Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-12
ECLI:NL:GHARL:2024:1779
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,020 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.384/01
CJIB-nummer
: 251367567
Uitspraak d.d.
: 12 maart 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 juli 2022 om 15.05 uur op de A20 (rechts) in Vlaardingen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. In hoger beroep voert de gemachtigde onder meer aan dat de gedraging niet is verricht. De bestuurder hield tijdens het rijden een Programmable Logic Controller (PLC) vast. Dergelijke apparaten worden in fabrieken en/of kassen gebruikt om het productieproces aan te sturen. Zonder spanning op het apparaat is het een zwart plastic blokje; het bevat geen scherm dat kan worden afgelezen en er is geen sprake van draadloze communicatie. De ambtenaar verklaart dan ook ten onrechte dat sprake is van een mobiel elektronisch apparaat, meer in het bijzonder een zwarte mobiele telefoon.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
5. Het dossier bevat drie foto’s van de gedraging. Hierop is te zien dat de bestuurder in zijn rechterhand, rechts naast en ter hoogte van de bovenkant van het stuur, een rechthoekig donker gekleurd voorwerp vasthoudt.
6. Verder heeft de advocaat-generaal bij het verweerschrift een aantal afbeeldingen van PLC’s gevoegd. In reactie daarop heeft ook de gemachtigde een afbeelding van een PLC ingebracht.
7. De foto’s van de gedraging bieden in dit geval onvoldoende duidelijkheid om te kunnen vaststellen dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene rijdend een mobiel elektronisch apparaat in de zin van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens heeft vastgehouden. Dit brengt mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
8. Gelet op het voorgaande hoeven de overige gronden van de gemachtigde niet meer te worden besproken.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.405,75 (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2,5 x € 875,- x 0,5)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.405,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.384/01
CJIB-nummer
: 251367567
Uitspraak d.d.
: 12 maart 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 juli 2022 om 15.05 uur op de A20 (rechts) in Vlaardingen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. In hoger beroep voert de gemachtigde onder meer aan dat de gedraging niet is verricht. De bestuurder hield tijdens het rijden een Programmable Logic Controller (PLC) vast. Dergelijke apparaten worden in fabrieken en/of kassen gebruikt om het productieproces aan te sturen. Zonder spanning op het apparaat is het een zwart plastic blokje; het bevat geen scherm dat kan worden afgelezen en er is geen sprake van draadloze communicatie. De ambtenaar verklaart dan ook ten onrechte dat sprake is van een mobiel elektronisch apparaat, meer in het bijzonder een zwarte mobiele telefoon.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
5. Het dossier bevat drie foto’s van de gedraging. Hierop is te zien dat de bestuurder in zijn rechterhand, rechts naast en ter hoogte van de bovenkant van het stuur, een rechthoekig donker gekleurd voorwerp vasthoudt.
6. Verder heeft de advocaat-generaal bij het verweerschrift een aantal afbeeldingen van PLC’s gevoegd. In reactie daarop heeft ook de gemachtigde een afbeelding van een PLC ingebracht.
7. De foto’s van de gedraging bieden in dit geval onvoldoende duidelijkheid om te kunnen vaststellen dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene rijdend een mobiel elektronisch apparaat in de zin van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens heeft vastgehouden. Dit brengt mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
8. Gelet op het voorgaande hoeven de overige gronden van de gemachtigde niet meer te worden besproken.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.405,75 (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2,5 x € 875,- x 0,5)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.405,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.