Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-26
ECLI:NL:GHARL:2024:2138
Civiel recht
Hoger beroep
1,736 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.331.334
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 10357262
arrest van 26 maart 2024
in de zaak van
Wittebrug Autoverhuur B.V.
die is gevestigd in Amstelveen
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Wittebrug
advocaat: mr. M. Snoek
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde, niet verschenen
hierna: [geïntimeerde]
niet verschenen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Wittebrug heeft hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 3 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het tegen [geïntimeerde] verleende verstek
de memorie van grieven.
2De kern van de zaak
2.1.
Wittebrug heeft aan [geïntimeerde] een auto verhuurd.
2.2.
Wittebrug heeft bij de kantonrechter gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag aan achterstallige huur, (verkeers)boetes en eigen risico voor de auto ten aanzien van de periode van september 2022 tot 7 november 2022, zoals blijkt uit de aan de inleidende dagvaarding gehechte zeven facturen, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen en Wittebrug veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de vorderingen van Wittebrug alsnog grotendeels toewijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
3.2.
Wittebrug stelt dat de kantonrechter de vorderingen ten onrechte als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen, omdat de facturen waarvan betaling wordt gevorderd zien op de periode na de einddatum van de huur die in de schriftelijke huurovereenkomst is vermeld. Volgens Wittebrug is de huurovereenkomst na de einddatum van 20 april 2022 stilzwijgend verlengd. [geïntimeerde] , die de auto heeft gehuurd als particulier en niet optreedt in het kader van zijn beroep of bedrijf, heeft de auto na het verstrijken van de huurtermijn tot en met 7 november 2022 in zijn bezit gehouden zodat de huurovereenkomst is verlengd, althans een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur is verschuldigd, aldus Wittebrug. Ter onderbouwing daarvan verwijst Wittebrug naar de omstandigheid dat [geïntimeerde] de facturen over de maanden mei tot en met augustus 2022 heeft voldaan.
3.3.
Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de door Wittebrug gevorderde achterstallige huurpenningen, (verkeers)boetes en eigen risico plus de wettelijke rente daarover toewijzen. De vordering komt het hof, gelet op wat Wittebrug daaraan in hoger beroep aanvullend ten grondslag heeft gelegd, namelijk niet onrechtmatig of ongegrond voor.
3.4.
Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten zal het hof toewijzen. Wittebrug heeft voldoende gesteld voor de conclusie dat zij heeft gehandeld volgens de regels uit artikel 6:96 leden 5-7 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten die in deze zaak van toepassing zijn.
De conclusie
3.5.
Het hoger beroep slaagt grotendeels. Het hof zal het verstekvonnis van de kantonrechter vernietigen, behalve de veroordeling van Wittebrug in de proceskosten. Het hof is namelijk met de kantonrechter van oordeel dat Wittebrug haar vorderingen in eerste aanleg onvoldoende had onderbouwd om te kunnen worden toegewezen.
3.6.
Omdat [geïntimeerde] in hoger beroep grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal ten aanzien van het salaris van de advocaat van Wittebrug in plaats van het tarief in hoger beroep, het lagere tarief dat geldt voor de procedure bij de kantonrechter hanteren. Daarbij betrekt het hof dat de (hogere) salariskosten van het hoger beroep voorkomen hadden kunnen worden, indien Wittebrug haar vorderingen bij de kantonrechter al voldoende had onderbouwd.
3.7.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.8.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
Dictum
Het hof:
4.1.
vernietigt het verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 mei 2023, behalve de beslissing over de proceskosten die hierbij wordt bekrachtigd, en beslist:
veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling aan Wittebrug van een bedrag van € 4.187,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Wittebrug:
€ 783,- aan griffierecht
€ 107,32 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 264,- aan salaris van de advocaat van Wittebrug (1 procespunt x tarief ad € 264,- per punt);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, W.C. Haasnoot en A.J.J. van Rijen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.