2De kern van de zaak
2.1.
[geïntimeerde] als verkoper en [appellant] als koper hebben een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van een woning. De overdracht van de woning heeft niet plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft de woning uiteindelijk aan de derde verkocht en geleverd.
2.2.
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een contractuele boete van € 177.500,- te betalen, omdat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst.
2.3.
[appellant] heeft in hoger beroep een incident ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de incidentele vordering van [appellant] toewijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
3.2.
Het vonnis van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om het vonnis meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden.
3.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen rechtsgeldig beroep heeft gedaan op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. Daarna heeft de rechtbank in 5.6 van het vonnis onder meer het volgende overwogen: Vervolgens ligt de vraag voor of [appellant] de contractuele boete aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Uit artikel 11 van de koopovereenkomst volgt dat hiervoor eerst een ingebrekestelling vereist is. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] hem niet in gebreke heeft gesteld met een termijn van acht dagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde brieven van 31 augustus en 30 september 2022 volgt voldoende dat voldaan is aan de ingebrekestelling zoals omschreven in artikel 11 van de koopovereenkomst. Verder heeft de gemachtigde van [appellant] ter zitting betoogd dat [appellant] , ook in het geval hij geen rechtsgeldig beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan, hij de verplichting om de woning af te nemen niet kon nakomen omdat [geïntimeerde] de woning al verkocht had aan een derde partij. Dit betoog slaagt niet, omdat de woning pas in mei 2023 is verkocht aan een derde.
3.4.
[appellant] betoogt dat het vonnis van de rechtbank een kennelijke misslag bevat. Hij stelt dat de woning niet in mei 2023, maar al in mei 2022 aan een derde is verkocht en geleverd. In dat kader verwijst [appellant] naar een akte van levering die door hem bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht. [appellant] stelt dat het betoog van zijn gemachtigde bij de rechtbank daarom had moeten slagen.
3.5.
Het hof is van oordeel dat het vonnis van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. Vast staat namelijk dat de woning in mei 2022 aan een derde is verkocht en geleverd en niet pas in mei 2023. [geïntimeerde] heeft dit in hoger beroep bevestigd. Aan deze kennelijke misslag zal het hof gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid van het vonnis. Het hof gaat niet mee in het betoog van [geïntimeerde] dat het jaar van verkoop van de woning niet relevant is voor het uiteindelijke oordeel van de rechtbank. Van belang is dat uit het vonnis volgt dat voor de verschuldigdheid van de contractuele boete vereist is dat een ingebrekestelling is verstuurd. Op het moment van de door de rechtbank genoemde ingebrekestellingen van 31 augustus en 30 september 2022 was de woning al overgedragen aan een derde. Daardoor was het voor [appellant] op dat moment niet meer mogelijk om zijn verplichting uit de koopovereenkomst tot het afnemen van de woning na te komen. Nu de door de rechtbank genoemde ingebrekestellingen niet geldig zijn, had de rechtbank niet tot de conclusie kunnen komen dat [appellant] de contractuele boete aan [geïntimeerde] is verschuldigd.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 december 2023 tot het eindarrest in de hoofdzaak;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, C.M.E. Lagarde en A.J.J. van Rijen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.337.122
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 295156
arrest in het incident van 23 april 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als eiser in het incident
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.A. Schuring
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
die optreedt als verweerder in het incident
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.S. van Knippenberg
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 20 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 351 Rv
de incidentele antwoordmemorie (artikel 351 Rv) van [geïntimeerde]
de memorie van grieven.
2De kern van de zaak
2.1.
[geïntimeerde] als verkoper en [appellant] als koper hebben een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van een woning. De overdracht van de woning heeft niet plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft de woning uiteindelijk aan de derde verkocht en geleverd.
2.2.
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een contractuele boete van € 177.500,- te betalen, omdat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst.
2.3.
[appellant] heeft in hoger beroep een incident ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de incidentele vordering van [appellant] toewijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
3.2.
Het vonnis van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om het vonnis meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden.
3.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen rechtsgeldig beroep heeft gedaan op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. Daarna heeft de rechtbank in 5.6 van het vonnis onder meer het volgende overwogen: Vervolgens ligt de vraag voor of [appellant] de contractuele boete aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Uit artikel 11 van de koopovereenkomst volgt dat hiervoor eerst een ingebrekestelling vereist is. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] hem niet in gebreke heeft gesteld met een termijn van acht dagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde brieven van 31 augustus en 30 september 2022 volgt voldoende dat voldaan is aan de ingebrekestelling zoals omschreven in artikel 11 van de koopovereenkomst. Verder heeft de gemachtigde van [appellant] ter zitting betoogd dat [appellant] , ook in het geval hij geen rechtsgeldig beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan, hij de verplichting om de woning af te nemen niet kon nakomen omdat [geïntimeerde] de woning al verkocht had aan een derde partij. Dit betoog slaagt niet, omdat de woning pas in mei 2023 is verkocht aan een derde.
3.4.
[appellant] betoogt dat het vonnis van de rechtbank een kennelijke misslag bevat. Hij stelt dat de woning niet in mei 2023, maar al in mei 2022 aan een derde is verkocht en geleverd. In dat kader verwijst [appellant] naar een akte van levering die door hem bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht. [appellant] stelt dat het betoog van zijn gemachtigde bij de rechtbank daarom had moeten slagen.
3.5.
Het hof is van oordeel dat het vonnis van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. Vast staat namelijk dat de woning in mei 2022 aan een derde is verkocht en geleverd en niet pas in mei 2023. [geïntimeerde] heeft dit in hoger beroep bevestigd. Aan deze kennelijke misslag zal het hof gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid van het vonnis. Het hof gaat niet mee in het betoog van [geïntimeerde] dat het jaar van verkoop van de woning niet relevant is voor het uiteindelijke oordeel van de rechtbank. Van belang is dat uit het vonnis volgt dat voor de verschuldigdheid van de contractuele boete vereist is dat een ingebrekestelling is verstuurd. Op het moment van de door de rechtbank genoemde ingebrekestellingen van 31 augustus en 30 september 2022 was de woning al overgedragen aan een derde. Daardoor was het voor [appellant] op dat moment niet meer mogelijk om zijn verplichting uit de koopovereenkomst tot het afnemen van de woning na te komen. Nu de door de rechtbank genoemde ingebrekestellingen niet geldig zijn, had de rechtbank niet tot de conclusie kunnen komen dat [appellant] de contractuele boete aan [geïntimeerde] is verschuldigd.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 december 2023 tot het eindarrest in de hoofdzaak;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, C.M.E. Lagarde en A.J.J. van Rijen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.