Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-11
ECLI:NL:GHARL:2024:276
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,748 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.155/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 407155)
beschikking van 11 januari 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel appel,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.L.A. Cox te Nijmegen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verzoeker in incidenteel appel,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Tilburg,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 31 oktober 2022 en 21 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal de laatste beschikking verder de bestreden beschikking noemen.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 augustus 2023;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht van mr. Cox van 27 november 2023 met producties, en
een journaalbericht van mr. van Reeven-Özer van 28 november 2023 met productie.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 1 december 2023 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 7 december 2023 plaatsgevonden. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak onder nummer 200.331.158/01.
Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
drie vertegenwoordigers van de GI en
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
Feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011, te [plaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de hoogte van de bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat:
de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader is;
als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt dat de moeder onder begeleiding contact heeft met [de minderjarige] gedurende ten minste 2 uur per week, waarbij het aan de gezinsvoogd wordt gelaten deze regeling naar gelang de behoefte van [de minderjarige] uit te breiden;
gedurende de uithuisplaatsing de vader onder begeleiding contact heeft met [de minderjarige] ten minste 2 uur per week, waarbij het aan de gezinsvoogd wordt gelaten deze regeling naar gelang de mogelijkheden van [de minderjarige] uit te breiden en
de bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 1 september 2014 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] gewijzigd en met ingang van 21 juli 2023 vastgesteld op nihil.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vader af te wijzen en bij wijze van voorwaardelijk verzoek te bepalen dat er een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder zal zijn waarbij [de minderjarige] minimaal elk weekend van vrijdagmiddag na school tot zondagavond bij de vrouw zal zijn.
4.3
De vader is op zijn beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] te wijzigen en voor nu geen regeling vast te leggen.
4.4
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof het verzoek van de man af te wijzen.
Motivering
standpunten
5.1
De moeder is het niet eens met de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Zij voert aan dat de zorgen die er zijn onterecht en niet onderbouwd zijn. De weerstand die [de minderjarige] tegen zijn vader heeft komt vanuit [de minderjarige] zelf en kan de moeder niet aangerekend worden. De zorgen zijn onvoldoende onderbouwd en worden door de moeder betwist. Er zijn volgens de moeder geen redenen om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] te beperken. De moeder is de enige persoon aan wie [de minderjarige] gehecht is. Als er helemaal geen omgang is tussen de moeder en [de minderjarige] zal dit traumatisch voor hem zijn. Ten slotte vindt de moeder dat de vader kinderalimentatie moet betalen omdat [de minderjarige] nog steeds bij de moeder woont en zij alle kosten van [de minderjarige] voldoet.
5.2
De vader erkent de door de raad gestelde zorgen en vindt het in het belang van [de minderjarige] dat hij bij de vader komt wonen. De vader ontvangt geen informatie meer over [de minderjarige] van de moeder. De vader vreest dat de moeder, ook bij begeleide omgang, [de minderjarige] zal belasten met haar emoties en weerstand tegen de vader. Hij vindt het belangrijk dat de GI kan beoordelen of en wanneer het contact met de moeder in het belang van [de minderjarige] is.
5.3
De GI is van mening dat het helpend is als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader blijft. Zij kunnen dan als GI betrokken blijven en de ingezette hulp voortzetten.
5.4
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. De raad is van mening dat het voor [de minderjarige] van belang is dat hij bij de vader gaat wonen. Vader laat een sterke betrokkenheid zien, heeft goed contact met de school van [de minderjarige] en doet zijn uiterste best om op de hoogte te blijven van wat er speelt in het leven van [de minderjarige] . Daarbij is de raad van mening dat [de minderjarige] , wanneer hij bij de vader woont, de ruimte zal krijgen om contact te hebben met beide ouders. De raad acht het van belang dat er contact is tussen de moeder en [de minderjarige] , waarbij het van belang is dat de moeder zich houdt aan de aanwijzingen van de GI.
hoofdverblijfplaats
5.5
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
Dictum
de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.
5.6
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt vastgesteld. Het hof maakt zich ernstig zorgen om de emotionele veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] bij de moeder. Het hof acht het van belang dat [de minderjarige] contact kan hebben met zowel zijn moeder als zijn vader. [de minderjarige] moet de kans krijgen om zich te ontwikkelen, op eigen benen te staan en zelf keuzes te maken. Het is niet te verwachten dat de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder zal wijzigen. Dit geldt temeer omdat de moeder haar aandeel in de ontstane situatie in het geheel niet lijkt te onderkennen en niet in staat is om emotionele toestemming te verlenen voor het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Ook in de afgelopen maanden heeft de moeder haar houding ten opzichte van de hulpverlening niet gewijzigd en is zij gestopt met het informeren van de vader. Uit het rapport van de raad volgt dat de vader [de minderjarige] zijn vrijheid en zijn beide ouders gunt. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , bekrachtigen. Daarbij gaat het hof er vanuit dat de GI haar voornemen om weer een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] te verzoeken tot uitvoering brengt. Het hof verwijst naar zijn beschikking van heden in de zaak onder nummer 200.331.158.
zorg- en contactregeling
5.7
Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vernietigen en voor nu geen zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepalen. Op dit moment is niet te overzien welke gevolgen de feitelijke wijziging van de hoofdverblijfplaats, voorafgegaan door – zo is het voornemen van de GI – een uithuisplaatsing, op [de minderjarige] heeft en hoe hij hierop zal reageren. De GI zal, op het moment dat dit speelt, moeten beoordelen welke vorm van contact tussen de moeder en [de minderjarige] passend is en hoe deze contacten eruit moeten zien.
kinderalimentatie
5.8
Het hof beschikt thans over onvoldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen over de kinderalimentatie. Met name is onduidelijk hoe lang [de minderjarige] nog bij de moeder zal verblijven, wie van de ouders in de huidige situatie maar ook daarna recht kan doen gelden op de kinderbijslag en het kindgebonden budget en wie van de ouders welke (verblijfsoverstijgende) kosten voor zijn of haar rekening neemt. Het hof zal de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie dan ook aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen om het hof schriftelijk te informeren over het verdere verloop en de stand van zaken ten aanzien van het (feitelijk) verblijf van [de minderjarige] . Een periode van zes maanden lijkt het hof daarvoor voldoende. Dat betekent dat eerst de moeder (uiterlijk op 11 juli 2024) en daarna de vader (uiterlijk op 8 augustus 2024) aan het hof dienen te berichten. Daarna zal het hof indien het hof daartoe aanleiding ziet een nieuwe datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling – uitsluitend ten aanzien van de kinderalimentatie – vaststellen.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en te vernietigen voor wat betreft de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] en te beslissen als volgt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2023 voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2023 voor wat betreft de vastgestelde zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan en gelast voortzetting van deze procedure op de wijze zoals hiervoor onder 5.8 overwogen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, P.B. Kamminga en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 11 januari 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.155/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 407155)
beschikking van 11 januari 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel appel,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.L.A. Cox te Nijmegen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verzoeker in incidenteel appel,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Tilburg,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 31 oktober 2022 en 21 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal de laatste beschikking verder de bestreden beschikking noemen.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 augustus 2023;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht van mr. Cox van 27 november 2023 met producties, en
een journaalbericht van mr. van Reeven-Özer van 28 november 2023 met productie.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 1 december 2023 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 7 december 2023 plaatsgevonden. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak onder nummer 200.331.158/01.
Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
drie vertegenwoordigers van de GI en
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
Feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011, te [plaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de hoogte van de bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat:
de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader is;
als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt dat de moeder onder begeleiding contact heeft met [de minderjarige] gedurende ten minste 2 uur per week, waarbij het aan de gezinsvoogd wordt gelaten deze regeling naar gelang de behoefte van [de minderjarige] uit te breiden;
gedurende de uithuisplaatsing de vader onder begeleiding contact heeft met [de minderjarige] ten minste 2 uur per week, waarbij het aan de gezinsvoogd wordt gelaten deze regeling naar gelang de mogelijkheden van [de minderjarige] uit te breiden en
de bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 1 september 2014 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] gewijzigd en met ingang van 21 juli 2023 vastgesteld op nihil.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vader af te wijzen en bij wijze van voorwaardelijk verzoek te bepalen dat er een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder zal zijn waarbij [de minderjarige] minimaal elk weekend van vrijdagmiddag na school tot zondagavond bij de vrouw zal zijn.
4.3
De vader is op zijn beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] te wijzigen en voor nu geen regeling vast te leggen.
4.4
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof het verzoek van de man af te wijzen.
Motivering
standpunten
5.1
De moeder is het niet eens met de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Zij voert aan dat de zorgen die er zijn onterecht en niet onderbouwd zijn. De weerstand die [de minderjarige] tegen zijn vader heeft komt vanuit [de minderjarige] zelf en kan de moeder niet aangerekend worden. De zorgen zijn onvoldoende onderbouwd en worden door de moeder betwist. Er zijn volgens de moeder geen redenen om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] te beperken. De moeder is de enige persoon aan wie [de minderjarige] gehecht is. Als er helemaal geen omgang is tussen de moeder en [de minderjarige] zal dit traumatisch voor hem zijn. Ten slotte vindt de moeder dat de vader kinderalimentatie moet betalen omdat [de minderjarige] nog steeds bij de moeder woont en zij alle kosten van [de minderjarige] voldoet.
5.2
De vader erkent de door de raad gestelde zorgen en vindt het in het belang van [de minderjarige] dat hij bij de vader komt wonen. De vader ontvangt geen informatie meer over [de minderjarige] van de moeder. De vader vreest dat de moeder, ook bij begeleide omgang, [de minderjarige] zal belasten met haar emoties en weerstand tegen de vader. Hij vindt het belangrijk dat de GI kan beoordelen of en wanneer het contact met de moeder in het belang van [de minderjarige] is.
5.3
De GI is van mening dat het helpend is als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader blijft. Zij kunnen dan als GI betrokken blijven en de ingezette hulp voortzetten.
5.4
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. De raad is van mening dat het voor [de minderjarige] van belang is dat hij bij de vader gaat wonen. Vader laat een sterke betrokkenheid zien, heeft goed contact met de school van [de minderjarige] en doet zijn uiterste best om op de hoogte te blijven van wat er speelt in het leven van [de minderjarige] . Daarbij is de raad van mening dat [de minderjarige] , wanneer hij bij de vader woont, de ruimte zal krijgen om contact te hebben met beide ouders. De raad acht het van belang dat er contact is tussen de moeder en [de minderjarige] , waarbij het van belang is dat de moeder zich houdt aan de aanwijzingen van de GI.
hoofdverblijfplaats
5.5
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
Dictum
de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.
5.6
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt vastgesteld. Het hof maakt zich ernstig zorgen om de emotionele veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] bij de moeder. Het hof acht het van belang dat [de minderjarige] contact kan hebben met zowel zijn moeder als zijn vader. [de minderjarige] moet de kans krijgen om zich te ontwikkelen, op eigen benen te staan en zelf keuzes te maken. Het is niet te verwachten dat de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder zal wijzigen. Dit geldt temeer omdat de moeder haar aandeel in de ontstane situatie in het geheel niet lijkt te onderkennen en niet in staat is om emotionele toestemming te verlenen voor het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Ook in de afgelopen maanden heeft de moeder haar houding ten opzichte van de hulpverlening niet gewijzigd en is zij gestopt met het informeren van de vader. Uit het rapport van de raad volgt dat de vader [de minderjarige] zijn vrijheid en zijn beide ouders gunt. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , bekrachtigen. Daarbij gaat het hof er vanuit dat de GI haar voornemen om weer een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] te verzoeken tot uitvoering brengt. Het hof verwijst naar zijn beschikking van heden in de zaak onder nummer 200.331.158.
zorg- en contactregeling
5.7
Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vernietigen en voor nu geen zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepalen. Op dit moment is niet te overzien welke gevolgen de feitelijke wijziging van de hoofdverblijfplaats, voorafgegaan door – zo is het voornemen van de GI – een uithuisplaatsing, op [de minderjarige] heeft en hoe hij hierop zal reageren. De GI zal, op het moment dat dit speelt, moeten beoordelen welke vorm van contact tussen de moeder en [de minderjarige] passend is en hoe deze contacten eruit moeten zien.
kinderalimentatie
5.8
Het hof beschikt thans over onvoldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen over de kinderalimentatie. Met name is onduidelijk hoe lang [de minderjarige] nog bij de moeder zal verblijven, wie van de ouders in de huidige situatie maar ook daarna recht kan doen gelden op de kinderbijslag en het kindgebonden budget en wie van de ouders welke (verblijfsoverstijgende) kosten voor zijn of haar rekening neemt. Het hof zal de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie dan ook aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen om het hof schriftelijk te informeren over het verdere verloop en de stand van zaken ten aanzien van het (feitelijk) verblijf van [de minderjarige] . Een periode van zes maanden lijkt het hof daarvoor voldoende. Dat betekent dat eerst de moeder (uiterlijk op 11 juli 2024) en daarna de vader (uiterlijk op 8 augustus 2024) aan het hof dienen te berichten. Daarna zal het hof indien het hof daartoe aanleiding ziet een nieuwe datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling – uitsluitend ten aanzien van de kinderalimentatie – vaststellen.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en te vernietigen voor wat betreft de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] en te beslissen als volgt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2023 voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2023 voor wat betreft de vastgestelde zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan en gelast voortzetting van deze procedure op de wijze zoals hiervoor onder 5.8 overwogen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, P.B. Kamminga en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 11 januari 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.